De Mores: NRC, de hoogleraar en de rechter

door Frits van Exter

Frits van Exter

Voorzitter Raad voor de Journalistiek

Waarschuwing vooraf: ik ben geen jurist. Maar als leek denk ik goed te begrijpen dat de hoofdredactie van NRC in beroep gaat tegen het verbod van de rechter om de volledige naam van een #MeToo-hoogleraar te vermelden. Wat je zelf ook van de zaak vindt, de onderbouwing roept veel vragen op en lijkt in tegenspraak met eerdere vonnissen.

Onder de titel ‘de mores’ schrijft Frits van Exter over dilemma’s in de journalistiek, gebaseerd op de praktijk van de Raad voor de Journalistiek. De serie verschijnt twee keer per maand op villamedia.nl, één keer per maand in Villamedia Magazine en op deze site.


De voorzieningenrechter onderstreepte dat het ‘om een botsing van twee fundamentele rechten’ gaat: het recht op de vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy. In de journalistieke praktijk moet elke redactie geregeld die belangen afwegen op basis van haar eigen mores. Sommigen zijn daarin terughoudend, anderen zijn eerder geneigd om lieden, die zich in een publieke en hiërarchische functie misdragen, met naam en toenaam te noemen. De afweging is vaak ingewikkeld – wanneer zijn de bomen hoog genoeg? -  maar het wordt nog ingewikkelder als de rechter daar geen grenzen aan stelt met heldere, werkbare criteria.
 
In november vorig jaar meldde de Universiteit van Amsterdam dat een hoogleraar van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid ontslag heeft genomen na een onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag. Twee NRC-redacteuren onderzoeken de zaak, vragen hem om wederhoor en leggen ook het concept-artikel aan hem voor. Daarop spant hij een kort geding aan. Niet om publicatie te voorkomen (rechters gaan daar zelden in mee), maar om een verbod af te dwingen op vermelding van zijn volledige naam, van de faculteit waaraan hij was verbonden en van eventuele plaatsing van zijn foto.
 
In haar afweging gaat de rechter de bekende criteria af. Was er sprake van een maatschappelijke misstand? Zeker. Ook uit intern onderzoek was gebleken dat de hoogleraar zich vele jaren schuldig heeft gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag in afhankelijkheidsrelaties en dat de universiteiten de klachten daarover lange tijd niet serieus heeft willen nemen. Het is een illustratie van de conclusies van onderzoek van het Landelijk Netwerk Vrouwelijk Hoogleraren en van vakbonden dat seksuele intimidatie een veel voorkomend probleem is aan universiteiten.
 
Heeft de redactie haar werk goed gedaan? Ja. Niet alle beschuldigingen zijn volgens hem even overtuigend, maar er is uitvoerig onderzoek verricht en het artikel is ‘voldoende op feitelijke basis gestoeld’. De rechter noemt het niet, maar je zou daar nog aan mogen toevoegen dat de redactie de hoogleraar ook ruim wederhoor heeft geboden.
 
Tenslotte, is er sprake van een publiek figuur? Ook dat. De rechter gaat daarin mee met het verweer van NRC: ‘Hij was immers hoogleraar, hoofd van de vakgroep en plaatsvervangend raadsheer van het gerechtshof Amsterdam, waarmee hij publieke functies uitoefende. Bovendien trad hij naar buiten met publicaties ‘en heeft in die hoedanigheid (een zekere mate van) mediabelangstelling te dulden’.
 
En dus, zou je zeggen, is voldaan aan de  belangrijkste voorwaarden voor vermelding van zijn naam. Maar de rechter meent toch dat de omstandigheden ertegen pleiten. De eiser is inmiddels al zijn baan kwijt en voor het publieke debat is het niet nodig zijn naam te weten. Zij staat vermelding van de vakgroep toe, omdat hij nu eenmaal in professionele kring toch wel bekend is, maar zij verbiedt NRC hem bij naam te noemen omdat het zijn privéleven te veel schade zou kunnen berokkenen.
Daarbij speelt mee dat de rechter het aannemelijk vindt dat de hoogleraar ‘tot in de lengte der jaren’ aan de schandpaal wordt genageld ‘gezien de grote vlucht die sociale media hebben genomen en alle commentaren die in de regel op uitingen van deze aard via internet te vinden zijn’.
 
Van belang is volgens haar ook dat NRC ‘bekend staat als kwaliteitskrant, zodat de daarin vermelde zaken, zeker wanneer deze als feiten worden gepresenteerd, door een groot publiek voor “waar” zullen worden gehouden’.
 
