2017/16 deels-onzorgvuldig

Samenvatting

J. Dohmen en NRC Handelsblad hebben ten aanzien van de inhoud van de artikelen “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk”, “De zaken van Selçuk Öztürk”, “Geheim dealtje bij een zorginstelling” en “De vier ‘leugens’ van NRC” niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld. Zij hebben deugdelijk onderzoek verricht en de artikelen opgesteld aan de hand van de destijds voorhanden feiten en omstandigheden. Bovendien hebben ze voldoende wederhoor toegepast voordat zij tot publicatie overgingen. Dat S. Öztürk (klager) daarvan geen adequaat gebruik heeft gemaakt, kan Dohmen en de krant niet worden verweten.
Wel vindt de Raad dat de kop “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk” en de onderkop “Vastgoed-deal – Twee zorginstellingen verdenken Kamerlid Öztürk van laakbaar handelen bij zakelijke transacties in zijn vorige leven als zakenman.” van het voorpagina-artikel te stellig en daarmee onjuist zijn. Ten onrechte is als feit gepresenteerd dat er een integriteitsonderzoek naar klager wordt verricht. Het gaat om een onderzoek naar de interne bedrijfsvoering binnen zorginstelling Daelzicht. Dat klager bij een van die transacties betrokken is geweest en dat in het onderzoeksrapport is vermeld dat ‘de bevindingen geen verwijten jegens hem bevatten’, maakt niet dat kan worden gesproken van een integriteitsonderzoek ‘naar klager’. Verder was zorginstelling Reinaerde zich ten tijde van de publicatie aan het beraden op een onderzoek. Aldus bestaat onvoldoende grond voor de in de onderkop als feit gepresenteerde bewering dat de instellingen klager ‘verdenken van laakbaar handelen’. Daarom hebben Dohmen en de krant ten aanzien van de kop en onderkop van het voorpagina-artikel onzorgvuldig gehandeld.
De Raad doet de aanbeveling aan NRC Handelsblad deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

S. Öztürk

tegen

J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

De heer S. Öztürk te Roermond (klager) heeft op 14 december 2016 een klacht ingediend tegen redacteur J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klager en van Dohmen/NRC betrokken van 16 en 23 december 2016 en van 14 februari 2017.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 24 maart 2017. Klager is daar verschenen, vergezeld door F. Azarkan en S. van Baarle, die – net als klager – zijn verbonden aan de politieke groepering DENK. Dohmen was eveneens aanwezig, vergezeld door J. Wester, redacteur, en mevrouw M. Breedeveld, adjunct-hoofdredacteur. Van Baarle heeft namens klager de klacht toegelicht aan de hand van een notitie.

DE FEITEN

Op 15 juni 2016 verscheen op de voorpagina van NRC een artikel van de hand van J. Dohmen en J. Wester met de kop “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk” met de onderkop “Vastgoed-deal – Twee zorginstellingen verdenken Kamerlid Öztürk van laakbaar handelen bij zakelijke transacties in zijn vorige leven als zakenman.” Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“De Limburgse zorginstelling Daelzicht laat onderzoek doen naar een zakelijke transactie uit 2011 met huidig Tweede Kamerlid Selçuk Öztürk. Een andere zorginstelling, Reinaerde uit Utrecht, beraadt zich op een onderzoek naar mogelijke omkoping van een medewerker door de politicus.”
en
“Het onderzoek van Daelzicht (jaaromzet 89 miljoen euro) betreft een reeks transacties, waarvan die met Öztürk er één is. Daelzicht, dat 2.000 verstandelijk gehandicapten huisvest en begeleidt, kwam vorige maand in opspraak door vriendjespolitiek. Het management gunde afgelopen jaren contracten aan bevriende partijen. Ook werden verwanten en vrienden als tussenpersoon ingeschakeld waardoor de kosten opliepen. De vorige maand aangetreden interim-bestuurder Nettie Saarloos heeft een integriteitsonderzoek gelast. Eén van de transacties die onder de loep genomen wordt, is de verkoop in 2011 van een voormalig zorgcomplex aan een bedrijf van Öztürk. Dat gebeurde tegen een opmerkelijke lage prijs waarbij het College Sanering Zorginstelling, dat toezicht houdt op vastgoedtransacties in de zorg, onjuist en onvolledig werd geïnformeerd.”
en
“Bij Reinaerde, een gehandicapteninstelling met 130 miljoen euro jaaromzet, gaat het om mogelijke omkoping. Uit onderzoek van NRC blijkt dat het bedrijf van de politicus in 2007 een opdracht kreeg om marktonderzoek te doen voor de zorginstelling. Daarbij maakte Öztürk een geheime afspraak met een medewerker van Reinaerde. Samen zouden zij de opbrengst verdelen van de opdracht van 15.000 euro.”
en
“Öztürk weigert vragen over zijn zakelijke verleden te beantwoorden. De advocaat van de stichting die zijn aandelen in bedrijven beheert stelt NRC aansprakelijk „voor elke vorm van materiële en immateriële schade welke cliënt direct of indirect oploopt” als gevolg van deze publicatie.”

