2018/38 onbevoegd onzorgvuldig

Samenvatting

De Limburger heeft journalistiek onzorgvuldig gehandeld met de publicatie van het artikel “‘Verering Sally Walvis onjuist’”, dat op de voorpagina is aangekondigd met de tekst “Rehabilitatie Sally Walvis blijft omstreden”. Hoewel niet is gebleken dat de krant bewust de geplande rehabilitatieceremonie heeft willen frustreren, vond de publicatie plaats op een uiterst ongelukkig moment. Bovendien is het gebruik van de term ‘omstreden’ onjuist en onnodig grievend voor de heer drs. G.P. van der Vorst en mevrouw drs. B.B. Yazar-Walvis (klagers). Daarbij komt dat ten onrechte geen wederhoor is toegepast. De krant heeft dit laatste overigens erkend en daarvoor haar excuses aangeboden.
Verder vindt de Raad ook de afhandeling van de klacht onvoldoende zorgvuldig. Uitgangspunt is dat de redactie op passende wijze en zo snel mogelijk dient te rectificeren. Deze norm is niet beperkt tot het rechtzetten van feitelijke onjuistheden. In dit geval heeft Van der Vorst op voorstel van de redactie gereageerd in een ingezonden brief. Onder de gegeven omstandigheden had de redactie daarmee ruimhartiger moeten omgaan. Niet valt in te zien waarom de laatste versie van de brief niet is geplaatst.  
Voor zover de klacht zich richt tegen het hergebruik van een foto, acht de Raad zich onbevoegd over daarover te oordelen.
De Raad voor de Journalistiek doet de aanbeveling aan De Limburger deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

drs. G.P. van der Vorst en drs. B.B. Yazar-Walvis

tegen

de hoofdredacteur van De Limburger

De heer drs. G.P. van der Vorst en mevrouw drs. B.B. Yazar-Walvis (klagers) hebben op 26 april 2018 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Limburger. Bij de beoordeling van de klacht is ook de correspondentie van klagers en de heer B. Oostra, hoofdredacteur, betrokken van 24 en 28 mei 2018 en van 8, 11 en 12 juni 2018.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 15 juni 2018. Klagers zijn daar verschenen, vergezeld door mevrouw M.H. bij ’t Vuur, en hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van notities. Aan de zijde van De Limburger waren de heer R. Ophelders, redactiechef, en de heer D. de Hulster, verslaggever, aanwezig.

DE FEITEN

Op 24 maart 2018 is in De Limburger een artikel van de hand van A. Janssens verschenen met de kop “Sally Walvis was geen verrader”. De intro van het artikel luidt:
“Salomon Walvis. Dat is de joodse verrader die tijdens de Tweede Wereldoorlog is doodgeschoten. Al 74 jaar wordt dit in Horst gezegd. Maar het is niet waar. Walvis was een verzetsman. Het comité 4 mei Horst zal op 10 april zijn naam zuiveren.”
 In de artikel staat onder meer de volgende passage:
“Een joodse verzetsman die ten onrechte voor een verrader wordt aangezien en die door het Limburgse verzet wordt doodgeschoten. Dat is het tragische lot van Salomon Walvis. Op 15 juli 1944 wordt Walvis op een landweg tussen Horst en Grubbenvorst door een lid van de Raad Van Verzet (RVV) in Zuid-Limburg door het hoofd geschoten. Twee RVV’ers zijn speciaal voor deze liquidatie met de boemeltrein vanuit het zuiden naar Venlo gereden en van daaruit naar Horst gefietst. De 28-jarige Walvis wordt met een smoes weggelokt bij zijn vrouw Rientje. Als hij Horst uit loopt, denkt Salomon dat hij naar een nieuw onderduikadres in Grubbenvorst gaat kijken en dat het verzet nieuwe, valse papieren voor hem en zijn vrouw zal regelen. Onderweg stoppen ze bij een bosje. Daar staan twee mannen. Een schot. Paniek. Als Walvis dood op de grond ligt, nemen de RVV’ers alles mee wat hij bij zich draagt. Geld - Walvis moet 5000 tot 8000 gulden bij zich hebben gehad - en papieren. Al snel blijkt dat de geliquideerde man belangrijk anti-Duits spionagemateriaal bij zich heeft gehad. Het gaat om documenten over de productie en opslag van onderdelen van V1-bommen in Amsterdam. Dat Walvis over die documenten beschikte, is niet vreemd, zegt Gerrit van der Vorst die vijf jaar onderzoek heeft gedaan naar de liquidatie van deze joodse onderduiker.”

