2019/27 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht van Stichting Pensioenbehoud tegen De Telegraaf (RvdJ 2019/6) te herzien. Verzoekster maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie van de Raad is gebaseerd op onjuiste constateringen. Dat verzoekster zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

Stichting Pensioenbehoud

tot herziening van de conclusie van de Raad van 28 januari 2019 (RvdJ 2019/6) betreffende haar klacht

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

De heer E.L. Daae, voorzitter, heeft op 17 februari 2019 namens de Stichting Pensioenbehoud (verzoekster) verzocht om herziening van de conclusie van 28 januari 2019 inzake de klacht van verzoekster tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf. De hoofdredacteur van De Telegraaf heeft niet op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 15 maart 2019 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen. Een van de Raadsleden heeft zich voorafgaand aan de zitting verschoond, waarna het verzoek is beoordeeld door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

De heer Daae heeft op 26 september 2018 namens de Stichting Pensioenbehoud een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf over de artikelen “’Polderpensioen lost niks op’”, “Geld kan weer rollen” en “Pion in sociaal schaakspel”.

De Raad heeft op 28 januari 2019 geconcludeerd dat de klacht niet van algemene strekking of principieel belang is en daarom niet inhoudelijk wordt behandeld. Hij heeft daartoe het volgende overwogen:
“In artikel 9 lid 5 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad is het volgende bepaald:
“Indien de klacht is ingediend tegen een medium dat of een journalist die zich uit beginsel niet verweert, ziet de Raad af van behandeling, tenzij de klacht volgens de Raad van algemene strekking of principieel belang is.”

De hoofdredacteur van De Telegraaf wenst blijkbaar (nog steeds) uit beginsel geen medewerking te verlenen aan de procedure bij de Raad en heeft zich ook in deze zaak niet verweerd. De Raad zal dan ook slechts tot behandeling van de klacht overgaan in het bijzondere geval dat deze van een algemene strekking of principieel belang is. Daarvan is hier niet gebleken.
De Raad vindt niet dat de strekking van de klacht het belang van klaagster in zodanige mate overstijgt, dat er sprake is van een algemene strekking. Dat een inhoudelijk oordeel van de Raad mogelijk ook anderen ten goede komt, is daartoe onvoldoende.
Ook heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor de conclusie dat de klacht betrekking heeft op elementen van het journalistieke proces waarover de Raad zich niet eerder heeft uitgelaten, zodat de klacht van principieel belang zou zijn. De klacht gaat in hoofdzaak over selectie van nieuws, niet-waarheidsgetrouwe berichtgeving en het toepassen van wederhoor. De Raad heeft hierover in zijn Leidraad algemene uitgangspunten geformuleerd die in diverse conclusies zijn uitgewerkt. Gesteld noch gebleken is dat de door de Raad gehanteerde criteria onvoldoende duidelijk zijn. De omstandigheid dat de klacht er over gaat dat De Telegraaf de criteria niet zouden hebben nageleefd, maakt op zichzelf nog niet dat de klacht daarmee van principieel belang is.
De Raad ziet dan ook geen aanleiding de klacht inhoudelijk te behandelen.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKSTER

Verzoekster stelt – samengevat – dat zij verzoekt om herziening van de conclusie van de Raad wegens het gebleken zijn van een nieuw feit, te weten dat de hoofdredacteur van De Telegraaf lid blijkt te zijn van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren.
Verzoekster wijst erop dat het volgens de website van de Raad zijn taak is om zich te buigen over de vraag of een journalist zorgvuldig zijn werk heeft gedaan en of hij met een publicatie grenzen van journalistieke ethiek heeft overschreden. Naar de mening van verzoekster heeft de hoofdredacteur van De Telegraaf de grenzen van de beroepsethiek ruimschoots overschreden door niet te willen reageren op haar klacht bij de Raad. Het onethisch handelen door de hoofdredacteur is van principieel en algemeen belang, aldus verzoekster. De Raad is als klachteninstituut de uitvoerende instantie van de zelfregulering in de journalistieke branche. Daarom is het argument dat behandeling van de klacht niet mogelijk is indien de betreffende hoofdredacteur niet wil antwoorden op de klacht, niet valide en in strijd met zowel de rechtszekerheid die de algemeen erkende Raad juist wil bieden als met de democratische rechtsbeginselen. Juist ethiek onderstreept hier hoor en wederhoor als democratisch beginsel, aldus verzoekster.
Zij doet daarom een beroep op de hardheidsclausule om van de regelgeving van de Raad af te wijken, omdat het gevolg van toepassing van die regeling tot een onvoorzien en onredelijk benadelend gevolg leidt bij haar externe communicatie aan derden. 
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Verzoekster heeft dat niet gedaan.

Anders dan verzoekster lijkt te betogen, speelt in de conclusie van de Raad geen rol of de hoofdredacteur van De Telegraaf al dan niet lid is van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren. Ook verder is niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

In essentie vraagt verzoekster om een herbeoordeling van de klacht omdat zij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt ten aanzien van de vraag of de klacht van algemene strekking of principieel belang is. Het Reglement van de Raad voorziet niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure.

Dat verzoekster het niet eens is met de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2019/10
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 24 mei 2019 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, dr. H.J. Evers, J. Hoogenberg en mw. A. Pruis, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.