2019/21 zorgvuldig

Samenvatting

F. Ruber en L1 hebben in een aflevering van het radioprogramma Cultuurcafé een reportage uitgezonden met de titel “Was de liquidatie van onderduiker Salomon Walvis terecht of niet?”. Zij hebben daarbij niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld jegens de heer drs. G.P. van der Vorst  en mevrouw drs. B.B. Yazar-Walvis (klagers). Er is geen sprake van een gewijzigde opzet van de reportage waarbij ten aanzien van Van der Vorst als geïnterviewde journalistieke normen zijn overschreden en evenmin van afspraken met hem die niet zijn nagekomen. Niet is gebleken dat een incident is uitgelokt om nieuws te creëren. Verder vindt de Raad dat voldoende onderscheid is gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden. Er is verslag gedaan van de discussie naar aanleiding van de voorgenomen rehabilitatie van Salomon Walvis. Het is journalistiek relevant dat daarbij ook aandacht is besteed aan de rondgaande beschuldigingen aan diens adres, waarbij de verschillende standpunten genuanceerd zijn belicht. Het stond Ruber en L1 vrij om zonder voorafgaand nader onderzoek alle aspecten van de kwestie aan de orde te stellen. Hoewel de Raad zich kan voorstellen dat Yazar-Walvis als nabestaande onaangenaam door de reportage is getroffen, is de berichtgeving niet van zodanige aard dat haar belangen daarmee onevenredig zijn geschaad.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

drs. G.P. van der Vorst en drs. B.B. Yazar-Walvis

tegen

F. Ruber en de hoofdredacteur van L1

De heer drs. G.P. van der Vorst en mevrouw drs. B.B. Yazar-Walvis (klagers) hebben op 19 oktober 2018 een klacht ingediend tegen de heer F. Ruber en de hoofdredacteur van L1. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van klagers en de heer R. van Well, hoofd Nieuws, van 14 november 2018, 5 december 2018 en 7 januari 2019.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 11 januari 2019 in aanwezigheid van klagers. Namens L1 zijn de heren Ruber en Van Well verschenen, die hun standpunt hebben toegelicht aan de hand van een notitie.

DE FEITEN

Op 21 april 2018 heeft L1 in een aflevering van het radioprogramma Cultuurcafé een reportage uitgezonden onder de titel “Was de liquidatie van onderduiker Salomon Walvis terecht of niet?”. De reportage is door een presentatrice ingeleid als volgt:
“(…) Tijd voor regionale geschiedenis. Binnenkort is het weer 4 mei, de dag waarop we onze oorlogsslachtoffers herdenken. En opvallend is dat de verwerking van de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog nog steeds tot felle discussies kan leiden. Dat blijkt nu weer eens in Horst. Kinderen van een voormalig verzetsman hebben grote moeite met de rehabilitatie van een joodse onderduiker. De man is in 1944 geliquideerd door het verzet omdat men bang was dat hij verraad zou plegen. Maar daar was geen enkele aanwijzing voor, concludeert een historicus 74 jaar later. En dat is dus tegen de schenen van de kinderen van de verzetsman die betrokken was bij het uit de weg ruimen van onderduiker Salomon Walvis. Frank Ruber maakte de volgende reportage.”

In de reportage – waarin de heer Steenmetz, voorzitter van het Comité 4 mei Horst, de heer Van der Vorst en de heer J. Houwen aan het woord komen – zegt Ruber onder meer het volgende:
“Zijn [Salomon Walvis’] komst leidde tot commotie in Horst, in 1944 en nu opnieuw. Want Walvis, was dat nou een verrader, of was ie een verzetsman? En was zijn liquidatie door het verzet terecht, of niet? Die vragen hebben opnieuw tot knallende ruzies geleid. Wie was die Salomon Walvis nou eigenlijk?”