Op dezelfde dag verscheen in NRC een vervolgartikel, eveneens van de hand van Dohmen en Wester, met de kop “De zaken van Selçuk Öztürk” en de onderkop “Voordat hij in 2012 in de Tweede Kamer kwam, deed Selçuk Öztürk omstreden zaken met twee zorginstellingen. De eerste onderzoekt de deal, de tweede beraadt zich op een onderzoek.”
Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Selçuk Öztürk heeft het druk in het voorjaar van 2010. Als fractievoorzitter van de PvdA in de gemeenteraad van Roermond heeft hij regelmatig overleg met VVD-wethouder Jos van Rey. Beiden zijn betrokken bij het smeden van een nieuwe politieke coalitie. In het akkoord wordt onder meer vastgelegd naar welke locatie de ambtenaren verhuizen. Daartoe zal de gemeente een leegstaand kantoorpand van Van Rey’s buddy Piet van Pol moeten aankopen. Afgelopen weken werd deze afspraak in de rechtszaal besproken. Het OM, dat Van Rey verdenkt van corruptie, is ervan overtuigd dat projectontwikkelaar Van Pol financieel bevoordeeld is met de verhuizing. Öztürk die als politicus moet dealen met Van Rey voor het coalitieakkoord, bezoekt in die periode de wethouder ook als privépersoon: hij wil in Roermond twee panden van de zorginstelling Daelzicht kopen en er een hotel in beginnen. Daartoe moet wel het bestemmingsplan gewijzigd worden. Dat is de portefeuille van zijn gesprekspartner Van Rey.”
en
“Öztürk behoort tot degenen die profiteren van de gang van zaken bij Daelzicht. Hij blijkt betrokken bij een verdachte onroerendgoedtransactie. Het gaat om een woonhuis en een naastgelegen groot pand in Swalmen, een buitengebied van Roermond. Ooit woonden er gehandicapten, maar inmiddels, in 2010, staat het leeg. Daelzicht wil beide panden, die samen getaxeerd zijn op 610.000 euro, verkopen. Öztürk ontwikkelt een plan om er een hotel met dertig kamers van te maken. Het pandje ernaast wil hij doorverkopen als woonhuis. Knelpunt is dat de gebouwen alleen gebruikt mogen worden als verzorgingstehuis. En daarom bezoekt Öztürk in dat voorjaar van 2010 Jos van Rey. Na dat gesprek is het college van B&W bereid om het bestemmingsplan te wijzigen.”
en
“Zorginstellingen die vastgoed willen verkopen of verhuren hebben vooraf instemming nodig van een toezichthouder: het College Sanering Zorginstellingen. Het vastgoed is immers verworven met gemeenschapsgeld. Er mag geen geld uit de zorg ‘weglekken’. Öztürk toont zich een man van de timing. Op 26 oktober 2010 krijgt Daelzicht groen licht van de toezichthouder. Die vindt het goed dat Daelzicht de twee incourante panden met zorgbestemming voor 510.000 euro aan Öztürk verkoopt. Twee dagen later stemt de gemeenteraad in met een wijziging van het bestemmingsplan van deze panden. Hoewel de procedure al maanden loopt, weet de toezichthouder dat niet, zegt Tiny van Eerd die namens de toezichthouder de transactie begeleidt. „Dat is ons niet verteld.” Of dat uitmaakt? Uiteraard, zegt hij nu. „Een horecabestemming is van een geheel andere orde. Dan zou je ook een nieuwe taxatie moeten maken.”
en
“Het Kamerlid gaat niet in op vragen over zijn zakelijke verleden. Zijn bedrijven heeft hij op afstand gezet via een stichting administratiekantoor. Een advocaat van de stichting noemt vragen die NRC heeft gesteld „suggestief”. De onderneming van Öztürk kan daardoor worden geschaad, waardoor de „arbeidsplaatsen van het personeel ernstig in gevaar” kunnen worden gebracht. De advocaat stelt NRC aansprakelijk „voor elke vorm van materiële en immateriële schade welke cliënt direct of indirect oploopt” als gevolg van deze publicatie.”

