2019/22 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om de conclusie RvdJ 2018/46 over een klacht van E.G.J. van Wieren, Noorderveste B.V. en V.O.F. Makelaardij Van Wieren tegen W. Groeneveld, Sikkom.nl en NDC Mediagroep B.V. (verzoekers) te herzien. Verzoekers maken bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

W. Groeneveld, journalist en hoofdredacteur van Sikkom.nl, en NDC Mediagroep B.V.

tot herziening van de conclusie van de Raad van 2 november 2018 (RvdJ 2018/46) betreffende de klacht van

E.G.J. van Wieren, Noorderveste B.V. en V.O.F. Makelaardij Van Wieren

De heer mr. J.J. Gevers, advocaat te Assen, heeft op 29 november 2018 namens W. Groeneveld, journalist en hoofdredacteur van Sikkom.nl, en NDC Mediagroep B.V. (verzoekers) verzocht om herziening van de conclusie van 2 november 2018 inzake de klacht van E.G.J. van Wieren, Noorderveste B.V. en V.O.F. Makelaardij Van Wieren (klagers) tegen verzoekers. Bij de beoordeling van het herzieningsverzoek is verder correspondentie van verzoekers en klagers betrokken van 30 november 2018, van 27 december 2018 en van 10 en 23 januari 2019.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 1 februari 2019 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

E.G.J. van Wieren, Noorderveste B.V. en V.O.F. Makelaardij Van Wieren hebben op 14 mei 2018 een klacht ingediend tegen verzoekers over het artikel “Trap niet in de verhuurkosten van Mijn Huisbaas Groningen” met daaronder geplaatste reacties, het artikel “Rijdende Rechter komt naar 050 en zoekt conflicten – iemand problemen met zijn huisbaas of verhuurmakelaar?” en over een openbare discussie op Facebook tussen klagers en huurders, waarin Groeneveld en journalist Niemeijer zich – mede onder de naam ‘Sikkom’ – op 9 februari 2018 hebben gemengd.

De Raad heeft op 29 november 2018 geconcludeerd dat verzoekers (in de conclusie gezamenlijk aangeduid als ‘Sikkom’) journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld en daartoe het volgende overwogen:
“Kern van de klacht is dat de berichtgeving ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klagers bevat, waarbij een onnodig grievende toon is gebezigd en klagers (in de persoon van Van Wieren) onjuist zijn geciteerd. De Raad zal zich tot deze kern beperken en daarbij de gewraakte berichtgeving in onderlinge samenhang beoordelen.
In de berichtgeving is aan de orde gesteld dat klagers bij huurders kosten in rekening brengen die vallen onder ‘verboden bemiddelingskosten’ zoals bedoeld in artikel 7:417 lid 4 BW (in verbinding met artikel 7:427 BW) en zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3099).
De Raad stelt voorop dat het maatschappelijk relevant en geboden kan zijn om journalistiek onderzoek daarnaar te verrichten. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
Klagers hebben gemotiveerd aangevoerd dat geen sprake is van ‘verboden bemiddelingskosten’, maar van (toelaatbare) huurkosten, hetgeen zij voorafgaand aan de eerste publicatie van 15 november 2017 uitvoerig aan Sikkom hebben uitgelegd.
Niettemin heeft Sikkom in haar berichtgeving met grote stelligheid als feit gepresenteerd dat klagers zich (bewust) niet aan de hiervoor bedoelde wet- en regelgeving zouden houden en ten onrechte bemiddelingskosten bij huurders in rekening brengen. Hiermee is sprake van een zodanige diskwalificatie van klagers dat Sikkom dit niet zonder deugdelijke grondslag en toepassing van wederhoor had mogen publiceren.
Ter ondersteuning van haar visie op de handelwijze van klagers heeft Sikkom in haar berichtgeving herhaaldelijk verwezen naar het arrest van de Hoge Raad. Van belang is dat klagers niet in die procedure waren betrokken, zodat uit dat arrest niet zonder meer kan worden afgeleid dat het handelen van klagers onrechtmatig is.
Verder heeft Sikkom zich weliswaar beroepen op diverse autoriteiten die haar standpunt zouden delen, maar genoegzaam is gebleken dat in ieder geval Vastgoedpro en de Nederlandse Vereniging van Makelaars zich niet specifiek hebben uitgelaten over de handelwijze van klagers. Daarnaast heeft Sikkom kennelijk juristen geraadpleegd die opkomen voor de belangen van studenten c.q. huurders en in dit verband niet (volledig) onpartijdig zijn.
Daarbij komt dat Sikkom de door klagers gegeven uitleg niet alleen onvoldoende heeft weergegeven, maar bovendien laatdunkend heeft afgedaan als ‘blablabla’. Voorts heeft Sikkom citaten van Van Wieren zodanig geparafraseerd – onder meer in de zin “Ik ben maar een kleine speler, waarom ik?” – dat daarmee op onheuse wijze de negatieve beeldvorming over klagers is versterkt.
Zoals Sikkom terecht heeft opgemerkt is het niet aan de Raad om zich inhoudelijk, en in ieder geval niet zonder voorbehoud, uit te spreken over de vraag of klagers al dan niet handelen overeenkomstig de wet, omdat dit een juridische uitleg betreft. Naar het oordeel van de Raad geldt dit evenzeer voor Sikkom.
Gezien het voorgaande had Sikkom de beschuldigingen aan het adres van klagers minder stellig behoren te brengen en terughoudender over klagers moeten berichten, en zij heeft dat ten onrechte niet gedaan. Dit leidt tot de conclusie dat Groeneveld, Sikkom.nl en NDC Mediagroep journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekers hebben allereerst hun positie geschetst in het medialandschap in Noord-Nederland. Verder hebben zij – kort samengevat – het volgende gesteld.
Verzoekers voeren aan dat zij met de gewraakte publicaties hun publiek hebben willen informeren en waarschuwen ten aanzien van het in rekening brengen van verboden bemiddelingskosten. In dat verband hebben verzoekers een uitleg gegeven van het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015 en van artikel 7:417 lid 4 BW. Voor verzoekers was en is het van groot belang om te berichten over misstanden op de verhuurmarkt. Als zij op basis van diverse klachten constateren en kunnen aantonen dat klagers via een juridisch handigheidje trachten de jurisprudentie en wetgeving te omzeilen en daarmee in ieder geval aantoonbaar handelen in strijd met de bedoelingen van de rechtspraak en de wetgever, dan bestaat er voor verzoekers alle reden, recht en vrijheid daarover te publiceren. De standpunten, argumenten en stellingen van verzoekers vonden en vinden voldoende steun in het destijds en ook nu beschikbare feitenmateriaal. Verzoekers zijn dan ook van oordeel dat zij met de gewraakte publicaties de journalistieke grenzen niet hebben overschreden.
Vervolgens zijn verzoekers uitvoerig ingegaan op een aantal specifieke in de conclusie benoemde onderwerpen. Zo wijzen zij erop dat klagers ter staving van hun standpunten slechts korte geluidsfragmenten hebben overgelegd die onderdelen vormen van een lange bespreking. Deze fragmenten zijn uit hun verband gehaald en vallen niet in perspectief te plaatsen, aldus verzoekers. Verder benadrukken zij dat zij zich niet hebben beperkt tot het samenvatten van de verweren van klagers met “blablabla” maar daarnaast een volledig inzicht hebben verstrekt in de door klagers aangedragen argumenten, zodat niet kan worden gezegd dat de argumenten van klagers onvoldoende zijn weergegeven. Verzoekers voeren ook nog aan dat Vastgoedpro en de NVM zich niet hebben uitgelaten over de specifieke situatie van klagers. Deze bronnen hebben desgevraagd bevestigd dat de werkwijze van klagers niet is toegestaan en dat is als zodanig gepubliceerd. Verzoekers kunnen zich voorts niet vinden in de vaststelling van de Raad dat zij kennelijk juristen hebben geraadpleegd die opkomen voor belangen van studenten c.q. huurders en in dit verband niet volledig onpartijdig zijn. Het is in ieder geval niet juist dat verzoekers zich eenzijdig hebben laten informeren. Ten slotte wijzen verzoekers erop dat het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015 als leidraad dient om situaties zoals de onderhavige te duiden en uit te leggen. Het feit dat verzoekers zich onder andere op dit arrest hebben beroepen kan dan ook niet tegen hen werken, maar zou juist vóór hen moeten pleiten, zeker nu een arrest als onbetwiste openbare bron dient te worden aangemerkt.
Volgens verzoekers hebben zij aldus aannemelijk gemaakt dat de conclusie van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten.

