Ben ik Charlie?

door Hans Laroes

Hans Laroes

voorzitter Raad voor de Journalistiek (5 maart 2013 - 5 november 2015)

Ben ik Charlie?
Ik weet het niet goed.
Ja, vanzelfsprekend: uit walging over de moorden op de tekenaars van Charlie Hebdo, de agenten, de mensen in de Parijse winkel. Ja, als Kalasjnikovs proberen krachtiger dan potloden te zijn. Ja, als uitlatingen, meningen, woorden, afbeeldingen en tekeningen kennelijk gezien worden als redenen om de makers te vermoorden.
Ja, omdat ik eenvoudigweg solidair wil zijn met de collega’s in Parijs die volgende week de nieuwe Charlie Hebdo gaan samenstellen uit tranen, bloed en de dure plicht om door te gaan, juist voor degenen die nu dood zijn.

Maar het is ook weer zo makkelijk om een tweet of een selfie te maken en te zeggen ‘Je suis Charlie’. Het is – in mijn ogen dan, ik gun ieder haar of zijn eigen motieven vanzelfsprekend - een tikje aanmatigend.
Ik heb zelf de grenzen van de journalistiek niet opgezocht, als het ging om persoonlijk risico. De mensen van Charlie  Hebdo deden dat wel, ondanks haatmails en bedreigingen, volop overtuigd van de juistheid van hun keuzes.
Terecht. En dapper.
Ik heb wel eens geweld tegen mezelf van dichtbij meegemaakt, maar dat was van een andere orde, één verwarde man. De risico’s die ik als hoofdredacteur onder ogen zag, hadden te maken met verslaggevers in oorlogssituaties – ver weg.
Bovendien: dan zou ik ook James Foley moeten zijn, de journalist die door IS werd onthoofd. En Daniel Pearle, die jaren geleden in Pakistan werd vermoord. En al die 100 tot 150 journalisten die jaarlijks worden gedood, de meesten werkend voor lokale media, ver weg van ons werelddeel, in Irak, in Mexico, op de Filipijnen, in Rusland.
Dat is het verwarrende. Wanneer is de ene moord erger dan de andere? Wanneer is iets verschrikkelijk maar ga je toch gewoon over tot de orde van de dag. Wanneer ga je de straat op om te demonstreren? Ben ik alleen Charlie als het om journalisten gaat?

*

Ik durf Charlie niet te zijn, bovendien.
Charlie, dat zijn de mensen die zijn vermoord. Voor mij past eerder stilte, op zo’n moment. Een vorm van respect.
En een paar bemerkingen.

*

Mag je prikkelende tekeningen maken, die door sommigen als beledigend worden ervaren?
Ja, pech gehad voor die laatste categorie. Alles mag getart. En uitgedaagd. Politici, religieuzen en religies, atheïsten, leiders en volgers. In onze Westerse maatschappijen heersen  overal vergelijkbare uitgangspunten. 
De Raad voor de Journalistiek zegt in zijn Leidraad:
“Columnisten, cartoonisten en recensenten komt een grote mate van vrijheid toe om hun mening te geven over gebeurtenissen en personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd."
Er is wel een klein mits en een klein maar verderop in de Leidraad (denk aan het moment waarop alleen maar haat wordt gezaaid), maar de vrijheid van de maker, schrijver, tekenaar is allesoverheersend.
Dat lijkt mij juist.
De maker, schrijver, tekenaar moet zelf bepalen welke grenzen hij of zij wil opzoeken of overschrijden. Wat ik – of wie dan ook - daarvan zou vinden, of ik het smaakvol of smakeloos zou vinden, is daarbij voor nog geen millimeter relevant.
(ik worstel overigens wel altijd met de vraag of iedere belediging die je kán maken ook móet worden gemaakt – of dat wel de ultieme uiting van vrijheid is).
Ik hoop dat de tekenaar tekent wat hij wil tekenen, en niet bang wordt vanwege reacties, en niet alvast begint uit te gummen wat hij eigenlijk wilde maken.
Volstrekt logisch en noodzakelijk dat overal mensen de straat op gaan en grote woorden spreken om Charlie Hebdo’s keuzes te steunen. Ze zullen nu vast ook niet meer protesteren als zij zelf soms onwelgevallig worden afgebeeld.

