2018/46 onzorgvuldig

Samenvatting

W. Groeneveld, Sikkom.nl en NDC Mediagroep B.V. (gezamenlijk: Sikkom) hebben in de artikelen “Trap niet in de verhuurkosten van Mijn Huisbaas Groningen” en “Rijdende Rechter komt naar 050 en zoekt conflicten – iemand problemen met zijn huisbaas of verhuurmakelaar?”, en in (Facebook)reacties op journalistiek onzorgvuldige wijze bericht over E.G.J. van Wieren, Noorderveste B.V. en V.O.F. Makelaardij Van Wieren (klagers). Sikkom heeft met grote stelligheid als feit gepresenteerd dat klagers zich (bewust) niet aan wet- en regelgeving zouden houden en ten onrechte ‘verboden bemiddelingskosten’ bij huurders in rekening brengen. Hiervoor bestaat onvoldoende grondslag. Daarbij komt dat de uitleg van klagers onvoldoende is weergegeven en laatdunkend is afgedaan als ‘blablabla’. Voorts zijn citaten van Van Wieren zodanig geparafraseerd, dat daarmee op onheuse wijze de negatieve beeldvorming over klagers is versterkt. Sikkom had de beschuldigingen aan het adres van klagers minder stellig behoren te brengen en terughoudender over klagers moeten berichten, en heeft dat ten onrechte niet gedaan.  De Raad doet de aanbeveling aan Sikkom.nl om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

E.G.J. van Wieren, Noorderveste B.V. en V.O.F. Makelaardij Van Wieren

tegen

W. Groeneveld, journalist en hoofdredacteur van Sikkom.nl, en NDC Mediagroep B.V.

De heer mr. G. Benes, advocaat te Assen, heeft op 14 mei 2018 namens de heer E.G.J. van Wieren, Noorderveste B.V. en V.O.F. Makelaardij Van Wieren (klagers) een klacht ingediend tegen de heer W. Groeneveld, journalist en hoofdredacteur van Sikkom.nl, en NDC Mediagroep B.V. (hierna gezamenlijk: Sikkom). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klagers en Sikkom betrokken van 26 juni 2018 en van 28 augustus 2018.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 31 augustus 2018. Aan de zijde van klagers zijn daar de heren Van Wieren en mr. Benes verschenen. Namens Sikkom waren de heren Groeneveld en mr. P. Wolters, bedrijfsjurist NDC Mediagroep, aanwezig. Mr. Benes heeft het standpunt van klager toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.

Een van de leden van de Raad was verhinderd. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