Ook verscheen die dag een vervolgartikel in NRC, wederom van Dohmen en Wester, met de kop “Geheim dealtje bij een zorginstelling” en de onderkop “Denk-prominent Öztürk was actief in ‘interculturele communicatie’ en sleepte onderhands een opdracht binnen bij Reinaerde.” Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Selçuk Öztürk is een zakenman die van alle markten thuis is voordat hij in 2012 lid wordt van de Tweede Kamer. (…) Tegelijk is Öztürk voorzitter van de PvdA-fractie in de gemeenteraad van Roermond. Ook de bijeenkomsten van zijn partij zijn voor hem een gelegenheid om zaken te doen. Langs die route komt hij, via het Harderwijkse PvdA-raadslid Emin Karaaslan, in 2007 aan een opdracht bij de Utrechtse zorginstelling Reinaerde. Karaaslan is daar in loondienst als projectleider culturele diversiteit. Hij regelt dat Öztürk een onderzoek mag doen onder oudere allochtonen over hun woonwensen. Öztürk betrekt er een andere Turkse Nederlander bij, Erol Avci.”
en
“Öztürk vergadert over de opdracht bij de zorginstelling. De manager van Karaaslan stemt ermee in: Öztürk krijgt de opdracht van 14.800 euro exclusief btw. Wat de manager niet weet is dat Öztürk en Karaaslan onder één hoedje spelen en een geheime afspraak hebben: Öztürk zal de vaste medewerker van de instelling betalen. Aanvankelijk is de deal fifty-fifty, zal Karaaslan later onder ede verklaren bij de rechter. Maar ze passen die verdeling aan als Avci meedoet. Dan wordt de afspraak: alle drie een derde. Juist over de financiële afspraken ontstaat gedonder. De ondernemer uit Eindhoven vindt dat hij niet al zijn geld heeft gekregen van Öztürk en stapt naar de rechter.”
Het slot van het artikel luidt:
“Reinaerde zegt zich te beraden over een onderzoek naar de mogelijke omkoping.”

