2018/30 zorgvuldig deels-onzorgvuldig

Samenvatting

T. Meeus, J. Chorus en NRC Handelsblad hebben in de columns “Een minister framen als terroristenvriend” en “De klikspaan in onszelf” aandacht besteed aan (een persbericht van) Likoed Nederland (klaagster). In de columns komen geen kwalificaties of vergelijkingen voor die, gezien de aard van de publicaties en gelet op de inhoud van het persbericht van klaagster, journalistiek ontoelaatbaar zijn. Het toepassen van wederhoor was in dit geval niet geboden en NRC was niet gehouden om de ingezonden brief van klaagster te plaatsen. Op deze punten hebben Meeus, Chorus en NRC Handelsblad journalistiek zorgvuldig gehandeld. Wel meent de Raad dat de hoofdredacteur onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te reageren op de klacht. De Raad doet de aanbeveling aan NRC Handelsblad om deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Likoed Nederland

tegen

T. Meeus, J. Chorus en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

De heer A.M. Struick van Bemmelen heeft op 3 december 2017 namens Likoed Nederland (klaagster) een klacht ingediend tegen de heer T. Meeus, mevrouw J. Chorus en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna gezamenlijk: NRC). Naar aanleiding daarvan heeft de secretaris van de Raad bij e-mails van 7 en 11 december 2017 klaagster nader geïnformeerd over de klachtprocedure. Op 14 januari 2018 heeft klaagster aan de Raad bericht dat zij de klacht wenst te handhaven. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van 20 februari 2018 van mevrouw M. Breedeveld, adjunct-hoofdredacteur, betrokken .

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 20 april 2018. Namens klaagster zijn daar de heer A. Cohen, bestuurslid, de heer S. de Koning, bestuursadviseur, en de heer D. Wrona, oud-voorzitter, verschenen. Namens NRC waren de heer Meeus en mevrouw Breedeveld aanwezig. Meeus heeft het standpunt van NRC toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.

DE FEITEN

Op 24 oktober 2017 heeft klaagster een persbericht verspreid met de kop “Geen terroristenvereerder in het nieuwe kabinet”. De intro van dit bericht luidt:
“Sigrid Kaag (D66) is voorgesteld als nieuwe staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.”
Klaagster laat met de volgende opsomming weten dit geen goed idee te vinden:
“1. Zij beschaamde het vertrouwen van dit ministerie.
 2. Haar persoonlijk leven is nauw verbonden met een terroristische organisatie.
 3. Zij heeft bewondering voor terroristen.
 4. Zij heeft goede banden met terreurorganisaties.
 5. Pro-terreur.
 6. Zij is haatdragend naar een bevriende democratische natie.
 7. Zij heeft nauwelijks verbondenheid met Nederland of met het Nederlandse beleid.”

Op 26 oktober 2017 is op de website van NRC een column van Meeus gepubliceerd met de kop “Een minister framen als terroristenvriend”, waarin aandacht is besteed aan het persbericht van klaagster. De column bevat onder meer de volgende passages:
“Modern activisme is: enorm overdrijven en erop speculeren dat je niet wordt betrapt. Het sluipt nu ook de politiek in. Zo was er deze week de claim dat oud-VN-diplomaat Sigrid Kaag (D66), minister voor Hulp en Handel in Rutte III, ‘nauw verbonden is met een terroristische organisatie’. Zij heeft ‘bewondering voor terroristen’ en ‘goede banden met terreurorganisaties’. Zij is zelfs ‘haatdragend naar een bevriende democratische natie’. Afzender: Likoed Nederland.
Ik dacht: even checken.”
en
“Ik heb geen aandelen in de loopbaan van Kaag, haar geschiktheid voor het ministerschap moet blijken. Maar zelfs een dochter meesleuren in je blinde behoefte aan zwartmakerij: zoiets heb ik in de politiek nooit eerder gezien.”