Vervolgens is op 5 april 2018 in De Limburger een artikel van de hand van Hulster verschenen met de kop “‘Verering Sally Walvis onjuist’”. De publicatie is op de voorpagina van de krant aangekondigd met de tekst “Rehabilitatie Sally Walvis blijft omstreden”. Het artikel luidt verder:
“Grote moeite met de rehabilitatie van de joodse onderduiker Sally Walvis in Horst. Dat hebben twee zoons van verzetsman Wiel Houwen.
De twee zoons van verzetsman Wiel Houwen gaan niet in op de uitnodiging van Stichting Comité mei Horst dinsdag aanwezig te zijn bij de rehabilitatie van Salomon Walvis. Het comité beitelt op de oude begraafplaats in Horst de naam van de joodse onderduiker op een monument voor gevallenen. Volgens het comité was Walvis geen verrader en werd hij ten onrechte doodgeschoten. De stichting baseert zich voornamelijk op onderzoek van Gerrit van de Vorst, die in een boek over de kwestie schreef. Volgens Jan en Jac Houwen, zoons van verzetsman Wiel Houwen uit Horst, is het niet correct dat Walvis nu wordt opgevoerd als verzetsman die ten onrechte is geliquideerd.
Volgens Jan Houwen baseren hij en zijn broer zich op verhalen van vader Wiel. „Walvis was onderduiker in Horst en gedroeg zich nogal opvallend”, aldus Jan Houwen. „Walvis woonde samen met zijn vrouw én minnares. Die maakten onderling veel en luid ruzie op het onderduikadres, en zoiets moet je in de oorlog natuurlijk niet doen. Het is het verzet vervolgens gelukt de minnares elders onder te brengen. Daarop begon Walvis het verzet te chanteren. Hij dreigde verzetsmensen aan te geven bij de Duitsers. Dat bracht het verzet in een moeilijke situatie. Hoe betreurenswaardig de liquidatie ook is.” De broers vinden dat het Comité 4 mei Horst „blind de historische mythevorming van Gerrit van de Vorst volgt”. Voorzitter Hans Steenmetz van het comité schrijft als antwoord aan de broers dat hij het niet met ze eens is. „Beweringen over dreigementen en verraad van/door Walvis hebben, op grond van de ter beschikking staande stukken, het karakter van laster.” Hij vindt dat Van de Vorst in zijn boek Het kapitaal van Salomon Walvis een „beheerste weergave van een uiterst intensief onderzoek heeft neergelegd”. Steenmetz heeft de broers gevraagd toch aan de ceremonie deel te nemen.
De voorzitter van het comité heeft vorige week aan Horst aan de Maas gevraagd de straat waar Walvis werd geliquideerd naar hem te vernoemen. Het gaat om een nog naamloze zijweg van de Witveldweg tussen Horst en Grubbenvorst. Steenmetz wil daar ook een herdenkingsplaquette plaatsen. De gemeente laat weten dat ze het verzoek in behandeling neemt.”

Direct na deze publicatie heeft Van der Vorst zich per e-mail gewend tot A. Janssens, de auteur van het eerste artikel, en haar het volgende bericht:
“De Limburger wordt goed gelezen, heb ik gemerkt: ik heb veel positieve reacties ontvangen naar aanleiding van je artikel. Inmiddels is er kennelijk ook een duidelijke negatieve reactie op de rehabilitatie, zoals aangegeven in een artikel van Daan de Hulster in De Limburger van vandaag. Ik zou daar graag op reageren – het zou goed zijn om zo'n discussie af te ronden – en misschien kan dat in een vervolgartikel. Of houd jij je er niet meer mee bezig? Daan de Hulster heeft nog geen contact opgenomen en ik heb geen bereikbaarheidsgegevens van hem. Ik wacht even op je reactie voordat ik aan het bloggen sla (heeft minder bereik).”
Hierop heeft De Hulster diezelfde dag gereageerd als volgt:
“Hallo meneer Van de Vorst, Ik heb u gisteren niet benaderd omdat de kritiek van de Houwens zich grotendeels richtte op het 4 mei comité Horst. Bovendien heeft de heer Hans Steenmetz verkondigd dat hij uw onderzoek zeer gedegen vindt. Bovendien wil ik waken voor een eindeloze welles-nietes discussie. Desondanks kan ik me wel vinden in uw voorstel de discussie af te ronden. Ons voorstel: een ingezonden stuk? Dit zou wel compact moeten in circa 200 woorden. Ik zie uw reactie tegemoet.”