*

Wat doe je als krant, als omroep, als redactie?
Natuurlijk schrik je, als journalist, als tekenaar, fotograaf, cameraman. Dit zijn de doden die dichtbij komen, zo werkt dat nu eenmaal. Dit zijn je vakgenoten.
Maar dan?
Volgens mij is het journalistieke antwoord altijd eenvoudig: alle verhalen maken die er toe doen. Alle tekeningen publiceren die er toe doen. De noodzakelijke en de ongemakkelijke vragen stellen. Nadenken, analyseren, beschrijven. En altijd, altijd, een zekere afstand tot het onderwerp bewaren: een koel hoofd, een warm hart.
Is het logisch als journalist in een activist te veranderen, van pagina’s pamfletten te maken?
Misschien in zeer uitzonderlijke omstandigheden.
Volgens sommigen – de meesten buiten de journalistiek, maar niet allemaal - is het oorlog, en rechtvaardigt oorlog alles wat in vredestijd niet nodig en niet logisch is.
Volgens mij is het geen oorlog, althans niet hier. Er is wel terreur, er heerst angst. Er vallen doden. Maar hoe erg de doden van nu zijn, hoe dramatisch de beelden en opgewonden de tweets,  ook in de afgelopen decennia zijn er veel, heel veel doden gevallen bij aanslagen en terroristisch geweld. En ook toen was dat geweld vaak te koppelen aan andere gebeurtenissen en conflicten, niet meteen aan onze grenzen.
Toen waren we geen Charlie, meestal.

*

De journalistieke vraag is: zijn onze verhalen goed genoeg?
Niet altijd. Het beeld dat ‘we’ in oorlog zijn met ‘de’ islam is tamelijk sterk. Weten we genoeg van de strijd die in het Midden-Oosten gevoerd wordt, het conflict tussen de Soennieten en de Sjiieten, de strijd om de macht tussen Saoedi-Arabie cs enerzijds en Iran cs anderzijds? Hoe de geldstromen lopen?  Weten we dat die strijd, die oorlog die ‘de’ islam zou voeren, vooral duizenden en duizenden moslim-slachtoffers vergt? Dat het geloof dus als het ware zijn eigen kinderen opvreet, en niet vooral Westerlingen?
Weten we dat IS niet hetzelfde is als Al-Queada  (de Jeminitische tak claimt de Parijse aanslagen, hoewel IS dat ook deed, maar dat leek vooral ‘pr’)?
Maken we er wel genoeg verhalen over, zit er genoeg kennis overal?
Ik lees ook veel verstandige stukken, maar het lijkt alsof zij buiten de ‘mainstream’ van verhalen terechtkomen.