Naar aanleiding hiervan heeft klaagster op 3 november 2017 een ingezonden brief met de kop “Foute factcheck” gestuurd aan E. Schouten, chef buitenlandredactie van NRC – met een cc-bericht aan de redactie van de opiniepagina en J. Meeus – met het verzoek de brief integraal te plaatsen ‘als weerlegging en vorm van rectificatie’.

Vervolgens is op 5 november 2017 op de website van NRC een column van Chorus gepubliceerd met de kop “De klikspaan in onszelf”. Deze column bevat de volgende, voor de onderhavige klacht relevante, passage:
“Ik haal dit maar even aan omdat ik denk dat het succes van #MeToo niet het succes is van de strijd tegen seksueel geweld, maar het succes van kwaadsprekerij. Overal smijten mensen hele en halve beschuldigingen naar elkaar, en dan maar hopen dat de beschuldigde eronder bezwijkt. Sigrid Kaag minister? Maar „haar kinderen lijken pro-terreur te zijn opgevoed”, aldus Likoed Nederland.”

Op 7 november 2017 heeft klaagster haar brief opnieuw aan Schouten gestuurd, wederom met cc aan de opinieredactie en J. Meeus. Onder verwijzing naar de column van Chorus schrijft klaagster in haar begeleidende bericht het volgende:
 “Gezien de herhaalde aandacht voor ons persbericht en het gebruik daarbij van de term “kwaadsprekerij” is het nog meer relevant dat u onze – nogmaals bijgaande – weerlegging plaatst.”
Diezelfde dag heeft klaagster een automatische ontvangstbevestiging ontvangen, die onder meer de volgende passages bevat:
“Dank voor uw ingezonden brief. Dit is een automatische ontvangstbevestiging. Onze redactie zal uw brief binnen drie werkdagen beoordelen. Als we uw brief willen plaatsen, dan nemen we per e-mail contact met u op. Als u na drie werkdagen niets van ons heeft gehoord, dan zien wij af van plaatsing en staat het u vrij om uw brief elders aan te bieden. Niet-plaatsing wil beslist niet zeggen dat uw brief niet het lezen waard is. We krijgen alleen aanzienlijk meer brieven binnen dan er passen in de beperkte ruimte die een krant biedt.”
en
“De redactie behoudt zich het recht voor ingezonden brieven te weigeren, dan wel te redigeren of in te korten.”

Op 14 november 2017 heeft klaagster Schouten nog een herinnering gestuurd met cc aan de opinieredactie. Omdat zij geen inhoudelijke reactie ontving en haar ingezonden brief niet werd geplaatst heeft klaagster zich in een e-mail van 11 december 2017 gewend tot de hoofdredactie van NRC met cc aan de ombudsman van de krant, die luidt:
“Geachte hoofdredactie,
Likoed Nederland heeft drie maal aan de opinieredactie en de redactie buitenland gevraagd om onze weerlegging te plaatsen op twee artikelen over ons in de NRC, van de heer Meeus en van mevrouw Chorus. De mails treft u hieronder aan. Wij menen dat gezien de Code voor de Journalistiek en de eigen Code van de NRC het plaatsen van onze ingezonden brief als weerlegging zeker op zijn plaats is. Wij hebben van beide redacties geen inhoudelijke reactie mogen ontvangen. De Raad voor de Journalistiek heeft ons aangeraden om u als hoofdredactie hierover alsnog rechtstreeks te benaderen. Gaarne vernemen wij uw reactie!”
Hierop heeft klaagster geen reactie ontvangen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster voert aan dat het artikel van Meeus een uiterst selectieve en gedeeltelijk zelfs onjuiste weergave van haar persbericht bevat. Daarom was het plaatsen van haar ingezonden brief, als verduidelijking en weerlegging, op zijn plaats. Dat gold des te meer na de aantijging van ‘kwaadsprekerij’ in het artikel van Chorus, dat zelfs een heel ander onderwerp betrof, aangezien haar persbericht op feiten was gebaseerd.
Op de zitting heeft klaagster nog toegelicht dat zij recht had op wederhoor, omdat de column van Meeus ging over het checken van haar persbericht. In de column is het persbericht zó verknipt, dat daaraan geen recht is gedaan. Klaagster heeft in het persbericht de feiten over Kaag op een rij gezet en (slechts) het handelen van de politica ter discussie gesteld. Van kwaadsprekerij is geen sprake.
Klaagster vindt het onfatsoenlijk dat zij alleen een automatische ontvangstbevestiging heeft ontvangen en geen inhoudelijke reactie, ook niet nadat zij de klacht had voorgelegd aan de hoofdredactie.