Vervolgens heeft een uitgebreide mailwisseling tussen Van der Vorst en de redactie plaatsgevonden. Op 6 april 2018 schreef toenmalig redactiechef N. van der Naald het volgende aan Van der Vorst:
Hierbij de geredigeerde versie, zoals beloofd. Uw tekst was meer dan 600 woorden, dus sowieso drie keer te lang. We hebben desalniettemin extra ruimte vrijgemaakt zodat onderstaande versie mee kan. Waarin alle feiten die u tegen de beweringen van de Houwens in wil brengen ter sprake komen. Het gedeelte over de sieraden skippen we omdat wij daar zelf verder in onze kolommen ook niet eerder aan gerefereerd hebben (en het voor de lezer dus niet te volgen is waar dat over gaat). U laat voldoende zien dat u feiten presenteert als reactie op de beweringen van de nazaten Houwen.”
Hierop antwoordde Van der Vorst diezelfde dag. In zijn e-mail aan Van der Naald schreef hij onder meer:
“Voor een groot deel kan ik me vinden in de bewerking, maar ik vind het niet correct dat je mijn klachten over De Limburger geschrapt hebt. Ik ben in contact met jullie ombudsman (en overweeg een klacht bij de Raad voor de Journalistiek). Uit lezersreacties beluister ik ook afkeuring, dus ik wil de wijze waarop jullie de sterk verlate rehabilitatie een lelijke smet hebben bezorgd ook aan de kaak stellen.
Bijvoorbeeld met een aanvulling op het eind: (…)
Ik hoor wel of mijn aanvullingen geaccepteerd worden, maar ben ontstemd over de behandeling van de familie Walvis en acht dat mede verwijtbaar aan de handelwijze van De Limburger. Als we er niet uit komen, zal ik mijn stuk terugtrekken, maar wellicht is er een redactie te bedenken waar we ons beiden bij neer kunnen leggen.”
En in e-mail van later die dag, om 19:19 uur, heeft Van der Vorst een aangepaste brief gestuurd. In zijn begeleidende mail bericht hij Van der Naald onder meer:
“Naar aanleiding van ons telefoongesprek heb ik het verhaal ingekort tot jouw lengte (396 woorden). Verder heb ik mijns inziens betere bewoordingen gekozen. Hopelijk kun jij er zo ook mee leven, want het was wel even studeren. (…) Laat je me even weten of je hiermee verder kunt?”
Daarop antwoordt Van der Naald nog diezelfde dag als volgt:
“Omdat u de strekking van uw beweringen over ons handelen als krant en het wel of niet mogen hergebruiken van de foto – waar  eerder wel toestemming voor is verleend – overeind houdt en we uitzoeken hoe dat laatste punt zit is in overleg met de hoofdredactie besloten de brief niet morgen mee te nemen. Dan blijven we discussiëren en de deadline voor deze pagina’s nadert inmiddels. Ik laat u weten of de brief alsnog in de maandagkrant mee kan of dat we anders besluiten.”

Een dag later, zaterdag 7 april 2018, laat Van der Vorst onder meer het volgende aan Van der Naald weten:
“Ik begrijp dat De Limburger de herhaalde toezegging van een ingezonden stuk terug neemt, omdat uitgezocht moet worden hoe het met het gebruik van die foto zit. Dat vind ik niet netjes, na een hele dag gedoe, maar ook geen valide argument (…).
Maar tegelijkertijd is duidelijk geworden dat men van De Limburger van alles over Sal Walvis en mij mag roepen, zonder wederhoor van Walvis’ familie – waar blijft verdorie toch jullie empathie met die zwaar getroffen mensen? – maar zo gauw ik beargumenteerde kritiek op jullie handelen ventileer, is Leiden in last. Dan wordt die kritiek eerst geschrapt door jou en vervolgens wordt mijn stuk niet geplaatst. (…)
Ik zal jullie mijn meningen en oordelen over de gang van zaken verder besparen - ga me nu richten op het zorgvuldig informeren van de familie en andere betrokkenen maar ik:
-      beklaag me dus ook over (het argument voor) de beslissing om mijn ingezonden stuk niet te plaatsen in de zaterdageditie;
-      sta jullie, los van jullie eigen besluitvorming, niet toe om mijn stuk zonder overleg en aanpassing door mij op een andere datum te plaatsen;
-      zou bijvoorbeeld de ruimte willen krijgen om een paar (4-5?) extra regels aan de opmerkelijke gang van zaken te wijden;
-      verzoek de ombudsman om deze klacht over de eenzijdige intrekking van jullie toezegging mee te nemen in zijn beoordeling van het hele geval.”