Verder bevat de reportage onder meer de volgende passage:
Ruber:        “Historicus Gerrit van der Vorst over de liquidatie van de joodse onderduiker Salomon Walvis, ergens tussen Horst en Grubbenvorst. Gerrit van der Vorst dook in de archieven die zijn aangelegd na de bezetting. Hij concludeert dat Walvis door het verzet ten onrechte werd aangezien als gevaarlijk.”
V.d. Vorst: “Nou, ze zeiden dat ie zeer gevaarlijk was, maar dat konden ze op geen enkele manier hard maken. Dat is gewoon een puur verzinsel. Het was aan hun om dat hard te maken. Daar zijn ze ook op verhoord door de politieke recherche en dat lukte bij geen stukken. En daarop, toen justitie vaststelde dat het inderdaad foute boel was, heeft de officier van justitie gezegd (Bijzondere rechtspleging): we stoppen hier mee, we stoppen hier mee. Het dossier dicht en niemand mag het meer inzien. En toen ontstond bij de buitenwacht de indruk: o, dus hij heeft het gedaan. En daar heeft men verhalen aan verbonden.”
Ruber:        “Kun je zeggen dat het eigenlijk in het belang was van het imago van het verzet na de oorlog om dit verder te laten rusten?”
V.d. Vorst: “Volstrekt. Volstrekt. Ik zie geen andere reden.”
Houwen:     “Ik denk dat het heel moeilijk is om goed te kunnen beoordelen hoe die situatie op dat moment was. Hoe de mensen die toen voor die keuze stonden de zaak hebben beoordeeld. En die hebben ‘m wel beoordeeld als heel erg gevaarlijk. En dat lijkt me iets anders dan vanuit de stukken van mening te zijn: was niks aan de hand.”
Ruber:         “Jan Houwen over de bevindingen van historicus Gerrit van der Vorst. Houwen, de zoon dus van verzetsman Wiel Houwen, vindt dat Van der Vorst de verkeerde conclusies trekt uit de rapporten die hij bestudeerd heeft.”
Houwen:     “Het zou goed zijn als vanuit, vanuit de officiële historische kant eens goed naar deze zaak gekeken wordt en niet alleen vanuit de insteek van Van der Vorst en het Comité 4 mei Horst, die hùn visie hebben op hoe deze historie in elkaar zit. Wij hebben een visie die daar van afwijkt, en wij denken dat die relatief dicht bij de waarheid is, maar ik wil het graag aan de officiële historici overlaten om dat goed te onderzoeken en te beoordelen.”
Ruber:         “Daarmee zegt u dus eigenlijk: het onderzoek dat nu is uitgevoerd, is niet goed gebeurd.”
Houwen:     “Ik voel me niet direct in de positie om daar een waardeoordeel over te spreken. Als ik het lees en dan gaat ‘t dus met name over het hoofdstuk van Van der Vorst in het boek ‘Het kapitaal van Sal Walvis’, heb ik wel regelmatig even zo'n belevenis van ‘O. Hoezo? Hoezo. Hè?’ Dat blijft wel een beetje steken.”
Ruber:         “Dus u twijfelt aan de interpretatie die gegeven is?”
Houwen:     “Ik zeg alleen: het is een interpretatie, en ik denk niet dat die de juiste is, maar goed dat is een andere insteek.”

Op de website van L1 is een bij de reportage behorende tekst geplaatst, waarvan de intro luidt:
“Binnenkort is het weer 4 mei. De dag waarop we onze oorlogsslachtoffers herdenken. Opvallend is dat de verwerking van de Duitse bezetting tijdens de Tweede wereldoorlog nog steeds tot discussies kan leiden. Dat blijkt nu weer eens in Horst.”