Op 15 november 2017 is op de website Sikkom.nl een artikel van de hand van Groeneveld verschenen met de kop “Trap niet in de verhuurkosten van Mijn Huisbaas Groningen”.
De intro van het artikel luidt:
“Bijna tweehonderd euro huurkosten verlangt Van Wieren Makelaardij (Mijn Huisbaas Groningen) van studenten die een kamer via hem huren. Mag niet, zeggen vele juristen en wij ook. Mag wel, zegt van Wieren want blablablabla. Na uitvoerig het blablablabla van de makelaar te hebben onderzocht, stellen we met nog meer zekerheid: “Van Wieren bedondert woningzoekenden.””
Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Via Facebook en zijn website biedt Van Wieren kamers aan. Als je daarop reageert, word je uitgenodigd voor een hospiteeravond en met een beetje geluk ben jij een paar dagen later de gelukkige nieuwe huurder. Alleen nog wat formaliteiten, zoals het contract ondertekenen. Met daarin de bepaling dat je naast de huur en de borg 195 euro huurkosten moet aftikken aan Van Wieren. Is voor het rondleiden van aspirant-huurders en het opstellen van het contract. Daarover krijgen we meerdere vragen en klachten. Huurders betwijfelen of Van Wieren die kosten wel in rekening mag brengen, of dat het gaat om verboden bemiddelingskosten.”
en
“Lijkt inderdaad of Van Wieren redelijke huurkosten in rekening mag brengen voor bijvoorbeeld het hospiteren. Maarrrrrrr Van Wieren is niet de verhuurder. Hij is de beheermakelaar die in opdracht van verhuurders woningen verhuurt. Daar gelden compleet andere regels voor dan voor de verhuurder. Dat komt omdat verhuurder en huurder tegenpolen van elkaar zijn. Als daar een makelaar tussenzit, mag die niet beide partijen dienen. Je kunt geen twee partijen vertegenwoordigen die van nature met elkaar in conflict staan. Dat zou oneigenlijke belangenverstrengeling zijn. Vandaar dat de Hoge Raad in oktober 2015 heeft uitgesproken dat de tussen-makelaar aan het werk is voor de verhuurder en dat alle kosten die worden gemaakt voor de verhuur, daar in rekening moeten worden gebracht. Daarvoor gold dat al voor zelfstandige woonruimtes, sinds de uitspraak van de Hoge Raad gaat dat ook op voor kamers. Ondanks de uitspraak van de Hoge Raad legt Van Wieren de factuur bij de huurder neer. Reden om hem uit te nodigen voor een gesprek. Maar dat komt niet zomaar van de grond. Na het eerste verzoek voor een interview schrijft Van Wieren een post op Facebook gericht aan ons, waarin hij weer met hetzelfde linkje van de Rijksoverheid aankomt om zijn handelen te vergoelijken.”
en
“Vastgoedpro is de brancheorganisatie waar Van Wieren bij is aangesloten. De woordvoerder weet ons direct te vertellen dat de handelswijze van Van Wieren niet klopt. Het zijn inderdaad verboden bemiddelingskosten, althans verboden om bij de huurder neer te leggen.”
en
“Ook de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM) bevestigt onze lezing. Net zoals onze juristen, de Woonbond, het Juridisch Loket en de Huurcommissie. De verhuurkosten mag Van Wieren niet in rekening brengen bij de huurder, omdat hij tussenpartij is en werkt voor de verhuurder.”
en
“Tijdens het gesprek wordt snel duidelijk dat Van Wieren bij zijn standpunt blijft. En ook hij heeft zich voorbereid. In zijn koffer zitten verschillende uitspraken van de rechter die zijn gelijk moeten onderstrepen. Gaandeweg het gesprek kunnen we echter één voor één de voorbeelden wegbonjouren, omdat die van toepassing zijn op verhuurders in plaats van makelaars. Of omdat het uitspraken zijn van voor de invoering van de nieuwe wet. De stapel argumenten slinkt gaandeweg nog tot een paar dooddoeners. Zoals: “Wat jullie zeggen is maar een mening.” Dat klopt, maar wel eentje die gestaafd wordt door vele advocaten en belangenorganisaties. En waar inmiddels de nodige jurisprudentie over is. En: “Ik ben maar een kleine speler, waarom ik?” Dat is een beetje een vals argument, groot of klein, fout is fout. En op zijn eigen website schrijft Van Wieren: “Noorderveste B.V. is een middelgrote vastgoedbeheerder in de stad Groningen.” Uiteindelijk is hospiteren het enige argument dat overeind blijft.”
Het slot van het artikel luidt:
“Heb je Van Wieren na 17 oktober 2015 (uitspraak Hoge Raad) 195 euro huurkosten betaald? Dan kun je deze terugvorderen via het invullen en opsturen van deze brief (onder kopje Voorbeeldbrief Terugvordering bemiddelingskosten).”

