2019/15 zorgvuldig

Samenvatting

B. Schut en het Nieuw Israëlietisch Weekblad hebben in de artikelen “‘Pathologisch geval of gewoon fraudeur?’” en “Joods Nederland reageert geschokt” op journalistiek zorgvuldige wijze bericht over de heer J.D. Barth (klager). Uit de artikelen blijkt welke bronnen zijn geraadpleegd en hoe die bronnen in relatie staan tot klager, zodat de lezer de informatie op waarde kan schatten. Verder vinden de koppen voldoende grond in de artikelen. Daarbij komt dat klager voorafgaand aan de eerste publicatie de gelegenheid tot wederhoor is geboden. Dat hij heeft volstaan met zijn eerste reactie “Geen commentaar.” en daarop – ondanks de uitnodiging van Schut daartoe – niet is teruggekomen, komt voor zijn rekening. Vervolgens is in het tweede artikel klagers visie op de kwestie, aan Schut en het NIW kenbaar geworden uit een reactie van klager aan derden, verwerkt.
Ten slotte bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat Schut op ontoelaatbare wijze op zijn Twitter-account naar de publicaties heeft verwezen.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J.D. Barth

tegen

B. Schut en de hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad

De heer J.D. Barth te Santpoort (klager) heeft op 26 september 2018 een klacht ingediend tegen B. Schut en de hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klager en mevrouw E. Voet, hoofdredacteur, betrokken van 1, 12 en 17 oktober 2018, 19 november 2018 en 6 en 10 december 2018.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 14 december 2018. Klager is daar verschenen, vergezeld door mevrouw M. van Beurden Cahn, en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van het NIW waren de heer Schut, mevrouw Voet en de heer P. Brill, bestuurslid, aanwezig.