Klagers zijn auteur van de verhalenbundel “Het kapitaal van Sal Walvis” respectievelijk de kleindochter van Salomon Walvis.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen – samengevat – dat Ruber en L1 elementaire journalistieke regels hebben geschonden. Zij hebben uitvoerig de context van de kwestie geschetst en hun klacht onderverdeeld in negen onderdelen, die zij uitgebreid hebben toegelicht.
Ze voeren onder meer aan dat Van der Vorst er niet van op de hoogte was dat Ruber ook de heer Houwen zou interviewen en dat de uitzending het karakter van een meningspeiling zou geven. Ruber heeft tijdens het interview met Van der Vorst de naam van Houwen niet genoemd en evenmin diens expliciete bezwaren tegen de motivering voor de beperkte rehabilitatie en/of tegen het werk van Van der Vorst (zijn onderzoek en boek) aan de orde gesteld. Daardoor heeft Van der Vorst zich niet kunnen verweren tegen kritiek op zijn onderzoekswerk en boek, waarnaar Ruber later expliciet en herhaald zou vragen in zijn gesprek met Houwen. Niets wees erop dat Ruber ook Houwen (of anderen dan de familie Walvis) zou interviewen, om ‘knallende ruzies’ op te voeren over de noodzaak van de liquidatie van Salomon Walvis. Klagers benadrukken dat Ruber wist dat zij een klacht bij de Raad zouden indienen omdat dagblad De Limburger hen geen weerwoord had geboden op uitlatingen van Houwen. Bij zijn besluit om ook de visie van Houwen te verwerken in de radioreportage had Ruber die gewijzigde opzet aan Van der Vorst moeten melden en hem weerwoord moeten bieden c.q. hem opnieuw toestemming moeten vragen, maar dat heeft hij niet gedaan. Als Van der Vorst geweten had dat hij via de reportage betrokken zou worden in een discussie met Houwen zou hij zijn medewerking hebben geweigerd, gelet op zijn klacht over de handelwijze van De Limburger. Daarbij komt dat Ruber het programmaonderdeel inclusief de beschuldigingen jegens Salomon Walvis heeft gemonteerd en uitgezonden zonder wederhoor toe te passen bij de familie Walvis. In dat verband wijzen klagers erop dat hun belangen niet identiek zijn en dat de familie Walvis is gediskwalificeerd door de beschuldigingen aan het adres van Salomon Walvis. Bovendien heeft Ruber de uitlatingen van Steenmetz en Van der Vorst gemengd met latere, vergaande uitlatingen van Houwen op een zodanige wijze dat het leek alsof er op elkaar gereageerd werd, terwijl dat niet het geval was. Klagers merken op dat Houwen senior niet betrokken was bij (het besluit over) het ‘uit de weg ruimen’ van Salomon Walvis, maar na de bevrijding juist vroeg om een onderzoek door de politieke recherche, waarbij hij zijn handen in onschuld waste. Van felle discussies was en is geen enkele sprake. Commotie is ontstaan door/over de publicatie in De Limburger en die is nu aangewakkerd door L1. Discussie is ook niet mogelijk zolang de enige bezwaarmaker, de heer Houwen, niet de moeite wil nemen om het dossier door te nemen. Daarmee ontbreekt een deugdelijke grondslag voor de vergaande beschuldigingen die Houwen van Ruber onweersproken mocht uiten. Ruber heeft bovendien verzuimd om zelf vast te stellen of er een deugdelijke grondslag was voor die beschuldigingen, terwijl er voldoende bronnen zijn waaraan de uitlatingen eenvoudig getoetst konden worden. Dergelijk onderzoek was geboden omdat de uitspraken van Houwen zijn gebaseerd op zijn herinneringen aan de mondelinge overlevering door zijn vader, die niet stroken met diens formele verklaringen. Alvorens dergelijke uitlatingen te verspreiden had Ruber ook het belang van de mening van één enkele persoon moeten afwegen tegen de gevoelens en belangen van andere personen die daardoor geschaad konden worden. Het was Ruber bekend dat het hier om een uiterst gevoelige kwestie ging en hij was bovendien van te voren erop gewezen dat er een dossier voorhanden was, dat andere taal sprak. In dat verband wijzen klagers er nog op dat Houwen zelf herhaald expliciet heeft meegedeeld dat hij allesbehalve zeker was van zijn vergaande beweringen. Naar de mening van klagers had Ruber op basis van de ‘onzekere stellingname’ van Houwen, die zelf duidelijk geen kennis had genomen van het dossier, geen ernstige twijfel mogen oproepen over de noodzaak van de liquidatie die door Justitie nota bene als ‘vermoedelijke roofmoord’ werd onderzocht. De vraagstelling “Was de liquidatie van onderduiker Salomon Walvis terecht of niet?” is in de ogen van klagers dan ook uiterst laakbaar. Verder maken klagers bezwaar tegen de door Ruber geuite bewering dat sprake is van ‘knallende ruzies’. Daarmee is een volstrekt verkeerd beeld over de kwestie geschapen en een incident uitgelokt om nieuws te creëren, aldus klagers. Volgens hen zijn dergelijke ‘sensatiekreten’ onaanvaardbaar in een precaire kwestie als de onderhavige. Als gevolg hiervan zijn aanvullende initiatieven van het Comité 4 mei Horst (verder) ondermijnd.
Klagers concluderen dat Ruber en L1 onzorgvuldig hebben gehandeld, waardoor hun reputatie en belangen als onderzoeker/auteur respectievelijk nabestaande van Salomon Walvis ernstig zijn geschaad.