Onder de publicatie heeft Van Wieren de volgende reactie geplaatst (waarbij spel- of typefouten zijn hersteld):
“Beste Willem Groeneveld en Freek, we hebben afgelopen maandag ruim een uur gesproken.  Wij zijn van mening dat wij een geheel andere kwaliteit van verhuren bieden dan menig andere verhuurmakelaar. Dat is ook waar ik maandag steeds op hamerde en ik vind het spijtig dat jouw samenvatting daarvan ‘blablabla’ is. Daarmee doe je naar mijn mening geen recht aan hoe het werkelijk is. Wij hebben bij onze verhuur niet het uitgangspunt om huurders te bedonderen, en ook nooit gehad. Discussiepunt was maandag telkens of wij geld mogen vragen voor de hospiteeravond. Wij zien de hospiteeravond als een kwaliteit. Zittende huurders krijgen gelegenheid om nieuwe huurders te kiezen. Het hospiteren en organiseren daarvan vergt het meeste tijd van wat wij doen bij een kamerwisseling. De eigenaar heeft geen wettelijke verplichting om zittende huurders te betrekken in hun toekomstige huisgenoot en ook is aan de orde gekomen dat als jouw interpretatie klopt, dat dan onze kwaliteit, het hospiteren komt te vervallen. De eigenaar gaat namelijk niet betalen voor iets wat niet hoeft. De ‘nieuwe’ wetgeving die je aanhaalt zou dan in de praktijk op dit punt in het nadeel werken van de huurder. Naar mijn mening wordt dán juist het belang van de huurder geschaad, meer dan nu door het betalen van €195,-. En nogmaals ook. De €195,- minus BTW en minus vennootschapsbelasting blijft circa €120 over van de verhuurkosten. Als je daar de personeelskosten van afhaalt blijft er nauwelijks iets over om huurders mee te ‘bedonderen’. Als we hadden willen bedonderen dan hadden we beter 1 maand huur of meer kunnen vragen. Maar dat is nooit onze intentie geweest. Onze intentie is kwalitatief goede verhuur te geven.”
Hierop is onder de naam Sikkom een antwoord geplaatst dat begint als volgt:
“Wet overtreden en huurders onterecht 195 euro laten dokken, is de boel bedonderen. Iets anders kunnen we er niet van maken.(…)”

Vervolgens is op 16 januari 2018 op Sikkom.nl een artikel verschenen, eveneens van de hand van Groeneveld, met de kop “Rijdende Rechter komt naar 050 en zoekt conflicten – iemand problemen met zijn huisbaas of verhuurmakelaar?” Het artikel luidt verder:
“Persbericht in de inbox: mr. John Reid komt voor zijn programma De Rijdende Rechter naar Groningen. Hij zoekt nog een aantal Groningse conflicten die hij kan behandelen in de uitzending. Daarom: misschien een idee om je huisbaas of huurbemiddelaar te dagen voor de Rijdende Rechter.
Wij krijgen met behoorlijke regelmaat van studenten te horen dat ze zijn verneukt door de huurbaas of het bemiddelingsbedrijf, maar dat ze voor het geld dat ze gelapt hebben niet naar de rechter stappen. Vaak gaat het om bedragen van een paar tientjes tot een paar honderd euro aan bemiddelingskosten bijvoorbeeld terwijl een eventuele rechtszaak snel in de papieren gaat lopen, ook als je wint.
Daarom kan de Rijdende Rechter allicht uitkomst bieden. Punt is wel dat beide partijen ermee moeten instemmen. Maar we weten van een aantal verhuurders en makelaars dat ze dat wel willen. Zo heeft Van Wieren van Mijn Huisbaas Groningen meermalen aangegeven open te staan voor een gang naar de Rijdende Rechter. Probleem is alleen: wij zijn niet gedupeerd en kunnen dus niet naar de rechter stappen.
Maar jij wel, mits je ten onrechte bijvoorbeeld bemiddelingskosten of huurkosten hebt betaald aan de makelaar voor een kamer. Want dat mag niet. En eerlijk: we wachten met smart op meer uitspraken in deze gevallen, omdat de foute verhuurders en bemiddelaars net zolang doorgaan tot er in hun specifieke geval een uitspraak wordt gedaan door de rechter.
Daarom, bijna een soort verzoek van ons, meld je conflict aan bij de Rijdende Rechter. Dan hebben wij ook weer wat meer handvatten om dubieuze verhuurders en bemiddelaars aan te pakken. Aanmelden kan via de site van De Rijdende Rechter: www.rijdenderechter.kro-ncrv.nl”