Hierop heeft Van der Naald diezelfde dag gereageerd, waarbij zij onder meer het volgende aan Van der Vorst heeft bericht:
“Om misverstanden te voorkomen: dat we de brief gisteren in het licht van de naderende deadline hebben opgehouden – omdat ik wilde overleggen met de hoofdredactie over de kwestie en vooral de zinssnede over het gebruik van de foto, immers komt de ombudsman daar ook nog op terug – betekent niet dat we hem niet wilden plaatsen. Dat overleg heeft plaatsgevonden. Je hebt, en dat heb ik gisteren ook aangegeven, gelijk dat het goed was geweest als naast de reactie bij het comité (aan wie de brief van de Houwens rechtstreeks was gericht, dus formeel bij hen ook het wederhoor) ook nog een reactie bij jou als onderzoeker zelf was gevraagd. Vandaar ook het aanbod om in een ingezonden brief daar alsnog op te reageren. We constateerden allebei gisteren dat er al veel tijd is gaan zitten in de discussie. Ons voorstel is dat we de brief zoals je hem gisteren laatstelijk (even na 19 uur) hebt aangeleverd in de maandagkrant plaatsen (dus de integrale tekst).”
Hierop antwoordt Van der Vorst dat hij diezelfde dag niet meer de tijd heeft om een overwogen beslissing te nemen. Verder schrijft hij onder meer:
“Opname in de zaterdageditie was cruciaal, ook omdat ik het weerwoord wilde meenemen in mijn boodschap aan de familie Walvis, bij wijze van enige verzachting van het kwetsende karakter van de publicatie met foto erbij. (…) Mogelijk wil de familie nu ook zelf reageren – mijn boodschap zal eerst moeten indalen. Dat is dan belangrijker dan mijn reactie en in elk geval wil ik, nu plaatsing zo vlak voor 10 april zou geschieden, mijn weerwoord aan ze voorleggen, samen met het bewuste artikel en alle communicatie. Dat zal morgen gebeuren. Het is ook aan hen hoe het nu verlate weerwoord er uit zou moeten zien en of dat nog wel geplaatst zou moeten worden, met het risico van last minute ophef voor ze. Voor mij blijft in deze het belang van de familie voorop staan. Ik kan dus morgen pas meer zeggen.”
Daarop reageert Van der Naald:
“Ik heb begrip voor je voorstel. Sinds donderdag was er al contact over wel/niet plaatsen van de brief en welke vorm. Aan beide kanten hebben we vanzelfsprekend daar onze inbreng voor geleverd. Ik wil nog eenmaal benadrukken: Wij willen als krant alles behalve olie op het vuur gooien, onze intentie was en is om ruimte te bieden voor een reactie op de uitlatingen die de Houwens hebben gedaan (en die gezien het formele karakter van de brief richting zowel comité als gemeente, voor ons een nieuwsaanleiding vormden). Morgen heb ik zelf familiefeest, dus ben niet zomaar belbaar, maar ik kan sowieso mail checken. Laten we contact houden. Ik hoor van je. Fijne dag verder.”