NRC stelt hier tegenover dat het de columnisten Meeus en Chorus vrijstond hun gedachten over het persbericht van klaagster te laten gaan. Dat persbericht was bijzonder omdat de daarin vermelde feiten onder meer waren gebaseerd op Twitterberichten van de dochter van Kaag. Dit moet in een column aan de orde gesteld kunnen worden. Op de zitting heeft NRC verder toegelicht dat de column van Meeus ruim voldoende was onderbouwd. In de online versie zijn alle links aangebracht die de basis vormden voor zijn kritiek op het persbericht van klaagster. De term ‘kwaadsprekerij’ in de column van Chorus is gebaseerd op punt 5 uit het persbericht.
NRC betwist dat de ingezonden brief van klaagster geplaatst had moeten worden. De opinieredactie krijgt vele brieven binnen, waarvan slechts een klein deel kan worden afgedrukt. Het is nadrukkelijk voorbehouden aan die redactie om een selectie te maken, hetgeen ook is vermeld in de automatische ontvangstbevestiging. Klaagster stuurt geregeld ingezonden brieven naar de krant en is dus met dit beleid bekend. Daarbij komt dat de ingezonden brief van klaagster inhoudelijk bijna identiek was aan haar persbericht en om die reden relevantie miste.
Klaagster heeft haar brief onder meer gestuurd naar Schouten en J. Meeus, de broer van T. Meeus, die toevallig ook bij NRC werkt. Schouten heeft terecht niet gereageerd omdat de buitenlandredactie geen partij was in deze klacht. J. Meeus heeft de mail waarschijnlijk terzijde gelegd. Chorus is niet benaderd. Op de zitting benadrukt NRC dat Meeus en Chorus zeker inhoudelijk zouden hebben gereageerd, zoals zij gewoon zijn te doen, als zij door klaagster zouden zijn aangeschreven.
De opinieredactie heeft op 7 november 2017 een automatische ontvangstbevestiging van de ingezonden brief aan klaagster gestuurd. Daarin was – zoals gebruikelijk – onder meer vermeld dat als klaagster na drie werkdagen niet nader van de redactie had gehoord, dit inhield dat de redactie afzag van plaatsing. Daarmee was de zaak afgedaan.
De hoofdredactie heeft in de e-mail van klaagster van 11 december 2017 geen concrete klacht gelezen en heeft geconcludeerd dat een reactie overbodig was gezien de e-mail van 7 november 2017 van de opinieredactie. De ombudsman besloot niet te reageren omdat hij alleen in cc stond en niet in persoon werd geacht te reageren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voor zover de klacht is gericht tegen de columns van Meeus en Chorus alsmede tegen het niet-plaatsen van de ingezonden brief van klaagster overweegt de Raad het volgende.
Columnisten zijn vrij om hun mening te geven over gebeurtenissen en personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd. In de columns komen geen kwalificaties of vergelijkingen voor die, gezien de aard van de publicaties en gelet op de inhoud van het persbericht van klaagster, journalistiek ontoelaatbaar zijn. Dat klaagster door de columns onaangenaam is getroffen maakt dit niet anders. Daarbij komt dat klaagster zich – gelet op het feit dat zij de publiciteit zelf niet schuwt en daarbij soms komt tot forse kwalificaties naar derden – een zekere mate van kritische en polemische bejegening moet laten welgevallen. In dat licht bezien zijn de columns niet zodanig kwetsend of beledigend, dat daarmee grenzen zijn overschreden van wat journalistiek zorgvuldig is.
