Jaarrede 2019 - Redacties leggen meer en beter verantwoording af

door Frits van Exter

Frits van Exter

Voorzitter Raad voor de Journalistiek

Zij zijn transparanter in hun werkwijze en nemen klachten serieuzer.


Allereerst veel dank aan de NOS en Marcel Gelauff,  die onze gastheer wilden zijn. Als voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren heeft Marcel Gelauff dit voorjaar in zijn jaarrede zijn collega’s opgeroepen tot ‘een permanente zelfkritische houding’. En om een omgeving te creëren ‘waarin verandering en vooral ook reflectie gedijen’.
 
Wij sluiten ons daar graag bij aan.
 
Media als NOS Nieuws staan aan ‘het front’ van informatievoorziening. De Raad is een bouwsteen in het fundament dat daar onder moet liggen: verantwoording en transparantie.
 
Deze tijd vraagt natuurlijk ook om verandering en reflectie. Maar van een afstand bekruipt je soms het gevoel dat de journalistiek al weinig anders doet. We zijn in ieder geval heel druk bezig met onszelf, in onze vergaderzalen, op conferenties en debatavondjes. En dat eigenlijk al decennia lang.
 
Wij verkeren in een haast voortdurende staat van transformatie en bezinning. Ik doe daar zelf graag aan mee, maar vraag me soms ook af waar het toe leidt.
 
Naar de burger zou je willen zeggen, want als de journalistiek ergens toe moet leiden, iemand een dienst moet bewijzen, is het de burger. En als iets noopt tot verandering en reflectie is het de omwenteling in de verhouding tussen media en publiek.
 
De journalistiek moet nu meer dan ooit haar nut bewijzen, een eigengereid publiek aan zich binden en er op de een of ander manier een (bescheiden) salaris aan zien over te houden.
 
Wie zittingen van de Raad voor de Journalistiek bijwoont en zijn conclusies leest, ziet wel aanwijzingen dat er wat verandert.
 
Media leggen bijvoorbeeld meer en beter verantwoording voor hun doen en laten af. Redacties mopperen wel eens dat de Raad in hun ogen te onbenullige klachten behandelt, maar in de praktijk nemen zij die zeer serieus. Zij verweren zich schriftelijk en komen naar de zitting om vragen te beantwoorden. Kennelijk beseffen zij ook dat wat in hun ogen misschien een bagatel is, voor betrokkene een zaak van groot gewicht kan zijn.
 
Verder kijkend zie je dat redacties transparantie serieuzer nemen. Journalisten lichten vaker toe hoe producties tot stand zijn gekomen en verantwoorden het gebruik van anonieme bronnen. Zij laten zien wat professionele journalistiek is: een vaak taaie zoektocht naar de feiten. Transparantie is een belangrijk middel om het vertrouwen van lezers en kijkers in de journalistiek te versterken. De tijd dat de journalistiek zich in haar ivoren toren kon verschansen ligt achter ons.
 
Het valt ook op dat media zorgvuldiger zijn in hun klachtafhandeling. Sinds 2013 is de Raad een tweedelijnsorganisatie; klagers moeten eerst bij het medium aankloppen. Dat betekent ook dat de wijze waarop zij bejegend worden, onderdeel van de klachtprocedure bij de Raad kan zijn. Dat was even wennen voor de redacties. In de dossiers zagen we aanvankelijk veel voorbeelden van, laten we zeggen, ‘non-communicatie’.
 
Maar daar lijkt verandering in te komen. Een aanwijzing is dat van de 13 zaken in 2018 waarin het specifiek ook over de klachtafhandeling ging, de Raad 10 keer tot de slotsom kwam dat de redactie niets of weinig te verwijten viel.
 
In een enkel geval viel zelfs het predikaat ‘zeer zorgvuldig’. In die zaak had de redactie zich in de ogen van de Raad zo voorkomend opgesteld, dat hij niet goed kon begrijpen wat er nog te klagen viel.
 
Dit jaar ging het tot nog toe in vier zaken ook om de klachtafhandeling. Drie keer zorgvuldig, één keer onzorgvuldig.
 
Wat we ook zien is dat privacy een steeds belangrijker wrijfpunt wordt tussen publiek en media – we hebben het er vorig jaar ook over gehad. Media staan onder toenemende druk om gehoor te geven aan verzoeken om persoonsgegevens online uit te wissen. Dat de Europese privacywetgeving veel uitzonderingen kent voor journalistiek gebruik, betekent niet dat burgers zich daar vanzelfsprekend bij neerleggen.
 
Wij zien dat terug in de praktijk van de Raad, waar het vaker gaat om de eis geanonimiseerd te worden in het online archief. In enkele gevallen ging het ook om klagers die eerst zelf via sociale media de openbaarheid hadden gezocht. Hoewel je via Facebook de halve wereld kunt bereiken, komt een bericht in de regionale krant toch harder aan.
 
En sommige rechters hebben er kennelijk ook moeite mee. Zo dachten wij dat publieke figuren zich een zekere inbreuk op hun privacy moeten laten welgevallen als er sprake is van een maatschappelijke misstand.
Maar onlangs lazen wij in een vonnis tegen NRC dat de voorzieningenrechter meent dat de vermelding van de volledige naam van een in opspraak geraakte prominente hoogleraar (ik citeer)  ‘niet nodig is voor het verhaal’.
Is dat een juridisch oordeel? En voor welk verhaal zijn namen dan wel ‘nodig’? We kijken uit naar het hoger beroep.
 