Ten slotte hebben Groeneveld en journalist Niemeijer zich – mede onder de naam ‘Sikkom’ – op 9 februari 2018 gemengd in een openbare discussie op Facebook tussen klagers en huurders. Zij hebben onder meer het volgende geschreven:
 “Zolang jij de boel bedondert door bemiddelingskosten in rekening te brengen bij huurders, zolang blijven wij erover schrijven.”
en
“Misstanden waar onze doelgroep de dupe van is, zullen we namelijk altijd aan de kaak stellen. Dat zien we als onze journalistieke en bijna morele plicht.”
en
“Voor hier sluiten we het gesprek af. We zien de antwoorden op onze vragen graag binnenkomen, zodat we onze plicht tot wederhoor hebben volbracht. Kunnen we daarna het vervolgverhaal over de verboden bemiddelingskosten waarmee Mijn Huisbaas huurders bedondert publiceren.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers voeren – samengevat – aan dat de publicatie van 15 november 2017 onjuist, tendentieus en diffamerend is. Zij worden ten onrechte ervan beschuldigd te handelen in strijd met de wet door op te treden als ‘tussen-makelaar’ en verboden bemiddelingskosten in rekening te brengen aan huurders. In dat verband is in het artikel verwezen naar een arrest van de Hoge Raad, dat betrekking heeft op artikel 7:417 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit wetsartikel bevat bepalingen over lasthebbers die zowel optreden voor de verhuurder als voor de consument-huurder (het dienen van twee heren) en is – net als het arrest van de Hoge Raad –  niet van toepassing op de werkwijze van klagers. Zij treden namelijk niet (ook) op voor huurders, maar alleen als gevolmachtigde van de verhuurder. Namens de verhuurder verrichten zij diverse werkzaamheden, waaronder het organiseren en uitvoeren van een hospiteermoment en het opmaken van het huurcontract. Klagers factureren deze werkzaamheden aan de verhuurder (€ 195,00 met en € 150,00 zonder hospiteermoment). De verhuurder komt met de huurder overeen, dat deze dit bedrag aan de verhuurder vergoedt. Het gaat hier om een vergoeding van kosten die gepaard gaan met het aangaan van de huurovereenkomst (verhuurkosten) en niet om ‘verboden bemiddelingskosten’. Dit wordt door Sikkom ten onrechte miskend. Tegenwoordig betalen huurders de verhuurkosten aan de verhuurder zelf. Voorheen kwam het ook wel voor dat klagers de verhuurkosten namens de verhuurder in ontvangst namen. Dat doet aan het voorgaande echter niet af. Het in ontvangst nemen van betalingen, valt onder de werking van de volmacht. Op de zitting voegt Van Wieren hieraan toe dat hij gemachtigd is om namens de verhuurder alle gelden te innen en dat hij geen bemiddelingsovereenkomst heeft met de potentiële huurders.
Verder vinden klagers dat de toon – door het gebruik van termen als ‘bedonderen’ en ‘verboden’ – onnodig grievend is. Ten onrechte wordt de suggestie gewekt dat hun handelwijze strafbaar is. Bovendien zijn hun serieuze en onderbouwde tegenwerpingen op een onnodig grievende toon afgedaan, zonder dat de inhoud daarvan deugdelijk is weergegeven. In dit verband wijzen klagers erop dat Van Wieren en Groeneveld voorafgaand aan de publicatie diverse malen contact hebben gehad. Eind september heeft Groeneveld via Facebook gevraagd waarom aan de huurder van een kamer € 195,00 verhuurkosten in rekening wordt gebracht. Daarop gaf Van Wieren een uitgebreid en gemotiveerd antwoord. Vervolgens antwoordde Groeneveld: "Hoi Eildert, klinkt als een plausibel verhaal. Dus ik denk dat we het hierbij laten :-)”. Op 13 november 2017 heeft nog een uitgebreid gesprek plaatsgevonden, waarin uitvoerig en serieus is ingegaan op de (juridische) achtergronden van de handelwijze van klagers.