Daarnaast geldt het beginsel van wederhoor niet voor publicaties die kennelijk een persoonlijke mening bevatten, zoals in de onderhavige columns het geval is. Voor een uitzondering op deze regeling bestond geen aanleiding.
Gelet op het voorgaande was NRC dan ook niet gehouden de ingezonden brief van klaagster te plaatsen. In de automatische ontvangstbevestiging van de Opinieredactie is de krant voldoende transparant in de wijze waarop zij omgaat met ingezonden stukken. Daaruit blijkt duidelijk dat het uitblijven van een nadere inhoudelijke reactie binnen drie werkdagen betekent dat de ingezonden brief niet zal worden geplaatst. Verder is aannemelijk geworden dat Meeus en Chorus doorgaans inhoudelijk reageren als zij rechtstreeks via hun e-mailadressen worden benaderd. Dat klaagster dat niet (op de juiste wijze) heeft gedaan, kan hen niet worden tegengeworpen.
Op deze punten hebben Meeus, Chorus en NRC Handelsblad journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Ten aanzien van de afhandeling van de klacht door de hoofdredactie overweegt de Raad dat met de ingang van zijn nieuwe werkwijze per 1 november 2013 – waarover de mediasector vooraf uitvoerig is geconsulteerd – (hoofd)redacties als eerste lijn fungeren in de afhandeling van klachten en klagers verplicht zijn hun bezwaren eerst aan het betrokken medium voor te leggen. Achtergrond van deze bepaling is dat – in het kader van een goede zelfregulering door de media – partijen eerst samen overleg voeren om te bezien of zij tot een minnelijke oplossing van het probleem kunnen komen. Het voorgaande brengt mee dat hoofdredacties klachten op een zorgvuldige manier moeten afhandelen. Dit geldt ook als een klager zijn bezwaren wellicht op een ongelukkige en/of minder welgevallige wijze aan de hoofdredactie heeft voorgelegd. Dit uitgangspunt vraagt een andere klachtafhandeling dan de wijze waarop de hoofdredacteur in dit geval te werk is gegaan.
Klaagster heeft in haar e-mail van 11 december 2017 vermeld dat zij meende dat haar ingezonden brief geplaatst moest worden. Daarbij heeft zij verwezen naar haar eerdere e-mails aan Schouten en de Opinieredactie, waarin zij haar bezwaren tegen de columns van Meeus en Chorus uiteen heeft gezet. Verder heeft klaagster vermeld dat zij de hoofdredactie benaderde op advies van de Raad en heeft zij ten slotte gevraagd om een reactie. De hoofdredactie heeft hierop in het geheel niet gereageerd.
De Raad vindt dat de hoofdredacteur daarmee de klacht en het advies van de Raad ter zake onvoldoende serieus heeft genomen en aldus journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: B.3 en C.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2017/10, RvdJ 2016/36, RvdJ 2016/5 en RvdJ 2013/19

CONCLUSIE

Voor zover de klacht is gericht tegen de columns van Meeus en Chorus alsmede tegen het niet-plaatsen van de ingezonden brief van klaagster hebben Meeus, Chorus en NRC Handelsblad journalistiek zorgvuldig gehandeld. Ten aanzien van het afhandelen van de klacht was de handelwijze van de hoofdredacteur onzorgvuldig.

De Raad doet de aanbeveling aan NRC Handelsblad om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 22 augustus 2018 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. dr. Y.M. de Haan, ir. B.L. Hooghoudt en mw. H.M.M. Nietsch, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.