DE FEITEN

Op 11 augustus 2018 is op de website van het NIW een artikel van de hand van Schut verschenen met de kop “‘Pathologisch geval of gewoon fraudeur?’”. De intro van dit artikel luidt:
“Drie zwaargewichten uit Joods Nederland twijfelen aan de wetenschappelijke integriteit van Jacques Barth, de man achter het TreeGenes/Trauma en veerkracht-onderzoek naar effecten van de Shoa op verschillende generaties Nederlandse Joden. Barth blijkt zijn hoogleraarschap uit zijn duim te hebben gezogen. En dat is lang niet alles.”
Verder bevat dit artikel onder meer de volgende passages:
“Toen het NIW begin vorig jaar het artikel ‘Over trauma en veerkracht’ publiceerde, stroomden de enthousiaste reacties binnen. ‘Eindelijk’, was het woord waarmee met name tweedegeneratie-Holocaustslachtoffers hun gevoelens het meest onder woorden brachten. Dr. Jacques Barth sprak met kennis en bevlogenheid over zijn onderzoek naar zowel de psychologische als de genetische effecten van de Shoa op slachtoffers van de eerste, tweede en zelfs de derde generatie. Aanmeldingen mee te doen aan het onderzoek kwamen in groten getale binnen en talloze Joodse en niet-Joodse organisaties stonden te trappelen met Barth in zee te gaan.
Dat enthousiasme is inmiddels tot het nulpunt gedaald en omgeslagen in grote scepsis, nu er vraagtekens zijn gerezen over zowel Barths wetenschappelijke als zijn persoonlijke integriteit. Een driemanschap uit de Joodse gemeenschap waarschuwt er nadrukkelijk voor met Barth in zee te gaan. De drie zijn niet de minsten: PvdA-coryfee en bestuurder Harry van den Bergh, Flory Neter, voorzitter van het Verbond Belangenbehartiging Vervolgings-slachtoffers (VBV) en voormalig bijzonder hoogleraar Holocausteducatie aan de UvA Ido Abram. Van den Bergh, Neter en Abram beschuldigen Jacques Barth ervan zich ten onrechte als hoogleraar te hebben gepresenteerd; onderzoek door het NIW bevestigt de lezing van de drie. Barth zelf hult zich in stilzwijgen.”
en
“Barth meldt op zijn LinkedIn-pagina dat hij van september 2007 tot april 2016 Professor of Medicine is geweest, verbonden aan het Department of Family Medicine van USC. Kan het om een misverstand gaan? Heeft de USC-chief of staff misschien niet alle data ter beschikking? Het lijkt onlogisch, maar voor de zekerheid neemt het NIW contact op met de Keck School of Medicine, de medische faculteit van USC. Na zesmaal doorverbonden te worden krijgen we Louise Wallace, de personeelscoördinator van het Department of Family Medicine aan de lijn. Nee, zij heeft nog nooit gehoord van een professor Jacques Barth, maar ze zal het uitzoeken.
Wallace schrijft het NIW vervolgens een e-mail met een verklaring die weliswaar juridisch voorzichtig is (je weet immers maar nooit in de litigieuze Amerikaanse samenleving), maar aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat: “Ik kan geen relatie vinden tussen Jacques Barth en USC, betaald noch als vrijwilliger.” Feit is dat Barth zich naar buiten toe als hoogleraar van USC heeft gepresenteerd en dat van zijn aanstelling geen enkel bewijs te vinden is, dat deze zelfs door de universiteit ontkend wordt. Volgens Harry van den Bergh, ex-voorzitter van de stichting die Barths onderzoek mogelijk moet maken, heeft Jacques Barth zich ook naar collega’s, partners en potentiële geldschieters toe nadrukkelijk als hoogleraar gepresenteerd. Ook naar het NIW toe heeft Barth zich als zodanig voorgedaan. In een door hem aan ons toegestuurd cv staat inderdaad ‘Hoogleraar University of Southern California, Keck School of Medicine’. In de concepttekst van het artikel ‘Over trauma en veerkracht’ wordt verschillende malen over ‘professor Barth’ geschreven. Hij heeft de tekst vooraf ter inzage gehad maar nagelaten aan te geven dat dit onjuist was. Uiteraard heeft het NIW Jacques Barth de gelegenheid gegeven te reageren op de beschuldigingen. Zijn reactie: “Geen commentaar.”
en
“Bij dit alles rijst de vraag hoe Jacques Barth er aanvankelijk in slaagde zovelen te overtuigen met hem in zee te gaan: bestuurders, wetenschappers en ja, ook de pers. Schrijver dezes was zelf zeer onder de indruk van de charme en kennis – in ieder geval naar de welwillende leek toe – van Barth. Een enthousiast artikel in het NIW, ‘Over trauma en  veerkracht’ was het gevolg. Op geen enkel moment kwam de gedachte bij mij op te controleren of Barths curriculum vitae van verzinsels aan elkaar hing. In alle eerlijkheid, geen enkele journalist zou dat doen – ook niet eentje die werkt voor een dag- of weekblad met meer dan drie schrijvende redacteuren. De mogelijkheid dat een onderzoeker zich ten onrechte als hoogleraar presenteert, ligt simpelweg buiten het voorstellingsvermogen van de meeste journalisten, bestuurders en wetenschappers. Maar niet buiten dat van Ido Abram. “In de Talmoed staat dat als je liegt dat groot moet wezen, dan geloven ze je. Maar ik weet nog steeds niet of Barth een pathologisch leugenaar is of gewoon een fraudeur.””

Diezelfde dag heeft Schut het volgende bericht op zijn Twitter-account geplaatst, met een link naar het artikel:
“’Pathologische geval of gewoon fraudeur?’ Drie zwaargewichten uit Joods Nederland ontmaskerden Holocaust-overlevendenonderzoeker Jacques Barth. Deze verzon een hoogleraarschap, zou wetenschappelijk ‘incapabel’ zijn en slaat na kritiek wild om zich heen.”
Vervolgens is op 17 augustus 2018 op de website van het NIW een artikel verschenen, eveneens van Schut, met de kop “Joods Nederland reageert geschokt”. De intro van dit artikel luidt:
“Het TreeGenes-project van de in opspraak geraakte onderzoeker Jacques Barth reageert bij monde van medewerker Marie Judille van Beurden Cahn op het artikel in het NIW van vorige week, met de aankondiging dat ‘een jurist is ingeschakeld’, om ‘de poging tot karaktermoord […] efficiënt te bestrijden’.”
Dit artikel bevat verder onder meer de volgende passage:
“Een reactie vanuit het TreeGenes-project kon niet uitblijven. Het NIW heeft een reactie in bezit geschreven door Marie Judille van Beurden Cahn, mede-onderzoekster van Barth en bestuurslid van zijn stichting. Aan verontruste deelnemers aan het project schrijft Van Beurden Cahn dat zij en Barth de ‘commotie vervelend vinden’: “Weet dat Jacques Barth beschikt over alle gewenste titulatuur, statuur en ervaring om deze studie te doen. U weet ongetwijfeld dat hij cardioloog en endocrinoloog is, daarnaast is hij professor of Medicine en heeft 37 A-publicaties op zijn naam staan. Zijn ervaring strekt zich uit tot 8 Multicenter studies, wat erg veel is in de wetenschappelijke wereld.””