Vervolgens heeft Van der Vorst op zondag 8 april 2018 een aangepaste versie van zijn brief aan Van der Naald gestuurd. In zijn begeleidende mail schrijft hij onder meer:
“Bijgaand tref je mijn ingezonden stuk aan, wat omgegooid en aangepast aan de laatste ontwikkelingen en contacten (afstemming met de familie Walvis e.d.). Ik heb het aantal woorden exact gelijk gehouden en 2 uur zitten kienen. (…) Plaatsing van een weerwoord lijkt me van groot belang, want dit gaat woekeren en dat kan voor jullie, mij en de familie heel vervelend uitpakken. De ceremonie is verziekt, maar het is nu wel redden wat er gered kan worden! Ik vind wel dat De Limburger hier een dure plicht heeft om mee te redden. Een ingezonden stuk vind ik geen passende genoegdoening – lezen al die mensen die de voorpagina gezien hebben dat? – maar daar ga jij niet over. Rest me dus je een prettig familiefeest te wensen, al wil ik nog wel graag van je vernemen, bijvoorbeeld in de vorm van het opgemaakte stuk.”
Hierop antwoordt Van der Naald diezelfde dag als volgt:
“Net heb ik overleg gehad met de hoofdredactie omdat we dit als een wederom nieuwe brief beschouwen. Deze brief kunnen wij niet meenemen. Ons aanbod was dat we de brief zoals je die vrijdagavond hebt aangeboden, zouden meenemen. Eventueel aangevuld/afgestemd met een inhoudelijke reactie van de familie Walvis, indien zij daar behoefte aan zouden hebben. Zij hebben zich separaat gemeld. Met hen nemen we vanzelfsprekend contact op. De laatste alinea, waarin je een aantal nieuwe zaken en onderlinge contacten van de afgelopen dagen aanhaalt, is ons inziens voor de lezer niet meer te volgen. Dus het aanbod blijft staan: de brief van vrijdagavond nemen we in zn geheel mee.”
Van der Vorst reageert diezelfde dag als volgt:
“Duidelijk. Het stuk van vrijdag was voor de zaterdageditie, zoals afgesproken. Keurig binnen jouw deadline aangeleverd, rekening houdend met je overige opmerkingen. Die toezegging hebben jullie onverwacht ingetrokken, om voor mij onduidelijke redenen. Daarmee verviel het stuk voor mij. Toen ik bericht kreeg dat er in de maandageditie een stuk mocht komen, ben ik er weer voor gaan zitten. Inmiddels is er meer gebeurd dan ik uitleggen kan/wil en ik heb mijn redenen om het stuk aan te passen. Zoveel verschilt de inhoud ook niet weer. En ik ben degene die de inhoud van mijn ingezonden stuk bepaalt – die inhoud luistert nauw – en het is aan De Limburger om de toezegging na te komen dat een ingezonden stuk van mij geplaatst zou worden. Dat wordt om onduidelijke redenen geweigerd, althans ik begrijp het niet. Voor de proeflezers was het volstrekt duidelijk en ik had aanpassingen aangekondigd. Spijtig. In elk geval is mijn stuk van vrijdag vervallen. Dat was op tempo geleverd voor de zaterdageditie in de situatie van die vrijdag. Dan hadden jullie het maar in die editie moeten plaatsen conform toezegging. Daags voor de ceremonie ligt het uiteraard anders en is het logisch (voor mij) dat ik andere accenten leg. Ik heb overigens nooit gezegd dat ik namens de familie zou reageren.”
Daarop antwoordt Van der Naald nog diezelfde dag als volgt:
“Wij hebben het aanbod gedaan om je ruimhartig ruimte te bieden voor een ingezonden brief. Om uitgebreid inhoudelijk te reageren op de beweringen van de Houwens.  Dat is donderdag al gedaan. Na verschillende versies van je brief te hebben ontvangen heb ik vrijdagmiddag aangegeven dat we je brief zo gauw als mogelijk wilden gaan plaatsen,  maar je ook gevraagd naar het laatste gedeelte te kijken omdat je daarin twee beweringen deed (onzorgvuldig handelen en gebruik van een foto zonder toestemming) die ter beoordeling ook al bij de ombudsman lagen. Een brief is bedoeld om inhoudelijk te reageren, niet om een klacht af te handelen. Jij wilde per se die zinssnedes erin hebben, maar zou kijken of je ze anders zou kunnen formuleren. Meer verwoord vanuit jouw perspectief. In de laatste versie stond het nog steeds stellig en ik gaf aan dat daar overleg met de hoofdredactie over nodig was en we het om die reden opschortten, uiteraard met het doel om de brief voor dinsdag in de krant te krijgen. Jammer dat je nu van plaatsing afziet.”
Daarop schrijft Van der Vorst later die dag nog het volgende aan Van der Naald:
“Als ruimhartig heb ik jullie aanbod niet ervaren, na de problemen die toch vooral te wijten zijn aan jullie handelwijze. Verschillende versies? Dat klinkt een beetje als een verwijt, maar dat danken jullie aan jezelf:
-      Versie 1 vonden jullie te lang en was door jou uitgekleed tot versie 2, ontdaan van kritiek op De Limburger. Vervolgens heb ik ‘m inhoudelijk enigszins hersteld: versie 3, rekening houdend met de beperkte ruimte.
-      Toen heb je uitgebreid gebeld en aangegeven dat ik ‘m verder aan moest passen voor 20.00 uur. Dat heb ik gedaan en lukte door omstandigheden met moeite: versie 4 voor de zaterdageditie, maar die plaatsten jullie niet. Zonde van al die tijd.
-      Toen ik in de maandageditie mocht, heb ik de opmerking over de foto er uit gehaald, omdat ik daarover inmiddels in discussie ben met de MGL-ombudsman, heb ik in plaats daarvan de opmerking over de verkeerde Houwen geplaatst – als dat inhoudelijk niet relevant is, had het niet als argument genoemd moeten worden – en het verhaal opnieuw gestroomlijnd: versie 5.
Ik bedoel maar. Wat mij betreft, houden we er over op. Jullie zullen waarschijnlijk elke versie met kritiek op jullie handelwijze weigeren om welke reden dan ook. Als je het hebt over ‘ruimhartigheid’, denk ik meer aan jullie omgang met kritiek op anderen, dan met kritiek op De Limburger. Dat ervaar ik niet als professioneel en ‘sportief’. Versie 5 is op maat gemaakt (precies hetzelfde aantal woorden), wijkt inhoudelijk niet significant af en ik zie geen reden om ‘m niet te plaatsen. Maar er is geen beroep mogelijk tegen jullie beslissing.
Merkwaardig vind ik wel je argument dat een brief bedoeld is om inhoudelijk te reageren en niet om een klacht af te handelen. Met mijn ingezonden stuk - geen brief - vraag ik niet om klachten mijnerzijds te behandelen, maar weerleg ik de lasterpraat van de Houwens en ga ik vooral inhoudelijk in op de impact daarvan, als gevolg van door De Limburger gemaakte fouten, met de focus op de ellende die jullie veroorzaakt hebben. Puur inhoudelijk naar mijn mening, maar jullie noemen kritiek op De Limburger niet inhoudelijk. Tja, dan houdt het op, maar jullie hebben me aardig aan het lijntje gehouden.
Omdat ik begrijp dat jullie in contact zijn getreden met mevrouw Yazar-Walvis zet ik mevrouw cc, zodat ze weet hoe het met mijn ingezonden stuk is gegaan. Daarom heb ik hiervoor nog eens uitgebreid uitgelegd wat er naar mijn mening is misgegaan. Onze communicatie eindigt voorlopig (?) hier, gok ik. Betreurenswaardig.”