Zij menen voorts dat een ongefundeerd beroep is gedaan op ‘autoriteiten’, die de lezing van Sikkom zouden ondersteunen. De visie van de genoemde instanties is uiteindelijk niet doorslaggevend. Daarbij komt dat de instanties informatie geven over bemiddelingskosten, en daarvan is bij klagers geen sprake. Bovendien hebben de instanties zich niet uitgelaten over de handelwijze van klagers.
Uit correspondentie tussen klagers enerzijds en Vastgoedpro en de Nederlandse Vereniging van Makelaars anderzijds blijkt niet dat instanties de visie van Sikkom hebben bevestigd.
Klagers voeren verder aan dat Van Wieren verkeerd is aangehaald in het citaat “Ik ben maar een kleine speler, waarom ik?”. In het gesprek van 13 november 2017 heeft hij meegedeeld dat huurders bij hem geen ongelijkwaardige positie hebben, omdat klagers geen groot marktaandeel hebben in de Groningse verhuurmarkt. Van Wieren heeft letterlijk gezegd: “Wij hebben maar 7 woningen, 7 kamers per maand, ja dus we zijn een kleine speler. (…)” Het onjuiste citaat is bovendien tendentieus, omdat het ten onrechte suggereert dat klagers een oneigenlijk verweer hebben gevoerd.
Ten aanzien van dit artikel maken klagers ten slotte bezwaar tegen de oproep op aan het eind ervan, om betaalde huurkosten terug te vorderen.
In een uitgebreid gesprek van 12 januari 2018 hebben klagers hun bezwaren toegelicht en rectificatie verzocht. Hun bezwaren zijn echter niet door Sikkom onderkend en de voorgestelde rectificatie werd afgewezen.
Met betrekking tot de publicatie van 16 januari 2018 stellen klagers dat ook dit artikel onjuist, tendentieus en diffamerend is. Wederom wordt gesteld dat het in rekening brengen van (bemiddelings)kosten aan huurders niet mag, en worden klagers hiermee ten onrechte in verband gebracht. Bovendien is de gehanteerde toon opnieuw onnodig grievend. Van belang is ook dat klagers als enige verhuurpartij expliciet in de publicatie worden genoemd. Verder is in dit artikel ten onrechte vermeld dat klagers meermaals zouden hebben meegedeeld dat zij openstaan voor een gang naar De Rijdende Rechter. In het contact tussen Van Wieren en Groeneveld is De Rijdende Rechter slechts eenmaal ter sprake gekomen, te weten in het uitgebreide gesprek van 13 november 2017. Het gebeurde zeer kort en evident gekscherend. Groeneveld heeft klagers hierover niet nader bevraagd, hetgeen hij had moeten doen alvorens tot publicatie over te gaan. Dat geldt zeker nu een uitzending van De Rijdende Rechter grote (publicitaire) impact kan hebben. Ook ten aanzien van deze publicatie maken klagers bezwaar tegen de oproep die daarin door Sikkom is gedaan, in dit geval om zaken aan De Rijdende Rechter voor te leggen.
Ten slotte voeren klagers aan dat de openbare uitingen van 9 februari 2018 opnieuw onjuiste beschuldigingen aan het adres van klagers bevatten. Opnieuw is sprake van eenzijdige, tendentieuze communicatie en een onnodig grievende toon. De uitingen liggen in het verlengde van de publicaties van 15 november 2017 en 16 januari 2018, en komen daarmee inhoudelijk overeen.
Klagers concluderen dat Sikkom op meerdere vlakken en bij herhaling journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Ter ondersteuning van hun standpunten hebben zij onder meer verwezen naar het arrest van de Hoge Raad en de relevante wetteksten, en hebben zij geluidsfragmenten van het gesprek van 13 november 2017 overgelegd. Zij hebben hun visie op de kwestie uitvoerig mondeling toegelicht. Daarbij hebben klagers nog opgemerkt dat de publicaties van Sikkom hen ertoe hebben gedwongen om op hun website hun handelwijze te verdedigen. Daarvóór was dat niet aan de orde.