Ook naar dit artikel heeft Schut op zijn Twitter-account gelinkt, in een bericht van diezelfde dag met de volgende tekst:
“De in opspraak geraakte Holocaust-onderzoeker Jacques Barth wil juridische stappen nemen tegen het @_NIW_ , dat vierkant achter mijn exposé over zijn verzonnen hoogleraarschap staat. Pak de popcorn er maar vast bij...”

Voorafgaand aan het eerste artikel, op 25 juli 2018, heeft Schut per e-mail het volgende aan Barth bericht:
“Een aantal zwaargewichten uit de Joodse gemeenschap heeft de beschuldiging geuit dat jij je onterecht als hoogleraar hebt uitgegeven. Concreet: als hoogleraar geneeskunde aan USC (ik neem aan de Keck School of Medicine) van 2007 tot 2016, zoals ook vermeld op jouw LinkedIn-pagina. Het kan nooit moeilijk zijn deze beschuldiging te weerleggen met een bewijs van aanstelling. Of gaat het wellicht om een andere aanstelling als hoogleraar van welke zij zich niet bewust zijn? Graag hoor ik jouw reactie op een en ander.”
Nadat Barth diezelfde dag hierop kort per e-mail heeft gereageerd met “Geen commentaar.” heeft Schut – eveneens op die dag per e-mail – nog het volgende aan Barth geschreven:
“Wat ontzettend jammer, ik had graag jouw kant van het verhaal verteld. Mocht je de komende dagen van gedachten veranderen, bestaat uiteraard de mogelijkheid jouw versie uit de doeken te doen in het artikel dat nu in voorbereiding is.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt – samengevat – dat de artikelen hem hebben overvallen en inhoudelijk beschadigend zijn. Schut heeft karaktermoord gepleegd door bekende feiten weg te laten, het waarheidsgehalte achter de aantijgingen niet te onderzoeken en conclusies te trekken die niet op feiten zijn gebaseerd. Volgens klager is hij ten onrechte aangeduid als iemand zonder wetenschappelijke expertise die ongeschikt is om de studie TreeGenes te leiden. Hij is zowel initiatiefnemer als hoofd-verantwoordelijke voor dat onderzoek, waaraan verschillende wetenschappers zijn verbonden, en zijn wetenschappelijke expertise wordt alom erkend. Schut en de redactie kennen zijn lange staat van dienst, zijn op de hoogte van zijn werkzaamheden voor het Jet Propulsion Laboratory van NASA als Senior Resident Researcher bij The Californian Institute of Technology (CALTECH) en weten dat hij als professor of Family Medicine aan de Keck School of Medicine van de University of Southern California (USC) was verbonden. Schut schreef daarover namelijk in januari 2017 het  uitgebreide artikel in het NIW “Over trauma en veerkracht”, naar aanleiding van klagers initiatief om onderzoek te doen naar de fysieke gevolgen van de Holocaust op het leven van de nazaten. Voorafgaand aan die publicatie heeft klager Schut overigens verzocht de Amerikaanse titulatuur ‘professor’ te gebruiken – die daar wordt gebruikt voor iemand die lesgeeft – en hem niet aan te duiden als ‘hoogleraar’. Die correctie is toen echter niet doorgevoerd. Schut was dus op de hoogte, is in het bezit van klagers credentials en kent zijn wetenschappelijke prestaties. Die gegevens zijn overigens relatief eenvoudig te vinden en te checken via internet. Klager benadrukt dat zijn expertise nooit eerder ter discussie heeft gestaan. Hij publiceert zeer regelmatig, is redacteur en medewerker van diverse wetenschappelijke tijdschriften en presenteert op conferenties.
Volgens klager zijn de artikelen gebaseerd op niet geverifieerde aantijgingen van bronnen die zijn te kenschetsen als ‘boze’ mensen. Zij deden in 2017 financiële toezeggingen aan de studie en concretiseerden die niet. Terwijl Schut wist dat deze bronnen sinds het najaar van 2017 een hetze tegen klager voerden, heeft hij ze kritiekloos benaderd en is hij blind afgegaan op hun aantijgingen. Hierdoor heeft Schut klager, zijn (persoonlijke) reputatie, de studie, de medewerkers en de mensen in het (lopende) onderzoek aangetast, aldus klager.