Vervolgens verscheen op 16 juni 2016 in NRC een artikel met de kop “De vier ‘leugens’ van NRC” en de onderkop “Beweging Denk beschuldigt NRC in een Facebookfilmpje van ‘leugens’ in de zaak-Öztürk. Wat zijn die leugens en wat zijn de feiten volgens NRC?”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager voert – kort samengevat – aan dat de artikelen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat sprake is van onware en suggestieve berichtgeving en hij licht dit toe onder verwijzing naar een groot aantal overgelegde stukken. Klager maakt allereerst specifiek bezwaar tegen de kop en onderkop van het voorpagina-artikel “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk”. Volgens klager was er geen sprake van een onderzoek naar zijn integriteit. Het onderzoek bij Daelzicht betrof de interne bedrijfsvoering ten aanzien van een serie ingaande en uitgaande geldstromen. Klagers transactie met Daelzicht was daar weliswaar onderdeel van, maar zijn handelen was niet het onderwerp van het onderzoek. Volgens klager blijkt uit het interne onderzoek bij Daelzicht en het zich beraden op een onderzoek door zorginstelling Reinaerde niet dat er verdenkingen waren jegens hem dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan laakbaar handelen. Zowel de kop als de onderkop zijn dus onwaar, aldus klager. Hij wijst erop dat de kop door verscheidene media is overgenomen, waardoor het verkeerde beeld – te weten: van een onderzoek dat zou worden gedaan naar zijn integriteit – breed is verspreid. Volgens klager hebben de kop en onderkop, samen met de gekozen foto, bijgedragen aan een beeld waarin hij wordt gecriminaliseerd. Hij begrijpt dat een kop scherp aangezet kan worden, maar meent dat dit een medium niet ontslaat van de morele plicht om waarheidsgetrouw te berichten en dat is hier niet gebeurd.
Verder vindt klager het tendentieus dat in het artikel “De zaken van Selçuk Öztürk” de suggestie is gewekt dat hij contact zou hebben gehad met toenmalig wethouder Van Rey om hem te bewegen om in te stemmen met de aanvraag tot wijziging van het bestemmingsplan, waarna vervolgens het college van B&W akkoord is gegaan met de bestemmingsplanwijziging. Dit blijkt echter uit geen enkele bron. Ten onrechte is niet vermeld dat de ambtelijke dienst van Roermond een advies uitbracht om in principe mee te werken aan het verzoek, dat in een toekomstvisie van de gemeente Swalmen reeds in 2004 een bestemmingsplanwijziging was gepland voor het betreffende gebied en dat de raad van Roermond unaniem en in afwezigheid van klager akkoord ging met de bestemmingsplanwijziging. Bovendien vond de aanvraag tot wijziging van het bestemmingsplan vóór de coalitieonderhandelingen plaats en is deze niet door klager persoonlijk gedaan.
Daarnaast is ten onrechte vermeld dat het College Sanering Zorginstellingen niet op de hoogte was van de bestemmingsplanwijziging, aldus klager. Hij wijst erop dat bij een brief van 14 september 2010 van Daelzicht aan het College de concept-koopovereenkomst was gevoegd, waarin duidelijk was vermeld dat de koper van de panden voornemens was om het pand te benutten als hotel/restaurant en dat de koper zich verplicht om zich in te spannen om het bestemmingsplan hiertoe gewijzigd te krijgen. Bovendien blijkt uit een brief van Staatssecretaris Van Rijn dat bij twee van de taxatierapporten werd uitgegaan van een wijziging in het bestemmingsplan. Een nieuwe taxatie was dus niet noodzakelijk. Daarbij komt dat de heer van Eerd niet meer werkzaam is bij het College en niet gemachtigd was om namens het College te spreken.
Ook is niet juist dat klager de panden voor een te lage prijs heeft gekocht. Hij wijst erop dat door Jack Frenken makelaars en hypotheekadviseurs de onderhandse verkoopwaarde was getaxeerd op 475.000 euro, terwijl in de conceptovereenkomst een verkoopbedrag van 510.000 euro was overeengekomen, waardoor er juist 35.000 euro méér door hem zou zijn betaald. De onwaarheden hierover zijn vermeld in een context van het weglekken van geld uit de zorg, hetgeen een uiterst tendentieus en schadelijk beeld neerzet.
Verder voert klager aan dat in het artikel “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk” is gesuggereerd dat hij een medewerker van zorginstelling Reinaerde zou hebben omgekocht. Dit is onjuist, omdat de opdracht aan zijn bedrijf niet is verstrekt door de medewerker, maar door de directeur wonen van Reinaerde. Bovendien blijkt uit uitingen die de medewerker later onder ede heeft gedaan, dat geen sprake was van een gift of een betaling, maar van geld dat is uitgekeerd in het kader van een opdrachtrelatie. Op de zitting benadrukt klager dat hij de medewerker heeft betaald voor verrichte werkzaamheden en dat hij ervan uitging dat dit ook bekend was bij diens leidinggevende. Verder wijst hij erop dat onderzoek heeft uitgewezen dat er niets mis is met de interne processen bij Reinaerde. 
Ten slotte meent klager dat Dohmen en NRC onzorgvuldig te werk zijn gegaan door pas na de publicaties over te gaan tot het doen van een Wob-verzoek en andere pogingen tot het verkrijgen van informatie die met weinig moeite cruciale feiten aan het licht hebben gebracht. Bovendien zijn de artikelen gepubliceerd voordat de moeite is genomen om op zijn minst de openbaar toegankelijke dossiers in te zien. De berichtgeving is dus gebaseerd op onvolledige en overigens ook overwegend onjuiste informatie, aldus klager. Op de zitting voegt hij hieraan desgevraagd toe, dat de advocaat van zijn stichting slecht summier heeft gereageerd op de vragen die hem op 12 juni 2016 per e-mail zijn voorgelegd omdat de houding van de journalisten ‘drammerig’ en ‘hijgerig’ was. Hij had de indruk dat alleen ‘voor de bühne’ wederhoor werd toegepast. De journalisten waren alleen uit op een quote en niet geïnteresseerd in het ware verhaal, aldus klager.