Ruber en L1 stellen hier – eveneens samengevat – tegenover dat sprake is van een radioreportage, waarbij de verslaggever mensen spreekt en vervolgens fragmenten van de interviews op een voor de luisteraar aantrekkelijke wijze afwisselt. Het is dus geen debat, waarbij de ene spreker steeds direct op de andere spreker kan reageren. Bovendien gaat het hier niet om eigen onderzoeksjournalistiek ten aanzien van de vraag wie schuldig is aan de dood van Salomon Walvis. De reportage behelst een verslag over een slepende kwestie uit de Tweede Wereldoorlog, die 75 jaar later nog altijd voor felle discussies zorgt. Ruber heeft het feit – dat er een discussie is – concreet gemaakt door de belangrijkste betrokkenen aan het woord te laten. Enerzijds is er het verhaal van Van der Vorst, die op basis van zijn onderzoek tot bepaalde conclusies is gekomen. Anderzijds is er de visie van de zoon van een direct betrokkene (de heer Houwen), die is gebaseerd op verhalen van vader op zoon. Voor een journalist is dit een bron die als betrouwbaar mag worden aangemerkt. Zeker nu daar tegenover een ander verhaal is opgenomen, om te laten horen dat er meerdere meningen de ronde doen. In de reportage zijn beide visies uitgebreid en genuanceerd naast elkaar gezet, zonder dat partij is gekozen voor een van de verhalen. De toonzetting van de reportage is gepast zakelijk en er is een degelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, meningen en beweringen. De visie van Houwen is gepresenteerd als overlevering, het verhaal van Van der Vorst als resultaat van zijn onderzoek in archieven. Uit het interview met Houwen blijkt bovendien dat hij zelf een kanttekening zet bij de gebeurtenissen en pleit voor nader onderzoek. Dit is journalistiek bezien interessant. Juist door de verschillende meningen te laten horen, is het oordeel aan de luisteraar. De onafhankelijke benadering blijkt ook uit de kop boven het artikel op de website, die geen oordeel maar een vraag bevat. Overigens weet Ruber, als historicus, dat ook historisch onderzoek tot controverse kan leiden.
Ruber en L1 hebben begrip voor de gevoelens van klagers en met name voor de emoties van mevrouw Yazar-Walvis, maar vinden dat zij op een integere, evenwichtige wijze te werk zijn gegaan. Zij betwisten dat de berichtgeving tendentieus is. De term ‘knallende ruzie’ is in overdrachtelijke zin niet misplaatst, gelet op de intense discussie in Horst aan de Maas en (achteraf gezien) de discussie na de uitzending. Ruber en L1 wijzen er in dit verband nog op dat Steenmetz in de reportage heeft beaamd dat sprake is van ‘nogal wat commotie’ en dat Van der Vorst in een e-mail aan Ruber zelf heeft gerefereerd aan een ‘discussie’. Het is Ruber en L1 onduidelijk welk incident zij zouden hebben uitgelokt om nieuws te creëren. Behalve de onderhavige discussie met klagers, heeft de reportage geen vervolg gekregen.
Voorts menen Ruber en L1 dat zij de journalistieke norm betreffende het toepassen van wederhoor niet hebben geschonden. In de reportage wordt niemand gediskwalificeerd, maar is sprake van een meningsverschil over het duiden van een gebeurtenis ruim 70 jaar later. Een gesprek met familie van Salomon Walvis was uit journalistiek oogpunt niet noodzakelijk, omdat de visie van de familie overeenkomt met die van Van der Vorst. Bovendien wordt de familie niets verweten. Ruber en L1 wijzen er verder op dat Ruber via Van der Vorst in contact is gekomen met Houwen. Dat in de reportage ook de visie van Houwen is verwerkt kan voor Van der Vorst dan ook geen verrassing zijn geweest. Van der Vorst heeft – ook nadat hij wist dat Ruber Houwen ging benaderen – geen enkel voorbehoud gemaakt. Bovendien wist hij op het moment van het interview dat zijn verhaal door anderen in Horst aan de Maas werd betwijfeld. Het programma is niet zodanig gewijzigd dat Ruber daarvoor opnieuw toestemming had moeten vragen aan de geïnterviewden. De citaten zijn gebruikt binnen de context die de geïnterviewden mochten verwachten. Overigens heeft Ruber met Van der Vorst geen bepaalde journalistieke opzet afgesproken, zodat van het schenden van een afspraak geen sprake kan zijn.
Ruber en L1 merken ten slotte op dat als betrokkenen bij een verhaal het onderling oneens zijn, dat nog niet per definitie tot reputatieschade leidt. Zij kunnen in de reportage geen opmerkingen terugvinden die rechtstreeks de reputatie van (een van beide) klagers ter discussie stellen en concluderen dat zij zorgvuldig hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Blijkens het klaagschrift bestaat de klacht uit de volgende onderdelen:
a.      Ruber en L1 hebben geen of onvoldoende duidelijkheid betracht over de journalistieke bedoelingen voor de uitzending en bovendien Van der Vorst misleid, door toezeggingen niet na te komen;
b.      Van der Vorst is niet zodanig over de uiteindelijke, gewijzigde opzet van de uitzending geïnformeerd, dat hij voldoende geïnformeerd kon beslissen of hij zijn medewerking wilde (blijven) verlenen;
c.      Ruber en L1 hebben een incident uitgelokt om nieuws te creëren;
d.      zij hebben daarbij geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, meningen en beweringen;
e.      er is geen wederhoor toegepast, nadat de noodzaak daartoe zich voordeed als gevolg van de gewijzigde opzet van de uitzending;
f.       er zijn citaten uit een interview met Van der Vorst op een andere wijze en in een andere context gebruikt dan hij mocht verwachten, zonder hem opnieuw om zijn toestemming te vragen;
g.      Ruber en L1 hebben zware verwijten en beschuldigingen openbaar gemaakt, zonder te onderzoeken of daar een deugdelijke grondslag voor bestond, terwijl dat zeer eenvoudig te checken was;
h.      Ruber en L1 hebben niet of onvoldoende het belang van publicatie afgewogen tegen de belangen van klagers;
i.       Ruber en L1 hebben op basis van bedoelde onzekere en onbewezen beweringen van één enkele persoon in het openbaar twijfel opgeroepen of de liquidatie van Salomon Walvis terecht was of niet.