*

De vraag is ook: hoe kijken we naar terroristen? Zijn het de vooruitgeschoven elitetroepen van een veel groter leger? Of zijn het –hoewel het er tamelijk veel zijn- gekken, gestoorden, compleet van het pad geraakt, verslaafd aan religie en verslaafd aan de dood, ontspoord in hun absoluut en gewelddadig eigen gelijk?
Hoe komt het dat zij zeggen hun inspiratie in de Islam te vinden en veel recent geweld uit naam van die Islam wordt gepleegd? Maar hoe komt het dat zoveel meer mensen zeggen dat dit alles niet uit hun naam gebeurt?  En dat de meeste mensen met een moslim-achtergrond gewoon een goeie toekomst voor zichzelf en hun kinderen willen, zonder fanatisme, zonder geweld?
En ja: waarom sympathiseren zoveel jongeren met IS, of met de strijd tegen Assad? Komt dat door hun geloof, of is er een mix van meer, van andere factoren? Spelen niet –ook- de uitsluitingsmechanismes in onze samenleving een rol?
Hoe komt het dat in ons midden Jihad-gangers opstaan –groeien, zou ik moeten zeggen. Begint dat bij religie, of zijn er andere voedingsbodems die –voor een deel althans- ook met onze samenlevingen te maken hebben? Hoe ontstaat die ‘Jihad-driehoek’ in hun eigen denken? Weten we dat wel? Of willen we bij eenvoudige verklaringen blijven steken en denken dat met strenge en harde aanpak en steeds verdere repressie en steeds hardere woorden alles goed komt?
Zien we de fouten die in Irak zijn gemaakt, na het verjagen van Saddam Hoessein, onder ogen? Schept het brengen van democratie ‘at gunpoint’ en met drones wel draagvlak, dáár, en voor de mensen hier voor wie Irak, Syrië, Pakistan door afkomst en familiebanden net zo dichtbij zijn als voor anderen onder ons  Australië, Canada, de VS.
Er is geen enkel excuus voor geweld. Geen enkel antwoord op die vragen rechtvaardigt moord. Maar om de wereld te begrijpen moeten we ook ongemakkelijke vragen stellen, en gemakkelijke pseudo-zekerheden achter ons laten.

*

We moeten ons ook af willen vragen waarom op een gewone middelbare school in Amsterdam kinderen zeggen dat eerst al die Marokkanen het land uit moeten en dat het dan pas beter en veiliger wordt.
We moeten ons ook afvragen of mensen met een andere dan de voor de hand liggende opvattingen, mensen uit de andere dan de kringen van de ‘usual suspects’, wel voldoende toegang hebben tot onze programma’s, platforms en opiniepagina’s. Hoe werken onze selectiemechanismen? Laten we echte tegenspraak ons wel sterker maken? Zijn we wel zo open als we moeten zijn om de ‘vrijheid van meningsuiting’ echt inhoud te geven?

*

Ik heb niet alle antwoorden. Voel ook de verwarring van deze dagen.
Maar ik hou van en geloof in de kracht van onze samenleving. De vrijheid om te zeggen wat er gezegd moet worden en datzelfde te doen met tekeningen.  Bijsluiter: als dan ook maar iedereen mee mag doen, nieuwkomers en oudgedienden.
Ik geloof in de kracht van een samenleving om na de grote schrik van het geweld te laten zien hoe wij leven en hoe we willen leven. Hoe zinloos geweld is. Hoe we ons niet laten ontregelen, hoe we de terroristen klein maken door hen op te pakken en te veroordelen, en hun opvattingen de rug toe te keren en gewoon door te gaan met ons dagelijks leven. Onze opwinding niet rechtstreeks uit hun acties te laten voorkomen.
En ieder verhaal te maken dat relevant is.

Laten we eerst veel verder die weg op gaan, ook die van de meer gecompliceerde vragen, voordat we durven te zeggen dat we Charlie zijn.

Hans Laroes

Ps. Een blog als dit is per definitie een verhaal op persoonlijke titel.

Reacties

  1. Helemaal mee eens! Fantastische tekst! Laten we nu met zijn allen alle relevante, ongemakkelijke vragen durven stellen! En SAMEN laten zien hoe we willen leven

