2019/23 zorgvuldig niet-inhoudelijk-behandeld

Samenvatting

J. Dohmen en NRC Handelsblad hebben in het artikel “Ook in Nederland hielden bisschoppen en kardinalen misbruik in stand” aandacht besteed aan misbruik in de katholieke kerk. Ten aanzien van haar klacht tegen dit artikel kan Stichting Sint Jan voor eerlijk proces (klaagster) niet als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd, zodat de Raad die klacht niet inhoudelijk heeft behandeld. Verder vindt de Raad dat NRC Handelsblad de klacht op journalistiek zorgvuldige wijze heeft afgehandeld.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van  

Stichting Sint Jan voor eerlijk proces

tegen

J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

Mevrouw M. Harmsen-van Hout heeft op 30 november 2018 namens Stichting Sint Jan voor eerlijk proces (klaagster) een klacht ingediend tegen de heer J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klaagster en mevrouw M. Breedeveld, adjunct-hoofdredacteur, betrokken van 4, 14 en 28 januari 2019.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 1 februari 2019. Aan de zijde van klaagsters waren mevrouw M.H.T. Jetten-Reintjes (voorzitter) en mevrouw M. Harmsen-van Hout (secretaris) aanwezig. Namens NRC is mevrouw Breedeveld verschenen. Jetten-Reintjes heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een notitie.

DE FEITEN

Op 14 september 2018 is op de website van NRC Handelsblad een artikel van de hand van Dohmen verschenen met de kop “Ook in Nederland hielden bisschoppen en kardinalen misbruik in stand”. De intro van het artikel luidt:
“Misbruik in de katholieke kerk - Ook in Nederland dekten kardinalen en bisschoppen seksueel misbruik toe, waardoor daders nog veel meer slachtoffers konden maken. NRC zette op een rij welke hoge kerkleiders hieraan bijdroegen.”

Naar aanleiding daarvan heeft klaagster op 17 september 2018 een ingezonden brief aan de redactie gestuurd, die luidt als volgt:
“Het zou verslaggever Joep Dohmen gesierd hebben als hij bij het overzicht van de betrokkenheid bij seksueel misbruik door Nederlandse bisschoppen de lezer zou hebben herinnerd aan het stuk van zijn eigen hand dat door deze krant gepubliceerd werd op 19 april j.l. getiteld “Rechtbank: bisschop oneerlijk behandeld”. Hierin werd verslag gedaan van het vonnis van de rechtbank dat de Klachtencommissie die de zaken in behandeling had onrechtmatig gehandeld heeft in tenminste het door ons voorgelegde voorbeeldgeval: er was geen geldend bewijs voor de door de Klachtencommissie uitgebrachte adviezen. Daarom hadden wij in het overzicht dat grotendeels op adviezen van dezelfde Klachtencommissie gebaseerd is in het algemeen een voorzichtigere formulering verwacht en in ieder geval een vermelding van de kritiek van de rechtbank met betrekking tot ons voorbeeldgeval, mgr. Gijsen.”
De brief is niet geplaatst.

Op 6 oktober 2018 heeft NRC-ombudsman S. de Jong in zijn column met de kop “Is het dossier over misbruik in de kerk nu nog niet uitgeput? Nee, toch niet…” aandacht aan de kwestie besteed. De column bevat onder meer de volgende passage:
“Natuurlijk blijven kritiek en aanmerkingen altijd mogelijk. Zo hekelden diverse briefschrijvers het ontbreken van het oordeel van de rechtbank Gelderland die in april de vloer aanveegde met de procedure die de Klachtencommissie had gevolgd in twee zaken tegen bisschop Gijsen. Die uitspraak liegt er niet om en had best kort vermeld kunnen worden. Maar, ook niet onbelangrijk: ondanks die procedurele kritiek hield het bisdom – en in dat spoor de krant – inhoudelijk vast aan het oordeel van de Klachtencommissie. Trouwens, de krant heeft die rechterlijke uitspraak ook niet verzwegen. Integendeel, Dohmen wijdde er in april een nieuwsbericht aan (Rechtbank: bisschop oneerlijk behandeld, 19 april).
Dat zijn kanttekeningen, die zeker niet de kritiek rechtvaardigen dat dit stuk op drijfzand berust. Het gaat dus, denk ik, om iets anders, namelijk deels om het relativeren van de uitkomsten van de Klachtencommissie en vooral om de indruk dat de krant campagne voert tegen de katholieke kerk (terwijl, hoor je vaak, de islam wordt ontzien; wat in mijn ogen niet het geval is, getuige de lange reeks stukken over salafisme, radicalisering en terrorisme).”