Algemeen
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Daarbij is het aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht.
De reportage betreft een kort item – van ongeveer vijftien minuten – binnen de drie uur durende uitzending van het radioprogramma L1 Cultuurcafé. De gedragingen van Ruber en L1 moeten in die context worden bezien. Overigens dienen de overwegingen ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen ook in onderling verband te worden gelezen.

Ad a., b. en f.
Ten aanzien van interviews geldt verder dat wanneer journalisten iemand willen interviewen, zij diegene zodanig moeten informeren over de aard van de publicatie, dat de te interviewen persoon voldoende geïnformeerd kan beslissen of hij aan die publicatie wil meewerken.
Bovendien mogen citaten uit interviews niet worden gebruikt in een andere context dan de geïnterviewde mocht verwachten, gelet op wat hem door de journalist werd meegedeeld. Wanneer de aard of de inhoud van de publicatie in de loop van het redactieproces zodanig wordt gewijzigd, dat niet meer wordt voldaan aan wat de geïnterviewde redelijkerwijs mocht verwachten, moet hem opnieuw om toestemming voor publicatie worden gevraagd.
Niet is gebleken dat partijen vooraf afspraken hebben gemaakt over de inhoud en opzet van de reportage of dat Ruber daarover toezeggingen aan klagers heeft gedaan. De Raad acht het aannemelijk dat het voor Van der Vorst duidelijk was dat hij zou meewerken aan een reportage over de liquidatie van Salomon Walvis in de meest ruime zin, waarbij alle aspecten van de kwestie aan de orde zouden kunnen komen. Verder is relevant dat Van der Vorst met Ruber heeft gesproken en gecorrespondeerd over Houwen, waarbij hij Ruber op diens verzoek heeft voorzien van contactgegevens van Houwen.
Al deze omstandigheden in aanmerking genomen bestaat onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat de opzet van de reportage gewijzigd is, waarbij de hiervoor geformuleerde normen zijn overschreden dan wel toezeggingen niet zijn nagekomen.