Dohmen en NRC Handelsblad menen dat zij zorgvuldig hebben gehandeld en lichten dit eveneens toe onder verwijzing naar een groot aantal stukken. Zij voeren aan dat de kop en de onderkop van het artikel “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk” worden toegelicht en steun vinden in de publicatie. Het onderzoek naar de vastgoeddeal tussen Daelzicht en klager was onderdeel van een integriteitsonderzoek naar een reeks verdachte transacties met personen en bedrijven. Dat het onderzoek niet uitsluitend ging over klager maakt de kop niet ‘onwaar’. Voor de lezer ligt de relevantie vanzelfsprekend met name bij de betrokkenheid van klager. Het is journalistiek gebruikelijk dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet. Volgens de Raad worden daarmee de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid alleen overschreden als de kop geen enkele grond vindt in het artikel, maar daarvan is hier geen sprake. De kop refereert aan twee kwesties – een bij zorginstelling Daelzicht, de ander bij zorginstelling Reinaerde – en dit wordt al onmiddellijk in de inleiding toegelicht: “De Limburgse zorginstelling Daelzicht laat onderzoek doen naar een zakelijke transactie uit 2011 met huidig Kamerlid Selçuk Öztürk. Een andere zorginstelling, Reinaerde uit Utrecht, beraadt zich op een onderzoek naar mogelijke omkoping door de politicus.”
Een en ander wordt met zoveel woorden herhaald in de intro’s boven de vervolgartikelen, waarin de twee kwesties worden uitgelegd. 
Dohmen en NRC wijzen erop dat het onderzoek van Daelzicht zich in belangrijke mate richtte op de vraag of wel integer was gehandeld bij een vastgoeddeal waarbij klager de koper was. Dat betekent per definitie dat werd onderzocht of ook klager integer had gehandeld. Dat wordt bevestigd door de samenvatting van het onderzoeksrapport, waarin – kort gezegd – staat dat de vastgoeddeal op verschillende onderdelen niet klopte alsmede: “De bevindingen bevatten geen verwijten jegens de koper.” Dat oordeel kun je niet hebben als je niet ook de rol van de koper onder de loep hebt genomen, aldus Dohmen en NRC. Op de zitting deelt Dohmen desgevraagd mee dat niemand bij Daelzicht met zoveel woorden heeft gezegd dat klager ‘van laakbaar handelen werd verdacht’. Hij wijst er verder op dat het niet gaat om ‘verdenking’ in juridische zin, maar dat het een parafrase betreft van wat verder in het artikel staat. Daarnaast onderzocht ook zorginstelling Reinaerde de integriteit van klager. Reinaerde beraadde zich op de ochtend van publicatie op een onderzoek naar mogelijke omkoping door klager en maakte later die dag formeel bekend de feiten te onderzoeken. De twee zorginstellingen hadden dus voorafgaand aan de publicatie ‘verdenkingen’ ten aanzien van de transacties. De onderkop vindt dan ook aansluiting bij de feiten.
Verder voeren Dohmen en NRC aan dat zij hebben geschreven dat klager zowel privé als politiek van doen had met Jos van Rey. Dat is feitelijk juist en relevant; het laat het dubbele belang van klager zien. Er zijn veel aspecten van de bestemmingsplanwijziging die niet in het artikel staan, omdat die niet relevant zijn. Zo zegt het niets dat ambtenaren positief advies gaven gezien de verhoudingen van destijds in Roermond. En dat de gemeenteraad unaniem instemde is ook niet relevant; toen was het besluit al genomen en een controversieel politiek item tussen oppositie en coalitie was het allerminst.
Volgens Dohmen en NRC is de bewering over de onwetendheid van het College Sanering Zorginstellingen wel degelijk juist. Waar het in het interne onderzoek om ging is dat door Daelzicht de bestemmingsplanwijziging ‘niet in acht is genomen’ bij de verkoop. Wat het College wel of niet wist, was een belangrijk punt in het onderzoek voorafgaande aan de publicatie.
Het College zelf wilde daar desgevraagd geen details over geven. Daarom is de heer Van Eerd benaderd, die destijds als de gemachtigde van het College de deal had begeleid. Hij verklaarde dat hij niet wist dat de bestemming al officieel gewijzigd was vóórdat de verkoop plaatsvond en dat er dan een nieuwe taxatie had moeten komen. Dat is iets anders dan dat het College wel of niet wist dat er een ‘voornemen’ was bij de koper om iets anders te gaan doen in het pand. Dohmen en NRC menen dat de beschikbare informatie voldoende was om tot publicatie over te gaan. Dat het College na publicatie documenten aan klager heeft verstrekt, maakt de publicatie niet met terugwerkende kracht onzorgvuldig. Bovendien onderschrijven die documenten de eerdere publicatie. Hierbij moet worden bedacht dat er een dwingende aanleiding was tot publicatie: namelijk het door Daelzicht bevestigde nieuws dat de transactie met klager werd onderzocht in het kader van een integriteitsonderzoek.