Vervolgens heeft klaagster zich op 12 oktober 2018 met haar bezwaren gewend tot de hoofdredactie. In haar antwoord van 15 oktober 2018 heeft Breedeveld uitvoerig het standpunt van NRC uiteengezet en onder meer het volgende aan klaagster geschreven:
“Volgens u had de krant ook moeten melden dat er een vonnis ligt van de rechtbank Gelderland. Daarin laat de rechtbank zich uit over de door de klachtencommissie gevolgde procedure in de zaken rond Gijsen. Het is juist dat de rechtbank kritische op- en aanmerkingen maakt. Echter, in hetzelfde vonnis staat ook: „De rechtbank laat zich dan ook uitdrukkelijk niet uit over de schuld of onschuld van Gijsen. Daarvoor zouden die individuele zaken nader moeten worden onderzocht en mogelijk ook getuigen moeten worden gehoord (...)"
Zolang een rechter zich niet over de schuld of onschuld heeft uitgesproken, houdt NRC dus vast aan het eerdere oordeel van de kerkelijke klachtencommissie. Daar komt bij dat het verantwoordelijke bisdom (Roermond) in de uitspraak van de rechtbank geen aanleiding zag en ziet tot een herziening van zijn standpunt ten aanzien van de gegrond verklaring van de twee klachten. Ook voor de klachtencommissie zelf was het vonnis geen aanleiding tot herziening. Daar komt nog bij [dat] het vonnis in juridische kringen tot veel kritiek geleid heeft. Een voorbeeld is de annotatie van mr. drs. R.M. Hermans. Hij onderbouwt waarom het vonnis op meerdere punten feitelijk onjuist is.
lk wijs u er voorts op dat de twee gegrond verklaarde zedenzaken worden vermeld in een bondige opsomming van de zaken per bisschop. Het gaat hier niet om een uitvoerig artikel over de zorgvuldigheid van de klachtenprocedure, over de feiten omtrent de schuld of onschuld van de bisschop of/en over de gevoerde juridische discussie.”
Breedeveld heeft haar reactie beëindigd als volgt:
“Hoewel ik het dus niet met u eens ben dat het hier „een nalatigheid" betreft, is met het op 6 oktober [in de column van de ombudsman, RvdJ] verwijzen van de lezers naar de uitspraak van de rechtbank reeds tegemoet gekomen aan uw verzoek om de lezers nader te informeren. De wijze waarop dat is gebeurd – niet door het plaatsen van uw ingezonden brief, maar door redactionele aandacht in de weekendkrant — vind ik gepast.”

In haar reactie daarop van 30 oktober 2018 heeft klaagster aan Breedeveld bericht dat zij de column van 6 oktober 2018 niet als een rechtzetting beschouwt en een duidelijke rectificatie op zijn plaats vindt. Ten slotte heeft Breedeveld op 13 november 2018 aan klaagster bericht dat haar verzoek tot rectificatie niet wordt gehonoreerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster voert aan dat zij met succes heeft geprocedeerd tegen de Stichting Beheer & Toezicht i.z. Seksueel Misbruik in de R.-K. Kerk in Nederland (B&T). Zij verwijst ter zake naar het vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 april 2018 en naar het persbericht dat de rechtbank diezelfde dag heeft uitgebracht. Daaruit blijkt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de klachtencommissie van B&T zich niet aan de eigen procedureregels heeft gehouden en enkele fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. Hoewel Dohmen in een artikel van 19 april 2018 verslag heeft gedaan van die uitspraak onder de kop “Rechtbank: bisschop oneerlijk behandeld” heeft hij niettemin in het gewraakte artikel van 14 september 2018 een overzicht gepresenteerd van de rol van Nederlandse bisschoppen in misbruikschandalen. Daarbij heeft hij echter de kritiek van de rechtbank op het handelen van de Klachtencommissie van B&T – op wier adviezen veel van de zaken uit het overzicht waren gebaseerd – volkomen genegeerd.
Klaagster is verder niet tevreden met afhandeling van haar klacht door NRC, omdat de eindconclusie van de hoofdredactie is dat tot nader onderzoek mag worden vastgehouden aan de adviezen van de Klachtencommissie van B&T. Klaagster heeft juist gestreden voor een erkenning door de rechtbank van het onrechtmatig handelen van deze Klachtencommissie, waaronder het gebruiken van een ongeldige bewijsconstructie. Beschuldigden moeten weer voor onschuldig worden gehouden tot nader onderzoek anders uit zou wijzen, aldus klaagster.
Op de zitting heeft zij hieraan nog toegevoegd dat het doel van de stichting is ‘het streven naar erkenning van basale rechten voor medewerkers van de R.-K. kerk’. De rechtbank heeft klaagster als eiseres ontvankelijk verklaard in haar collectieve actie voor zover het gaat om de algemeen geformuleerde vorderingen. Volgens klaagster is zij dan ook rechtstreeks belanghebbende als de conclusies van de rechtbank in deze cruciale zaak vervolgens in een spraakmakend, uitgebreid en gerelateerd artikel volkomen worden genegeerd.