Ad c.
Klagers hebben gesteld dat met de door Ruber in de reportage geuite bewering over ‘knallende ruzies’ een verkeerd beeld over de kwestie is geschapen en een incident is uitgelokt om nieuws te creëren. Zij hebben niet geconcretiseerd op welk incident zij het oog hebben. Ruber en L1 hebben hier tegenover gesteld dat de reportage geen vervolg heeft gekregen, anders dan de onderhavige klacht. Aldus is niet gebleken dat de bewering van Ruber heeft geleid tot een ‘incident’, zodat reeds om die reden geen sprake kan zijn van het overschrijden van de door de Raad gehanteerde norm ter zake.

Ad d.
In de reportage – die is ingeleid en afgesloten door een presentatrice – komen beurtelings Ruber, Van der Vorst, Houwen en Steenmetz aan het woord. Voor de gemiddelde luisteraar is voldoende duidelijk dat de reportage de opvattingen van Van der Vorst, Houwen en Steenmetz als geïnterviewden bevat en daarnaast vragen, analyses en standpunten van Ruber als interviewer. Er bestaat dan ook geen grond voor de conclusie dat Ruber en L1 onvoldoende onderscheid hebben gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen.

Ad e.
De Raad heeft hiervoor overwogen dat geen sprake is van een gewijzigde opzet van de reportage. Verder blijkt uit de reportage duidelijk wat de standpunten van Van der Vorst en Houwen over de kwestie zijn en dat deze lijnrecht tegenover elkaar staan. Hoewel het Ruber en L1 had gesierd om Van der Vorst nog te laten reageren op de kritiek van Houwen op zijn onderzoek, was dit niet noodzakelijk. Het is begrijpelijk dat Van der Vorst achter zijn onderzoek staat, maar dat daarop kritiek wordt geuit brengt niet direct een diskwalificatie mee die wederhoor vereist. Gezien de aard en inhoud van de uitspraken van Houwen hebben Ruber en L1 niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door deze niet vooraf voor commentaar aan Van der Vorst voor te leggen.

Ad g.
In de reportage is verslag gedaan van de discussie die op dat moment gaande was naar aanleiding van de voorgenomen rehabilitatie van Salomon Walvis. Het is journalistiek relevant dat daarbij ook aandacht is besteed aan de beschuldigingen aan het adres van Salomon Walvis die de ronde deden. Van een rehabilitatie is immers alleen sprake als daar – naar later gebleken: onterechte – beschuldigingen aan vooraf zijn gegaan. Hierbij zijn de verschillende standpunten genuanceerd belicht en is – zoals hiervoor overwogen – een duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Dit brengt mee dat het Ruber en L1 in dit geval vrijstond zonder voorafgaand nader onderzoek alle aspecten van de kwestie aan de orde te stellen.
De Raad heeft er begrip voor dat klagers hoopten dat met de beoogde rehabilitatie van Salomon Walvis de discussie over het verleden zou zijn gesloten. Dit betekent echter niet dat Ruber en L1 niet over de kwestie zouden mogen berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan.

Ad h. en i.
De Raad overweegt dat met deze kwestie verschillende belangen zijn gemoeid, te weten die van Van der Vorst als onderzoeker en die van Yazar-Walvis als nabestaande. Hoewel Ruber en L1 in hun reacties op de klacht ervan blijk hebben gegeven daarvoor oog te hebben, is niet duidelijk uit de reportage naar voren gekomen dat ook de belangen van de nabestaanden van Salomon Walvis in ogenschouw zijn genomen. Zo had bijvoorbeeld de discussie over de rehabilitatie terughoudender geduid kunnen worden dan met de – gezien de gevoeligheid van het onderwerp – ongelukkige term ‘knallende ruzies’.
Hoewel de Raad zich kan voorstellen dat Yazar-Walvis als nabestaande onaangenaam door de reportage is getroffen, is de berichtgeving niet van zodanige aard dat haar belangen daarmee onevenredig zijn geschaad. Ook op deze punten hebben Ruber en L1 niet onzorgvuldig gehandeld.

Een en ander leidt tot de conclusie dat Ruber en L1 journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A., B.1, B.3 en C
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2018/53 en RvdJ 2018/18

CONCLUSIE

F. Ruber en L1 hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 2 mei 2019 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, S.A. Agterberg, mw. A. Karadarevic, mw. L.M. van de Langenberg MSc en F.Th. Ruys, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.