We hebben ook de indruk dat de klachten die de Raad behandelt complexer zijn. Vroeger konden de leden op een vrijdagmiddag redelijk vlot vier of vijf zaken mondeling behandelen en was er vaak ook nog tijd voor een paar schriftelijke zaken. Dat kost nu meer moeite. We hebben het niet gemeten, maar de dossiers dijen uit. Soms maken partijen hun zaak ingewikkelder dan nodig is, maar vaker zijn zij dat ook werkelijk.
 
Misschien is dat een goed teken: hoe dieper de journalist graaft, des te weerbarstiger de grond. Hoe meer werk journalisten ervan maken, des te meer weerwerk het gevolg is.
Uit het jaarverslag 2018 blijkt overigens dat redacties daarbij volgens de Raad vaker zorgvuldig dan onzorgvuldig handelen.
 
Wat dat betreft is het werk van collega’s als Milena Holdert van Nieuwsuur en Ghassan Dahhan van Trouw inspirerend. Ook zij groeven dieper, maakten er meer werk van en ondervonden daarbij tegenwerking. Maar hun werk hield stand (en zij werden er drievoudig voor bekroond). Het is fijn dat ze vanmiddag hier zijn om daarover te vertellen.
 
Maar het kost dus nu meer tijd om tot dat oordeel te komen met een goede onderbouwing. Te vaak kunnen leden van de Raad pas vrijdagavond het pand verlaten. Zij vinden het heel boeiend om over journalistieke gedragingen te oordelen, maar er zijn wel grenzen aan het uithoudingsvermogen van deze vrijwilligers. Bovendien kost het, naarmate zaken ingewikkelder zijn, de secretaris ook meer tijd om de conclusies helder en genuanceerd op schrift te stellen.
 
Deze werklast leidt er ook toe dat het lang, te lang misschien wel duurt, eer de Raad zijn conclusies kenbaar kan maken. Ging er vroeger zes weken overheen, nu is dat soms twaalf weken.
 
We proberen daar wat aan te doen door minder zaken op meer zittingsdagen te plannen. Maar voor een echte oplossing hebben we meer middelen nodig: versterking van onze broze Raad. Daar spant ons bestuur zich voor in, hopelijk met succes.
 
Het gesprek daarover gaat voort, ook over de vraag hoe de Raad nog beter kan functioneren – een vraag die wij ons voortdurend stellen ook in samenspraak met de beroepsgroep. En dat alles vanuit een gemeenschappelijk belang en overtuiging.
 
Ik herinner aan de woorden van voorganger Ton Herstel, die op 1 april dit jaar overleed. Hij was van 2005 tot 2011 voorzitter en eerder lid en penningmeester van het stichtingsbestuur.
 
Hij schreef in het voorwoord van het jaarverslag 2009: “Vertrouwen is onontbeerlijk in een samenleving als de onze. De burger moet vertrouwen kunnen hebben in de rechtspraak, in de politiek en in de media. Als het gaat ontbreken aan vertrouwen kan dat ontwrichtend zijn. Dat vraagt om grote zorgvuldigheid op alle terreinen. Dus ook in de journalistiek.”
 
Hij vervolgde:
“De Raad moet zich op zijn beurt realiseren dat vertrouwen in zijn optreden de belangrijkste pijler vormt van zijn (voort)bestaan. Hij moet bereid zijn tot discussie over zijn positie in het mediaveld en tot een kritische reflectie op zijn functioneren als instituut van zelfregulering.”
 
Aldus Ton Herstel, aan wie de Raad en dus de beroepsgroep veel te danken heeft. Laten we het nog eens in onze oren knopen.

Reacties

Nog geen reacties



Wij stellen prijs op een pluriform debat, uw reactie is daarom van harte welkom. Wel hanteren wij een aantal spelregels:

  1. Wij modereren alle reacties vóór publicatie. Daarom kan het soms even duren voordat uw reactie wordt geplaatst. Onbeduidende correcties – zoals taalkundige aanpassingen – leggen we níet eerst aan u voor, ingrijpende wijzigingen wél.
  2. Onderteken uw reactie met uw echte voor- en achternaam en houd u er rekening mee dat uw reactie tot in lengte van dagen op internet toegankelijk blijft. Verzoeken tot verwijdering van eigen bijdragen honoreren wij in principe niet. Dat geldt ook voor het anonimiseren van uw naam.
  3. Houd het beknopt, zakelijk en blijf bij het onderwerp. Reageert u op een andere reageerder, maak dat dan duidelijk in uw bericht (bijvoorbeeld met @naam).
  4. Houd het beschaafd. Reacties die discriminerende uitlatingen, beledigingen of scheldwoorden bevatten, worden niet geplaatst. Dit geldt ook voor reacties die oproepen tot geweld of provoceren.
  5. Het is de bedoeling dat uw reactie de discussie bevordert. Steeds weer hameren op hetzelfde punt heeft geen zin, tenzij met nieuwe argumenten.

Reacties die niet aan deze spelregels voldoen, worden niet geplaatst. Bent u van mening dat een bepaalde reactie van een ander verwijderd moet worden, stelt u ons daarvan dan op de hoogte via raad@rvdj.nl.

Laat een reactie achter
  • Wordt niet openbaar gemaakt