Verder voert hij aan dat Schut hem de betreffende stukken niet vooraf heeft voorgelegd noch een poging heeft gedaan om hem te raadplegen. Schut heeft hem weliswaar op 25 juli 2018 per e-mail benaderd, maar hij heeft geen conceptversie van het artikel ontvangen en kon slechts interpreteren wie cryptisch werden bedoeld met ‘zwaargewichten’. Daarbij komt dat hij die dag door verdrietige familieomstandigheden werd beziggehouden. Als Schut de moeite had genomen deugdelijk onderzoek te doen, had verteld wie hij bedoelde met de ‘zwaargewichten’, had laten weten hoe hun verhaal eruit zag en daarna klagers versie op het geheel had aangehoord en verwerkt, dan was het fair verlopen. Schut heeft dit alles echter nagelaten. De bijzondere magere poging tot wederhoor staat volgens klager in geen verhouding tot het artikel dat daarna is gepubliceerd. Verder wijst hij erop dat de tijd tussen beide publicaties slechts zes dagen is. In die tijdspanne is opnieuw geen wederhoor toegepast. De artikelen lijken daardoor de beschadiging van zijn persoon te willen vergroten.
Voorts maakt klager er bezwaar tegen dat Schut in zijn privéleven wroet en rommelt met privacygevoelige informatie. Schut presenteert bronnen als veelzeggend, terwijl die in dit verband geen waarde hebben, zoals het hoofd van de secretariële afdeling Clinical Affairs – die niets te maken heeft met academische zaken – en het hoofd protocol van de USC, die een marketing functie heeft. Schut benaderde dus partijen die niet primair voor klagers aanstelling verantwoordelijk waren. Daarbij is opvallend dat hij niet CALTECH benaderde noch The Department of Medicine of die van Preventive Medicine (andere faculteiten van de Keck School of Medicine). De overige mensen die door Schut voor commentaar zijn aangezocht beschikken niet over inhoudelijke expertise aangaande het TreeGenes onderzoek. Zij lijken bovendien niet ervan op de hoogte te zijn dat het onderzoek al loopt sinds oktober 2017.
Klager betrekt nadrukkelijk ook de koppen van de artikelen in zijn klacht. Ondanks dat de kop van het artikel van 11 augustus “‘Pathologisch geval of gewoon fraudeur?’” een vraagteken bevat, is de suggestie helder. Het betreft een beschuldiging van fraude, wat een misdrijf is. Daarnaast is de duiding ‘pathologisch geval’ een algemene verwijzing naar ziekte(s). Deze fnuikende verdachtmakingen berusten niet op feiten en kunnen ook niet worden waargemaakt. De titel van het tweede artikel “Joods Nederland reageert geschokt” suggereert ten onrechte dat breed onderzoek onder Nederlandse Joden is gedaan. Het NIW is in Joods Nederland weliswaar het enige weekblad, maar het is daarom niet de spreekbuis voor (alle) Nederlandse Joden. De titel is zowel suggestief als onjuist, aldus klager.
Ten slotte maakt hij bezwaar tegen de Twitter-berichten van Schut. De berichten zijn beledigend en inhoudelijk onwaar. Het tweede bericht is bovendien een zogenaamde ‘popcorn-tweet’, die er in moderne mediataal op duidt dat je te maken hebt met een abject individu. Volgens klager vergroten de berichten bewust de aantijgingen en verdachtmakingen, en dus ook de schade.
Klager heeft zijn standpunten uitvoerig toegelicht en wijst er nog op dat er adhesiebetuigingen en bewijzen omtrent zijn wetenschappelijke prestaties aan de redactie van het NIW zijn gestuurd, maar dat die niet zijn geplaatst.