Sikkom stelt hier – eveneens samengevat – tegenover dat zij naar aanleiding van Kamervragen over het in rekening brengen van bemiddelingskosten aan de consument-huurder en de antwoorden daarop van de minister, de handelwijze van diverse makelaars en bemiddelaars in de stad Groningen heeft onderzocht. Zij heeft hieraan diverse artikelen gewijd, onder meer over klagers. Na haar publicaties zijn over dit onderwerp vragen gesteld in de gemeenteraad van de Gemeente Groningen. De uitingen die zij heeft gedaan, vinden voldoende steun in de beschikbare feiten. Na het eerste contact met Van Wieren in september 2017 heeft Groeneveld nadere informatie gekregen, reden waarom hij Van Wieren uitnodigde om zijn werkwijze nogmaals uit te leggen. Tijdens het gesprek op 13 november is Van Wieren geconfronteerd met de bevindingen van het onderzoek en de opvattingen van een aantal gerespecteerde partijen. Vervolgens is het artikel van 15 november 2017 gepubliceerd met als doel potentiële huurders te waarschuwen voor de wijze waarop klagers zogenaamde bemiddelingskosten in rekening brachten. Door klagers wordt veel aandacht besteed aan de uitleg van het arrest van de Hoge Raad van oktober 2015 en de uitleg van artikel 7:417 BW. Hoewel Sikkom meent dat de Raad inhoudelijk hierover geen uitspraak kan doen nu het een juridische uitleg betreft, wenst zij toch op een paar punten in te gaan. Zo schrijven klagers nu ineens dat zij zouden hebben gehandeld of nog handelen op basis van lastgeving. Groeneveld heeft pas voor het eerst van dit standpunt vernomen op 12 februari 2018, toen klagers op hun eigen website de kritiek van Sikkom hebben geprobeerd te weerleggen. Gedurende de periode dat Sikkom het handelen van klagers heeft onderzocht, hebben klagers zich naar buiten toe niet als een lasthebber gedragen of zich als zodanig aan potentiële huurders voorgesteld. Klagers hebben niet weersproken dat zij tot aan de publicaties van Sikkom hun werkzaamheden rechtstreeks factureerden aan de huurder die uiteindelijk de woning door de verhuurder kreeg toegewezen. Sikkom kon en mocht op dat moment aannemen dat klagers zich als bemiddelaars opstelden en dat er voor de buitenwereld sprake was van de situatie van ‘twee heren dienen’, zoals door Sikkom is weergegeven. Klagers hebben voldoende gelegenheid gekregen om hun standpunt kenbaar te maken. Zij hebben toen steeds laten weten dat Sikkom van een onjuiste interpretatie van het arrest van de Hoge Raad zou uitgaan. Maar ook al zou de gekozen constructie wel kenbaar zijn geweest, dan nog had Sikkom hierover mogen schrijven. Het is aan Sikkom om jongeren erover te informeren dat een aantal verhuurders – al of niet door tussenkomst van een bemiddelaar, lastgever of welke constructie dan ook – kosten in rekening brengt, die in de rechtspraak en politiek tot vragen en procedures hebben geleid. Sikkom heeft over een zeer relevant maatschappelijk probleem geschreven met taalgebruik dat aansluit bij de doelgroep, ten einde de jongeren te bedienen met journalistiek verantwoorde informatie. Op de zitting voegt Groeneveld hieraan desgevraagd toe dat hij het gebruik van de term ‘oplichting’ gerechtvaardigd vindt, omdat sprake is van bewust misleiden c.q. achterhouden van informatie.
Daarbij heeft Sikkom wel degelijk een juist beroep op autoriteiten gedaan. Het gaat niet alleen om informatie van organisaties van verhuurders en makelaars, maar ook om informatie van de Woonbond en het Juridisch Loket; organisaties die door Sikkom en de samenleving als autoriteiten worden gezien en waarop mag worden afgegaan. Op de zitting heeft Groeneveld hieraan toegevoegd dat Vastgoedpro en de NVM in algemene zin het in rekening brengen van bemiddelingskosten laakbaar hebben genoemd.