Dohmen en NRC voeren verder aan dat de suggestie dat de panden voor een te lage prijs zijn gekocht, juist is. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de informatie – waaronder de taxaties – die op het moment van publicatie in hun bezit was. Zij beschikten op dat moment niet over het door klager aangehaalde ‘rapport Frenken’. Andere taxaties dan die waarvan zij kennis hadden, zijn vóór publicatie bij het College en Daelzicht wel gevraagd, maar niet gekregen. Ook aan klager zijn per e-mail op 12 mei 2016 vragen gesteld over de transactie. Hij gaf echter geen informatie, hoewel hij daar blijkens zijn klachtbrieven aan NRC wel over beschikte. Dat was zijn eigen keuze. Achteraf heeft de redactie alsnog de informatie over de taxatie van Frenken ontvangen. Maar ook deze taxatie rechtvaardigt de uiteindelijke lage verkoopprijs niet, omdat deze niet van de juiste feiten uitgaat, aldus Dohmen en NRC.
Klager noemt het uiterst tendentieus dat in dit verband is vermeld dat Daelzicht ‘geld misloopt ten gunste van klager’. Het onderzoeksbureau onderschrijft die analyse en concludeert dat Daelzicht als verkoper ‘onzorgvuldig heeft gehandeld’. Volgens Dohmen en NRC versterkt het taxatierapport van Frenken de verdenking dat het toenmalige management van Daelzicht zorgde voor een lagere taxatie om klager te bevoordelen.
Ook de suggestie van omkoping van een medewerker van Reinaerde is juist, aldus Dohmen en NRC. Het gaat er om dat de leidinggevende die met een handtekening formeel de opdracht gaf aan klager, niet wist dat zijn ondergeschikte in strijd met de regels samen met klager de opbrengst wilde verdelen en rechtstreeks door klager werd betaald. De gang van zaken zoals die in het artikel is geschetst, wordt bevestigd door voldoende bronnen. Er is overigens niet gesteld dat sprake was van omkoping, maar gemeld dat door Reinaerde werd gekeken naar mogelijke omkoping. Dat is juist en daar was alle reden toe.
Ten slotte betwisten Dohmen en NRC dat zij onzorgvuldig te werk zijn gegaan. Vanzelfsprekend blijven zij over deze kwestie berichten als daar aanleiding toe is en doen zij daartoe nader onderzoek. De zorgvuldigheid waarmee zij hebben geopereerd blijkt ook uit een overzicht van de gebeurtenissen voorafgaand aan de berichtgeving van 15 juni 2016. Op 11 januari 2016 ontving de redactie de eerste informatie over ‘onzakelijke praktijken’ door het management van Daelzicht. Op 7 april 2016 werd informatie opgevraagd over de deal tussen Daelzicht en klager bij Kadaster en Handelsregister. Op 28 mei 2016 volgde een publicatie over het mismanagement bij Daelzicht onder de kop “Vrienden verdienen de voorkeur”. Hoewel toen al informatie beschikbaar was over de transactie met klager, werd besloten dit niet mee te nemen en aanvullend onderzoek te doen alsmede wederhoor bij klager toe te passen. Zo is op 31 mei 2016 per e-mail een persvraag gesteld aan een medewerker van groepering DENK over de opdracht van klager bij Reinaerde, maar een antwoord is nooit ontvangen. Vanaf 10 juni 2016 is contact met klager gezocht. Hem is gevraagd om een ontmoeting, maar dat wilde hij niet. Hem is gevraagd telefonisch vragen te beantwoorden, maar dat wilde hij ook niet. Klager wilde alleen vragen per e-mail ontvangen. Die zijn toegestuurd met een deadline erbij voor beantwoording, maar daarop is niet gereageerd. Na het verstrijken van de deadline is wéér telefonisch contact opgenomen. Op maandagavond 13 juni ontving Wester uiteindelijk per e-mail een brief van de advocaat van de Stichting Administratiekantoor Connect Business. De brief geeft inhoudelijk geen antwoord op de vragen van de redactie en biedt ook geen perspectief op beantwoording van de vragen op latere termijn.
In de publicatie is het standpunt van de advocaat weergegeven. Daarmee is klager voldoende gelegenheid tot wederhoor geboden. Vervolgens is op 15 juni 2016 over klager bericht. Dat iemand niet wil meewerken aan het wederhoor kan en mag een publicatie niet tegenhouden, op voorwaarde dat in het journalistieke onderzoek voldoende feiten zijn verzameld die een publicatie rechtvaardigen. Dat was hier het geval. De berichtgeving stoelt op aantoonbaar juiste informatie en vóór publicatie is voldoende feitelijke onderbouwing verzameld. Daarbij kwam het nieuwsfeit dat Daelzicht een onderzoek had gelast naar een transactie met Öztürk. Dat gaf de zaak een hoge actualiteitswaarde en maakte publicatie urgent. Het is juist dat de redactie op dat moment nog niet beschikte over álle documenten. Het betreft onder meer documenten en informatie die klager klaarblijkelijk zelf in bezit had. Klager heeft er zelf voor gekozen om op geen enkele wijze mee te werken aan het wederhoor dat hem werd geboden. Hij wist precies waar het over ging en was in de gelegenheid om de redactie nadere informatie te verschaffen, maar dat heeft hij nagelaten. Overigens is het niet juist dat de documenten die na publicatie zijn verkregen, een ander licht op de kwestie werpen. In werkelijkheid maken de aanvullende documenten die de redactie mede door toedoen van klager pas achteraf ontving, de zaak alleen maar ernstiger.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat media in een democratische samenleving een belangrijke rol hebben – als ‘publieke waakhond’ – om misstanden aan de kaak te stellen. Het is dan ook zeker maatschappelijk relevant om onderzoek te verrichten naar c.q. te berichten over (mogelijke) malversaties, te meer als dit een persoon betreft die (inmiddels) lid van de Tweede Kamer is en daarbij bovendien zorginstellingen zijn betrokken die (deels) met gemeenschapsgeld worden gefinancierd.