Schut en het NIW stellen hier – eveneens samengevat – allereerst tegenover dat zij klager herhaaldelijk hebben benaderd om hem de gelegenheid te geven de geuite beschuldigingen te weerleggen. Klager is daartoe vóór de publicatie van 11 augustus 2018 de mogelijkheid geboden en ook nog diverse keren daarna. Hij is echter niet op die uitnodigingen ingegaan en heeft categorisch geweigerd om zijn kant van het verhaal te geven. Na de extra aansporing van Schut – in zijn tweede e-mail van 25 juli – had klager twee weken de tijd om zijn ‘geen commentaar’ om te zetten in een wederhoor waarin hij zijn kant van de zaak had kunnen uitleggen, maar dat heeft hij niet gedaan. Schut en het NIW wijzen erop dat klager beschikt over de werk- en privémailadressen en het telefoonnummer van Schut. Hij heeft echter op geen enkel moment contact met Schut opgenomen, iets wat hij in het verleden zelfs ongevraagd deed. Wel heeft hij hoofdredacteur Voet benaderd, die hem gelegenheid bood zijn kant van de zaak te geven en bewijzen van zijn ‘hoogleraarschap’ voor te leggen opdat deze in het NIW afgedrukt konden worden. Klager heeft daarop niet inhoudelijk gereageerd.
Voorts betwisten Schut en het NIW dat zij geen onderzoek hebben verricht en dat hun bronnen niet betrouwbaar zijn of onvoldoende expertise hebben. Schut heeft onderzoek gedaan naar het waarheidsgehalte van de aantijgingen dat klager geen hoogleraar zou zijn. Ook heeft hij met verschillende wetenschappelijke experts gesproken, onder wie een Leidse hoogleraar die met klager heeft samengewerkt, maar de samenwerking al voor de publicatie van 11 augustus 2018 had verbroken. Verder valt niet in te zien waarom de reactie van de Chief of Staff van de USC van generlei waarde is. Deze stuurde een uittreksel uit klagers werknemersverleden bij de USC mee, waaruit op geen enkele wijze een aanstelling als hoogleraar bij USC bleek. Na telefonisch onderhoud met tenminste drie medewerkers van de Keck School of Medicine, die geen van allen op de hoogte waren van klagers ‘hoogleraarschap’, volgde uiteindelijk een mail van de Home Department Coordinator die na onderzoek bevestigde geen enkele aanwijzing te hebben dat klager ooit als hoogleraar bij Keck heeft gewerkt. Overigens staan de drie personen die met hun zorgen bij het NIW aanklopten, nog steeds volledig achter hun woorden zoals die in de publicatie zijn weergegeven. Op de zitting betwist Schut nog uitdrukkelijk dat klager in het kader van het artikel van januari 2017 heeft verzocht de aanduiding ‘hoogleraar’ te wijzigen in ‘professor’.
Ten aanzien van de koppen van de artikelen wijzen Schut en het NIW erop dat de kop “‘Pathologisch geval of gewoon fraudeur?’” een citaat betreft, wat duidelijk blijkt uit het gebruik van aanhalingstekens, waarbij bovendien een vraagteken is geplaatst. Op geen enkel moment wordt klager door Schut van fraude beschuldigd. De aantijgingen zijn afkomstig van derden en hun beschuldigingen zijn voor zover mogelijk onderzocht. Of klager ‘een pathologisch geval’ is, is een vraag die wordt gesteld door een van de geïnterviewden.
Verder is niet juist dat de kop “Joods Nederland reageert geschokt” suggereert dat breed onderzoek onder Nederlandse Joden is gedaan. Wel heeft de redactie een groot aantal bezorgde reacties ontvangen en als Joods weekblad heeft het NIW de nodige feeling binnen de gemeenschap. Daaruit bleek dat sprake was van grote ophef en bezorgdheid bij diverse lezers die deelnemer waren geweest aan klagers onderzoek. Door niet daarover te berichten zou het NIW ernstig tekort zijn geschoten als Nederlands enige Joodse nieuws- en opinietijdschrift.
Met betrekking tot het verwijt van ‘karaktermoord’ verwijzen Schut en het NIW naar het eerste artikel dat zij eind januari 2017 over klager publiceerden. Zij zijn nog steeds van mening dat een goed onderbouwd, wetenschappelijk verantwoord onderzoek naar de epi-genetische vragen heel belangrijk is. Klager was destijds zeer ingenomen met dat oorspronkelijke artikel, zoals blijkt uit zijn reactie: “Beste Bart, mijn complimenten. Wat een duidelijk stuk zeg! Wow...”, en zijn beslissing om tot op de dag vandaag op de TreeGenes-website naar dat artikel te verwijzen .
Ten slotte merken Schut en het NIW op dat de uitnodiging aan de klager om alsnog zijn kant van het verhaal te laten horen, nog steeds openstaat.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat media in een democratische samenleving een belangrijke rol hebben – als ‘publieke waakhond’ – om misstanden aan de kaak te stellen. Het is dan ook zeker maatschappelijk relevant om onderzoek te verrichten naar c.q. te berichten over (mogelijk) onoorbaar handelen van klager als wetenschappelijk onderzoeker.