Je kunt het laatste als compliment aan het adres van de krant beschouwen, maar je ook afvragen wat je met deze curieuze uitspraak moet. Je hebt aan de voorwaarden voldaan om vermelding te rechtvaardigen maar dat wordt je toch verboden omdat lezers, net als de rechter, kunnen denken dat het artikel klopt en zij daarover wel eens hun mening zouden willen verkondigen.
 
Zou zij werkelijk anders geoordeeld hebben als het een medium met een mindere reputatie betrof (‘schrijf maar op, want niemand gelooft het toch’)? En in hoeverre kan een redactie verantwoordelijk worden gehouden voor de commentaren elders? Overigens is de naam van de hoogleraar al met de simpelste zoekopdracht te achterhalen.
 
Het lijkt ook haaks te staan op twee eerdere uitspraken. In 2015 eiste de directeur van de Amsterdamse Theaterschool dat de rechter de Volkskrant zou verbieden een artikel te publiceren over zijn gedragingen. En vorig jaar eisten leidinggevenden van een castingbureau dat Nieuwe Revu hun identiteit met terugwerkende kracht online zou verhullen. In beide #MeToo-zaken wees de rechter de eis af, mede omdat het om publieke figuren ging.
 
Deze rechter gaat er in het vonnis tegen NRC niet diep op in: ‘Voor zover de zaken wel gelijkenis vertonen, valt de belangenafweging in deze zaak net anders uit’. NRC publiceerde het artikel op 15 mei. Zonder volledige naam. Als het hoger beroep al niet tot een ander oordeel leidt, zou het tenminste duidelijker moeten maken waarom het in deze zaak ‘net’ even anders zit dan in andere zaken. Dan weet de journalistiek tenminste waar zij aan toe is.

Tips:

  •  Het is in de eerste plaats aan de redacties om hun eigen afwegingen te maken bij de vermelding van namen van publieke figuren die in opspraak zijn gekomen. Het is wel handig als je daar eerder over hebt nagedacht, zodat je tegen de deadline een deel van de discussie kunt overslaan.
  • De Raad voor de Journalistiek is geen rechtbank, maar spreekt zich wel regelmatig uit over klachten over de schending van privacy. Daarbij spelen de hierboven genoemde criteria ook een beslissende rol: bij het uitoefenen van een openbare functie is ‘een zekere mate van blootstelling aan ongewilde publiciteit onvermijdelijk’. 
  • Eerder schreef ik over de berichtgeving over #MeToo. Met nog meer tips!

Frits van Exter is  voorzitter van de Raad voor de Journalistiek, maar heeft geen stem in de beoordeling van klachten. Hij verwoordt slechts zijn eigen mening.

Reacties

Nog geen reacties



Wij stellen prijs op een pluriform debat, uw reactie is daarom van harte welkom. Wel hanteren wij een aantal spelregels:

  1. Wij modereren alle reacties vóór publicatie. Daarom kan het soms even duren voordat uw reactie wordt geplaatst. Onbeduidende correcties – zoals taalkundige aanpassingen – leggen we níet eerst aan u voor, ingrijpende wijzigingen wél.
  2. Onderteken uw reactie met uw echte voor- en achternaam en houd u er rekening mee dat uw reactie tot in lengte van dagen op internet toegankelijk blijft. Verzoeken tot verwijdering van eigen bijdragen honoreren wij in principe niet. Dat geldt ook voor het anonimiseren van uw naam.
  3. Houd het beknopt, zakelijk en blijf bij het onderwerp. Reageert u op een andere reageerder, maak dat dan duidelijk in uw bericht (bijvoorbeeld met @naam).
  4. Houd het beschaafd. Reacties die discriminerende uitlatingen, beledigingen of scheldwoorden bevatten, worden niet geplaatst. Dit geldt ook voor reacties die oproepen tot geweld of provoceren.
  5. Het is de bedoeling dat uw reactie de discussie bevordert. Steeds weer hameren op hetzelfde punt heeft geen zin, tenzij met nieuwe argumenten.

Reacties die niet aan deze spelregels voldoen, worden niet geplaatst. Bent u van mening dat een bepaalde reactie van een ander verwijderd moet worden, stelt u ons daarvan dan op de hoogte via raad@rvdj.nl.

Laat een reactie achter
  • Wordt niet openbaar gemaakt