Klagers stellen daar – eveneens samengevat – tegenover dat in een herzieningsprocedure geen ruimte voor een herbeoordeling van de klacht als degene die herziening verzoekt, zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Verder is een procedure bij de Raad van een andere aard dan een gerechtelijke procedure; in beide procedures worden andere normen gehanteerd.
Vervolgens zijn klagers uitgebreid ingegaan op de stellingen in het herzieningsverzoek. Zij achten de positie van verzoekers in het medialandschap en hun drijfveren voor de gevolgde journalistieke werkwijze niet relevant. Verder wijzen zij erop dat verzoekers hebben verwezen naar allerlei gerechtelijke uitspraken – waarbij klagers geen partij waren – en rechtsliteratuur, in het kader van de door verzoekers voorgestane journalistieke vrijheid. Daarmee wordt miskend dat de Raad geen juridische- maar beroepsethische toets aanlegt, aldus klagers. Zij benadrukken dat de klachtprocedure bij de Raad niet tot doel had om in rechte vast te stellen of zij handelen in overeenstemming met het recht. Daar heeft de Raad zich dan ook niet over uitgelaten.
Volgens klagers blijkt uit het herzieningsverzoek steeds opnieuw dat verzoekers streven naar een herbeoordeling van het waardeoordeel van de Raad dat er journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. Voor een dergelijke herbeoordeling is in een herzieningsprocedure echter geen plaats. Klagers menen dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de conclusie van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten.

Partijen hebben in re- en dupliek nog uitgebreid op elkaars standpunten gereageerd.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien de verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Verzoekers hebben dat niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekers eerder al in hun reactie op de klacht hebben geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

In essentie vragen verzoekers om een herbeoordeling van de klacht omdat zij zich niet kunnen vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure.
Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoekers het niet eens zijn met de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2019/3, RvdJ 2018/52 en RvdJ 2017/19
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 2 mei 2019 door prof.mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, mr. I.R.J. Barends, mw. dr. Y.M. de Haan, J. Hoogenberg en H.P.M.J. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.