2019/45 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen H. Haveman, P. Berkhout en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia (RvdJ 2019/28) te herzien. Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 27 mei 2019 (RvdJ 2019/28) betreffende zijn klacht

tegen

H. Haveman, P. Berkhout en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia

De heer X te […] (verzoeker) heeft op 18 juni 2019 verzocht om herziening van de conclusie van 27 mei 2019 inzake zijn klacht tegen H. Haveman, P. Berkhout en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia (hierna gezamenlijk: De Twentsche Courant Tubantia). De Twentsche Courant Tubantia heeft niet op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 12 juli 2019 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Verzoeker heeft op 23 december 2018 een klacht ingediend tegen De Twentsche Courant Tubantia over het artikel “Historicus: ‘blunders’ in boek Kollen” van de hand van Haveman en over het hoofdredactionele artikel “Harde kritiek doet boek over Kollen geen recht” van de hand van Berkhout.

De Raad heeft op 27 mei 2019 geconcludeerd dat De Twentsche Courant Tubantia journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld en daartoe het volgende overwogen:
“De Raad stelt voorop dat journalisten vrij zijn in de selectie van wat zij publiceren. Dat brengt mee dat het aan de redactie is om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht.
Het stond Haveman dan ook vrij om nadat hij door Lohuis was benaderd, aandacht te besteden aan diens kritiek op klager. Daarbij heeft hij in zijn artikel een duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Bovendien heeft Haveman klager vooraf in de gelegenheid gesteld op de kritiek van Lohuis te reageren. Dat klager geen adequaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot wederhoor kan de krant niet worden tegengeworpen.
Verder is het journalistiek gebruikelijk dat een artikel in de kop scherp(er) wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. Daarmee worden de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel. Naar het oordeel van de Raad gaat het – met name door het gebruik van de term ‘blunders’ – om een grensgeval.
In het hoofdredactionele artikel heeft Berkhout echter aan de lezer met zoveel woorden duidelijk gemaakt dat de krant de kritiek van Lohuis heeft overgenomen “onder de te harde kop: Historicus: ‘blunders’ in boek Kollen.” 
Gezien de correspondentie tussen partijen was het beter geweest als de zin “Dat nog los van het feit dat het artikel zelf enkele fouten bevatte die te voorkomen waren geweest.” niet was geschrapt, hetgeen Berkhout op de zitting heeft toegegeven.
Dat neemt niet weg dat met het hoofdredactionele artikel voldoende recht is gedaan aan de bezwaren van klager. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de krant zowel met de kop als in het artikel uitdrukkelijk heeft erkend dat ‘de harde kritiek geen recht doet’ aan klagers boek, dat ‘het verstandiger was geweest het stuk niet in deze vorm te plaatsen’ en dat ‘het boek een betere behandeling had verdiend’.
Alle omstandigheden in samenhang bezien komt de Raad tot de conclusie dat Haveman, Berkhout en De Twentsche Courant Tubantia journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker stelt – samengevat – dat de conclusie van de Raad misplaatst is, temeer omdat deze berust op een ten onrechte als vaststaand dan wel aannemelijk geacht feit. De Raad gaat namelijk ervan uit dat met het hoofdredactionele artikel van Berkhout recht is gedaan aan het omstreden artikel van Haveman. Het oorspronkelijke hoofdredactionele artikel van Berkhout is uitvoerig en tot in detail met hem besproken. Vervolgens zijn over en weer aanpassingen verricht, wat heeft geleid tot een versie waarmee beiden konden leven. Verzoeker is akkoord gegaan en heeft dat aan Berkhout bevestigd. Feitelijk is daarmee sprake van een overeenkomst die nadien eenzijdig door De Twentsche Courant Tubantia is geschonden. Met het geplaatste artikel zou verzoeker nimmer akkoord zijn gegaan, omdat dat inhoudelijk op essentiële onderdelen verschilt van de versie waarmee verzoeker heeft ingestemd. De krant heeft nagelaten over de laatste versie te communiceren en is daarmee in gebreke gebleven.
Verzoeker blijft van mening dat De Twentsche Courant Tubantia onzorgvuldig heeft gehandeld.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Hij heeft dat niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd dan wel tijdens de mondelinge behandeling van zijn klacht naar voren heeft gebracht, en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

In essentie vraagt verzoeker om een herbeoordeling van de klacht omdat hij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoeker het niet eens is met de afwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2019/10
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 10 september 2019 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, L.A.M.M. Donders, mw. M. ten Katen, mw. drs. E.M.H. Lemaier en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.