Schut en het NIW hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat er aanleiding bestond om over klager te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan. De berichtgeving is gebaseerd op een groot aantal bronnen, waarbij naast enkele bronnen met een subjectief karakter ook diverse onafhankelijke bronnen zijn geraadpleegd. De bronnen zijn in de artikelen inzichtelijk gemaakt, waarbij is vermeld hoe zij in relatie staan tot klager, zodat de lezer de informatie op waarde kan schatten.

Ten aanzien van de koppen overweegt de Raad dat het journalistiek gebruikelijk is dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. Daarmee worden de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel, maar daarvan is hier geen sprake.
De titel van het artikel van 11 augustus 2018 “‘Pathologisch geval of gewoon fraudeur?’” is duidelijk als citaat weergegeven en bovendien in vragende vorm gesteld. Uit het artikel blijkt genoegzaam dat de kop een parafrase behelst van het citaat van Abram: Maar ik weet nog steeds niet of Barth een pathologisch leugenaar is of gewoon een fraudeur.” Gesteld noch gebleken is dat Abram die uitspraak niet heeft gedaan.
Ook de kop “Joods Nederland reageert geschokt” wordt voldoende onderbouwd in het artikel. Anders dan klager vindt de Raad niet dat daarvan de onjuiste suggestie uitgaat dat Schut en het NIW een breed onderzoek onder Nederlandse Joden hebben verricht.

Verder staat niet ter discussie dat Schut klager op 25 juli 2018 – dus ruim voor de publicatie van 11 augustus 2018 – heeft benaderd voor wederhoor. Na de korte afwijzende reactie van klager heeft Schut hem zelfs nog bericht ervoor open te staan als klager van gedachten zou veranderen en alsnog wilde reageren. Het had op de weg van klager gelegen om adequaat gebruik te maken van de hem geboden mogelijkheden om zijn visie op de kwestie te geven en daarmee de voorgenomen berichtgeving te nuanceren.
Daarbij merkt de Raad op dat indien aan een betrokkene om een reactie wordt gevraagd, die betrokkene niet steeds vooraf volledig behoeft te worden geïnformeerd over de inhoud van de publicatie. Volstaan kan worden met aan betrokkene voldoende duidelijk mee te delen, waarop het te geven commentaar betrekking moet hebben. Daarbij is de mate waarin een journalist opening van zaken moet geven afhankelijk van de aard van het te publiceren bericht.
Voor zover klager niet duidelijk was wie Schut bedoelde met de ‘zwaargewichten’ had hij ter zake om opheldering kunnen vragen. In ieder geval bleek uit de eerste e-mail van Schut voldoende duidelijk dat het om ernstige aantijgingen ging, die klager in diskrediet konden brengen.
Verder overweegt de Raad dat de lezingen van partijen ten aanzien van de gang van zaken rond de publicatie van januari 2017 lijnrecht tegenover elkaar staan. De Raad kan niet vaststellen welke lezing juist is. Voor zover destijds de aanduiding ‘hoogleraar’ door klager zelf ter discussie zou zijn gesteld, had dat hem er niet van behoren te weerhouden om anderhalf jaar later aantijgingen van derden op dat punt inhoudelijk te weerleggen.
Dat klager heeft volstaan met zijn eerste reactie “Geen commentaar.” en daarop – ondanks de uitnodiging van Schut daartoe – niet is teruggekomen, komt voor zijn rekening.
Vervolgens is in het artikel van 17 augustus 2018 klagers visie op de kwestie, aan Schut en het NIW kenbaar geworden uit een reactie van klager aan derden, verwerkt. Voor de lezer is duidelijk dat klager de aantijgingen aan zijn adres weerspreekt.

Ten slotte bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat Schut op ontoelaatbare wijze op zijn Twitter-account naar de publicaties heeft verwezen. In de berichten heeft Schut zich niet zodanig grievend of tendentieus over de kwestie uitgelaten, dat hij daarmee journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.

Een en ander leidt tot de conclusie dat Schut en het NIW journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en B.3
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2018/24 en RvdJ 2011/8

CONCLUSIE

B. Schut en het Nieuw Israëlietisch Weekblad hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 14 maart 2019 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, L.A.M.M. Donders, mw. A. Karadarevic, mw. drs. M.M. Klaassen en A. Olgun, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.