Verder wijst Sikkom op de beantwoording van de Kamervragen door de toenmalig minister, die liet weten het van belang te vinden dat huurders worden geïnformeerd over hun rechten. Het informeren van jongeren over niet toegestane bemiddelingskosten is nu juist dat wat Sikkom met haar berichtgeving heeft beoogd.
Volgens Sikkom blijkt uit het standpunt van klagers dat Van Wieren wel degelijk in het gesprek van 13 november 2017 heeft gezegd dat klagers ‘een kleine speler’ zijn. Later in dat gesprek heeft hij nog gezegd: “Waarom pak je de grotere bedrijven niet aan?” Het citaat is derhalve een samenvatting van de strekking van de reactie van Van Wieren. Ook in het gesprek op 12 januari 2018 heeft hij een soortgelijke opmerking gemaakt. Tijdens dit gesprek is aan Van Wieren aangeboden een verklaring aan te leveren die Sikkom op haar site zou plaatsen. Wel heeft Sikkom daarbij gemeld zich vrij te voelen om die verklaring van commentaar te voorzien. Ook is inhoudelijk ingaan op de juridische onderbouwing van de werkwijze van klagers. Blijkbaar hebben zij na dit gesprek ingezien dat hun werkwijze tot dan toe niet conform de wet- en regelgeving was, want vrij snel daarna hebben zij op hun eigen website een uitgebreide uitleg gegeven van hun handelwijze. Dit gesprek gaf geen aanleiding tot rectificatie.
Naar aanleiding van een bericht over een mogelijke komst van het televisieprogramma De Rijdende Rechter heeft Sikkom nog eenmaal over klagers bericht. Volgens klagers zou Van Wieren ook in het artikel van 16 januari 2018 onjuist zijn geciteerd. Dit is onbegrijpelijk omdat zij zelf aanvoeren, dat Van Wieren de quote wel degelijk heeft gebezigd. Zij zeggen nu dat Groeneveld dit als een grap had moeten opvatten. Gelet op de toonzetting van de gesprekken, die zeker na eerdere contacten van de zijde van Van Wieren wat scherper was geworden, heeft Groeneveld dat niet gedaan. Gelet op het feit dat tijdens het gesprek op 12 januari 2018 door klagers de gang naar de rechter als optie werd geopperd indien Sikkom niet zou ingaan op het verzoek tot rectificatie, kwam de uitspraak van Van Wieren Groeneveld niet als onwerkelijk over. Het paste in het eerder ingenomen standpunt van Van Wieren dat hij het geschil wilde voorleggen aan de rechter of aan de Raad.
Op 9 februari 2018 hebben Van Wieren en Groeneveld via Facebook diverse berichten uitgewisseld. In dat kader zijn ook de uitingen van Van Wieren en vooral die van volgers van Sikkom relevant; in de context is het te begrijpen dat er zijdens Sikkom is gereageerd op de wijze zoals is gedaan. Bovendien heeft Sikkom zelf de discussie gestaakt, toen deze uit de hand dreigde te lopen. Van een verdere publicatie heeft Sikkom afgezien, omdat haar publiek voldoende was geïnformeerd.
Ten slotte betwist Sikkom dat zij met haar berichtgeving incidenten heeft uitgelokt.
Sikkom concludeert dat haar werkwijze overeenkomstig de Leidraad van de Raad is geweest.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat de berichtgeving ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klagers bevat, waarbij een onnodig grievende toon is gebezigd en klagers (in de persoon van Van Wieren) onjuist zijn geciteerd. De Raad zal zich tot deze kern beperken en daarbij de gewraakte berichtgeving in onderlinge samenhang beoordelen.