    Iman op zaterdag 10 januari 2015 15:24

  2. Lukraak gebruik van de benaming ‘Charlie’ doet de zaak van het vrije woord geen goed. Er vermoedelijk maar heel weinig ‘echte’ Charlie’s. Mensen die vastberaden, ondanks voortdurende doodsdreigingen en zonder gerichtheid op persoonlijk of politiek gewin hun opvattingen publiekelijk blijven vertolken. Ja, ik heb als journalist – alweer lang geleden – ook enkele uren in de loop van een wapen gekeken. Na publicatie van mijn verhaal in een landelijk ochtendblad over een huisjesmelker, die achteraf ook nog meervoudig moordenaar en oorlogsmisdadiger bleek te zijn. In mijn eigen woning. Met als eis: volledige rectificatie en eerherstel van de man.
    Ik heb het er levend af gebracht, maar ik heb me nooit een ‘Charlie’ gevoeld, noch heldhaftig. Ik deed gewoon mijn werk. In een relatief veilige omgeving en periode. Ik zette niet elke dag het instrument van de satire op de meest scherpe wijze in om misstanden publiekelijk aan de kaak te stellen. De mensen van ‘Charlie’ deden dit wel. In het volle besef dat dit voor hen de dood tot gevolg zou kunnen hebben. Het vrije woord als levensdoel. Onder een permanente, dodelijke dreiging. Hadden de maar veel meer van deze ‘Charlie’s’. Niet alleen onder journalisten, cabaretiers e.d. Maar in de samenleving als geheel. Bij hen past het gebruik van ‘Charlie’.

    Paul Bulterman op zaterdag 10 januari 2015 20:25

  3. Ook dit artikel sluit aan bij mijn beleving. Evenals eerder dat van Frits van Exter van VN. Hierbij mijn reactie die ik ook gaf na Van Exter's publicatie:

    Goed artikel. Verwoordt mijn twijfel en afwegingen ook. Heb steeds hashtag #CharlieHebdo gebruikt omdat ik geen Charlie denk te zijn. Durf te zijn? Ik vind dat je moet kunnen denken en zeggen wat je wil, altijd. Maar ook dat je niet altijd hoeft te zeggen wat je denkt. Ongemak? Ja, zeker. Maar vooral angst voor extremisten en fundamentalisten. Want nu gaat het om cartoons waarop de profeet staat afgebeeld. Maar straks? Is het dan onwelgevallig dat er, ik noem maar wat, over sexualiteit gesproken wordt in de media? Mag een vrouw dan nog een tv-programma presenteren? En hoe stel je argumenten en redenaties tegenover gewapende tunnelvisie zonder afgeknald te worden? #ThoughtsAboutCharlie
    9 januari om 10:54

    Anne Marie Wegman op zondag 11 januari 2015 15:37



Wij stellen prijs op een pluriform debat, uw reactie is daarom van harte welkom. Wel hanteren wij een aantal spelregels:

  1. Wij modereren alle reacties vóór publicatie. Daarom kan het soms even duren voordat uw reactie wordt geplaatst. Onbeduidende correcties – zoals taalkundige aanpassingen – leggen we níet eerst aan u voor, ingrijpende wijzigingen wél.
  2. Onderteken uw reactie met uw echte voor- en achternaam en houd u er rekening mee dat uw reactie tot in lengte van dagen op internet toegankelijk blijft. Verzoeken tot verwijdering van eigen bijdragen honoreren wij in principe niet. Dat geldt ook voor het anonimiseren van uw naam.
  3. Houd het beknopt, zakelijk en blijf bij het onderwerp. Reageert u op een andere reageerder, maak dat dan duidelijk in uw bericht (bijvoorbeeld met @naam).
  4. Houd het beschaafd. Reacties die discriminerende uitlatingen, beledigingen of scheldwoorden bevatten, worden niet geplaatst. Dit geldt ook voor reacties die oproepen tot geweld of provoceren.
  5. Het is de bedoeling dat uw reactie de discussie bevordert. Steeds weer hameren op hetzelfde punt heeft geen zin, tenzij met nieuwe argumenten.

Reacties die niet aan deze spelregels voldoen, worden niet geplaatst. Bent u van mening dat een bepaalde reactie van een ander verwijderd moet worden, stelt u ons daarvan dan op de hoogte via raad@rvdj.nl.

Laat een reactie achter
  • Wordt niet openbaar gemaakt