Dohmen en NRC stellen daar allereerst tegenover dat klaagster niet als direct belanghebbende kan worden gezien. Verder hebben zij zich gehouden aan alle geldende journalistieke principes. De hoofdredactie heeft klaagster uitgebreid geantwoord en de NRC-ombudsman is in zijn column ook nog op de zaak ingegaan. Voor het plaatsen van een rectificatie bestond geen aanleiding.

BEOORDELING VAN HET RECHTSTREEKS BELANG voor zover de klacht is gericht tegen het artikel van 14 september 2018

Volgens artikel 2 lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klacht worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Een klager kan als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt. Als rechtstreeks belanghebbende wordt tevens beschouwd een organisatie die door doelstelling en feitelijk handelen opkomt voor het in geding zijnde belang.

De Raad stelt vast dat klaagster niet in de berichtgeving is genoemd en dat de berichtgeving ook geen betrekking heeft op haar. Niet is gebleken van omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat klaagster als rechtstreeks belanghebbende kan worden beschouwd in de hiervoor bedoelde zin.

Dat klaagster door de rechtbank ontvankelijk is verklaard in haar collectieve actie, is daarvoor onvoldoende. Die ontvankelijkverklaring brengt niet mee dat klaagster vervolgens met succes kan aanvoeren in de onderhavige klachtprocedure rechtstreeks belanghebbende te zijn omdat naar haar mening ten onrechte is nagelaten in de gewraakte publicatie te berichten over het vonnis van de rechtbank. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het artikel van 14 september 2018 een overzicht bevat van individuele gevallen, terwijl klaagster door de rechtbank nu juist níet ontvankelijk is verklaard in haar vordering die specifiek was toegesneden op de klachtbehandelingen jegens één enkel individu.
Verder is het doel van klaagster zo algemeen geformuleerd dat hieruit evenmin  kan worden afgeleid dat haar belang direct betrokken is bij de bestreden berichtgeving en zij daardoor in haar belang is geraakt.

De Raad zal daarom de klacht tegen het artikel van 14 september 2018 niet inhoudelijk behandelen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover deze is gericht tegen de afhandeling van de klacht door NRC Handelsblad

In aanmerking genomen dat klaagster ten aanzien van de berichtgeving van 14 september 2018 geen rechtstreeks belanghebbende is, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de redactie in dit geval geen gebruik mocht maken van haar vrijheid de ingezonden brief van klaagster niet te plaatsen. Daarbij komt dat NRC-ombudsman in zijn column van 6 oktober 2018 aandacht heeft besteed aan de kritiek die diverse brievenschrijvers hadden geuit over het niet vermelden van de uitspraak van de rechtbank.

NRC hoefde zich niet specifiek tegenover klaagster te verantwoorden. Niettemin heeft Breedeveld serieus op de klacht gereageerd. Dat klaagster zich niet in die reactie kan vinden, is onvoldoende voor het oordeel dat de klachtafhandeling door NRC Handelsblad onzorgvuldig is geweest.

Relevant punt uit de Leidraad van de Raad: D.
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2018/31 en RvdJ 2014/3
Relevante artikelen uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2 en 9 lid 2

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen het artikel van 14 september 2018, is deze niet inhoudelijk behandeld. De wijze waarop NRC Handelsblad de klacht heeft afgehandeld was journalistiek zorgvuldig.

Zo vastgesteld door de Raad op 9 mei 2019 door prof.mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, mr. I.R.J. Barends, mw. dr. Y.M. de Haan, J. Hoogenberg en H.P.M.J. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.