In de berichtgeving is aan de orde gesteld dat klagers bij huurders kosten in rekening brengen die vallen onder ‘verboden bemiddelingskosten’ zoals bedoeld in artikel 7:417 lid 4 BW (in verbinding met artikel 7:427 BW) en zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3099).
De Raad stelt voorop dat het maatschappelijk relevant en geboden kan zijn om journalistiek onderzoek daarnaar te verrichten. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.

Klagers hebben gemotiveerd aangevoerd dat geen sprake is van ‘verboden bemiddelingskosten’, maar van (toelaatbare) huurkosten, hetgeen zij voorafgaand aan de eerste publicatie van 15 november 2017 uitvoerig aan Sikkom hebben uitgelegd.
 
Niettemin heeft Sikkom in haar berichtgeving met grote stelligheid als feit gepresenteerd dat klagers zich (bewust) niet aan de hiervoor bedoelde wet- en regelgeving zouden houden en ten onrechte bemiddelingskosten bij huurders in rekening brengen. Hiermee is sprake van een zodanige diskwalificatie van klagers dat Sikkom dit niet zonder deugdelijke grondslag en toepassing van wederhoor had mogen publiceren.

Ter ondersteuning van haar visie op de handelwijze van klagers heeft Sikkom in haar berichtgeving herhaaldelijk verwezen naar het arrest van de Hoge Raad. Van belang is dat klagers niet in die procedure waren betrokken, zodat uit dat arrest niet zonder meer kan worden afgeleid dat het handelen van klagers onrechtmatig is.
Verder heeft Sikkom zich weliswaar beroepen op diverse autoriteiten die haar standpunt zouden delen, maar genoegzaam is gebleken dat in ieder geval Vastgoedpro en de Nederlandse Vereniging van Makelaars zich niet specifiek hebben uitgelaten over de handelwijze van klagers. Daarnaast heeft Sikkom kennelijk juristen geraadpleegd die opkomen voor de belangen van studenten c.q. huurders en in dit verband niet (volledig) onpartijdig zijn.

Daarbij komt dat Sikkom de door klagers gegeven uitleg niet alleen onvoldoende heeft weergegeven, maar bovendien laatdunkend heeft afgedaan als ‘blablabla’. Voorts heeft Sikkom citaten van Van Wieren zodanig geparafraseerd – onder meer in de zin “Ik ben maar een kleine speler, waarom ik?” – dat daarmee op onheuse wijze de negatieve beeldvorming over klagers is versterkt.

Zoals Sikkom terecht heeft opgemerkt is het niet aan de Raad om zich inhoudelijk, en in ieder geval niet zonder voorbehoud, uit te spreken over de vraag of klagers al dan niet handelen overeenkomstig de wet, omdat dit een juridische uitleg betreft. Naar het oordeel van de Raad geldt dit evenzeer voor Sikkom.
Gezien het voorgaande had Sikkom de beschuldigingen aan het adres van klagers minder stellig behoren te brengen en terughoudender over klagers moeten berichten, en zij heeft dat ten onrechte niet gedaan.  Dit leidt tot de conclusie dat Groeneveld, Sikkom.nl en NDC Mediagroep journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en B.3
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2015/17 en RvdJ 2015/11

CONCLUSIE

W. Groeneveld, Sikkom.nl en NDC Mediagroep hebben journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

De Raad doet de aanbeveling aan Sikkom.nl om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 2 november 2018 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, dr. H.J. Evers, S. Kuijper en mw. L.M. van de Langenberg MSc, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.