De Raad meent dat er voor Dohmen en NRC voldoende aanleiding bestond om met een kritische blik over klager te berichten. Zij hebben aannemelijk gemaakt dat de redactie deugdelijk onderzoek heeft verricht en dat de berichtgeving is gebaseerd op stukken en informatie afkomstig van diverse onafhankelijke bronnen. Dat de redactie ná de berichtgeving nog aanvullend onderzoek heeft verricht en nadere informatie heeft vergaard, kan daaraan niet afdoen.

Verder hebben Dohmen en NRC aannemelijk gemaakt dat zij klager voldoende gelegenheid tot wederhoor hebben geboden. Klager heeft op de zitting desgevraagd erkend dat zijn advocaat (althans die van zijn stichting) uiteindelijk slechts een summiere – niet-inhoudelijke – reactie heeft gestuurd. Volgens klager is daarmee volstaan omdat de houding van de journalisten ‘drammerig’ en ‘hijgerig’ was, en hij de indruk had dat alleen ‘voor de bühne’ wederhoor werd toegepast. Wat daar ook van zij, het had op de weg van klager gelegen om op het moment dat hij voor wederhoor werd benaderd, daarop adequaat te reageren teneinde de journalisten in staat te stellen (nog) vollediger en meer genuanceerd over de kwestie te berichten. Niet is aannemelijk geworden dat klager onder onredelijke tijdsdruk moest reageren c.q. heeft gevraagd om uitstel dat hem niet is verleend.
Voor zover klager reeds beschikte over bewijsmateriaal – zoals een bepaalde taxatie – waaruit wellicht zou blijken dat de berichtgeving feitelijk onjuist was, had het op zijn weg gelegen dat aan de journalisten te laten weten ten tijde van het wederhoor. Dat klager niet adequaat heeft gereageerd, kan Dohmen en de krant niet worden verweten. Voor zover klager pas op een later tijdstip over dat bewijsmateriaal beschikte, kan het niet vermelden van de daarin vervatte gegevens in de gewraakte berichtgeving evenmin aan Dohmen en de krant worden tegengeworpen.

Ten aanzien van de inhoud van de artikelen hebben Dohmen en de krant geen journalistieke normen overschreden. Zij hebben de artikelen opgesteld aan de hand van de destijds voorhanden feiten en omstandigheden en wederhoor toegepast voordat zij tot publicatie overgingen.

Het voorgaande neemt niet weg dat de Raad met klager van mening is dat de kop “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk” en de onderkop “Vastgoed-deal – Twee zorginstellingen verdenken Kamerlid Öztürk van laakbaar handelen bij zakelijke transacties in zijn vorige leven als zakenman.” van het voorpagina-artikel te stellig en daarmee onjuist zijn.
Het is journalistiek gebruikelijk dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. Daarmee worden de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel.
In dit geval neemt de Raad hierbij mede in aanmerking dat juist nu het hier gaat om berichtgeving over iemand op zo’n hoge positie als klager, ten aanzien van een (onder)kop extra zorgvuldigheid moet worden betracht. De kop van een artikel is immers mede bepalend voor de wijze waarop andere media het nieuws oppakken.
Anders dan Dohmen en NRC hebben betoogd, vindt de Raad niet dat als feit kan worden gepresenteerd dat er een integriteitsonderzoek naar klager wordt verricht. Niet ter discussie staat dat het gaat om een onderzoek naar de interne bedrijfsvoering binnen Daelzicht ten aanzien van een aantal vastgoedtransacties. Dat klager bij een van die transacties betrokken is geweest en dat in het onderzoeksrapport is vermeld dat ‘de bevindingen geen verwijten jegens hem bevatten’, maakt niet dat kan worden gesproken van een integriteitsonderzoek naar klager.
Gezien het voorgaande en gelet op het feit dat Reinaerde zich ten tijde van de publicatie kennelijk beraadde op een onderzoek – zoals in het vervolgartikel “Geheim dealtje bij een zorginstelling”  is vermeld – bestaat onvoldoende grond voor de als feit gepresenteerde bewering dat de instellingen klager ‘verdenken van laakbaar handelen’.
Daarom hebben Dohmen en de krant ten aanzien van de kop en onderkop van het voorpagina-artikel onzorgvuldig gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en B.3
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2017/5, RvdJ 2016/21, RvdJ 2016/20, RvdJ 2015/14, RvdJ 2014/14 en RvdJ 2013/32

CONCLUSIE

Voor zover de klacht is gericht tegen de kop “Onderzoek integriteit Denk-voorzitter Öztürk” en de onderkop “Vastgoed-deal – Twee zorginstellingen verdenken Kamerlid Öztürk van laakbaar handelen bij zakelijke transacties in zijn vorige leven als zakenman.” hebben Dohmen en NRC Handelsblad journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Verder was hun handelwijze zorgvuldig.

De Raad doet de aanbeveling aan NRC Handelsblad om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 6 juni 2017 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, mr. I.R.J. Barends, dr. H.J. Evers, ir. B.L. Hooghoudt en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.


 

Publicatie in NRC d.d. 7 juni 2017