Op zondag 8 april 2018 heeft Yazar-Walvis zich nog persoonlijk tot de redactie gewend en haar bezwaren tegen het artikel uiteengezet. Het slot van haar brief luidt:
“Ik eis dan ook rectificatie van het artikel en van het kader op uw voorpagina in de eerstvolgende uitgave van uw krant, gepaard gaand met excuses van De Limburger. Daarnaast verwacht ik dat u deze reactie in de krant plaatst. Voorts heb ik begrepen dat u in gesprek bent met Gerrit van der Vorst over de plaatsing van een reactie van hem, maar dat u uw toezegging om een ingezonden stuk van hem in de zaterdageditie te plaatsen ingetrokken hebt. Ik ga er van uit dat u een passende reactie van Van der Vorst ook zult opnemen in de krant van morgen.”

Verdere correspondentie tussen klagers enerzijds en de hoofdredacteur en ombudsman van de krant anderzijds heeft niet tot een oplossing geleid. Er is uiteindelijk geen ingezonden brief van Van der Vorst geplaatst. Aan Yazar-Walvis is aangeboden om een interview met haar te publiceren, maar dat heeft zij afgewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen – samengevat – dat het een uiterst gevoelige kwestie betreft. In het artikel van 5 april 2018 zijn nieuwe, vergaande uitlatingen en beschuldigingen van de broers Houwen gepubliceerd. Hierdoor is de nagedachtenis van Salomon Walvis ernstig in diskrediet gebracht, waarmee zijn familie ernstig is geraakt in haar gevoelens en belangen. Bovendien is Van der Horst in zijn hoedanigheid van onderzoeker/auteur in diskrediet gebracht. De krant heeft zich niet (mede) ingespannen om de ontstane beeldvorming en overige schade zo snel mogelijk te corrigeren, en heeft klagers belet om dat tijdig te doen.
Klagers lichten toe dat Walvis werd geliquideerd door illegale werkers, omdat men dacht dat hij tot verraad zou kunnen overgaan. Bij het eerste onderzoek door de rijksrecherche en de politieke recherche erkenden de betrokkenen de liquidatie van Walvis en het confisqueren van diens bezittingen, maar zij konden hun besluit tot de liquidatie niet verantwoorden. Nadat de vervolging van de verantwoordelijken in het kader van de Bijzondere Rechtspleging was geseponeerd, en het justitiële dossier gesloten bleef, ontstonden geruchten dat Walvis ‘dus’ terecht doodgeschoten zou zijn. Door het sepot was het de familie onmogelijk om zelf aan waarheidsvinding te doen. Inmiddels kan echter het zogenaamde CABR-dossier van de verdachten van de als ‘moord’ gekwalificeerde liquidatie in het Nationaal Archief geraadpleegd worden. Vooral op basis van dit dossier heeft Van der Vorst in de afgelopen jaren intensief onderzoek gedaan naar de liquidatie. Zijn bevindingen heeft hij neergelegd in een uitgebreide en feitelijke dossier-analyse. Daarin stelt hij dat de noodzaak van de liquidatie van Walvis niet gerechtvaardigd kon worden door de verantwoordelijken. Naar aanleiding daarvan heeft het Comité 4 mei Horst besloten tot rehabilitatie van Walvis en in het kader daarvan zou op 10 april 2018 zijn naam alsnog als oorlogsslachtoffer worden vermeld op het oorlogsmonument in Horst. Gelet op de voorgeschiedenis was deze (beperkte) rehabilitatie van groot belang voor de familie, die het zag als een beëindiging van de geruchtenstroom. De rehabilitatieceremonie is aangekondigd in het artikel van 24 maart 2018. Naar aanleiding van de uitnodiging voor die ceremonie hebben de kinderen van de voormalige Horster illegale werker W.J. Houwen bezwaar aangetekend tegen de (motivering van) initiatieven voor rehabilitatie van Walvis. Het Comité 4 mei Horst heeft hierop uitvoerig gereageerd en onder meer laten weten dat de feiten, zoals die door de familie van Houwen werden ontkend, gecheckt konden worden in vier concreet aangeduide bronnen. Verder heeft het comité laten weten dat de opvattingen van de familie niet bekend zouden worden gemaakt, omdat ze onjuist waren. Vervolgens heeft de familie Houwen contact gezocht met de krant en nieuwe, verdergaande beweringen gedaan over chantage en dreiging met verraad door Walvis. De Hulster heeft daarop contact gezocht met de voorzitter van het Comité 4 mei Horst, die De Hulster heeft voorzien van zijn reactie aan de familie Houwen. Uit die brief had De Hulster kunnen begrijpen dat de uitlatingen van de broers volgens de voorzitter van het comité het karakter van laster hadden. Niettemin heeft hij vervolgens het artikel van 5 april 2018 geplaatst – zeer kort vóór de rehabilitatieceremonie – met daarin de beweringen van de broers Houwen, zonder verdere check of wederhoor. Het zijn hun herinneringen aan mededelingen van hun vader die zelf indertijd totaal anders verklaarde. Op de zitting betwisten klagers uitdrukkelijk dat sprake is van een maatschappelijke discussie over de kwestie. Het gaat slechts om een bewering van twee broers, die denken iets gehoord te hebben van hun familieleden. Maar ook als de beweringen juist zouden zijn geweest, dan getuigt de handelwijze van de krant van grove onzorgvuldigheid en nalatigheid. Door het artikel van 5 april 2018 is de beeldvorming over Walvis weer terug bij af en dat is buitengewoon ernstig.
Klagers menen dat ten onrechte geen wederhoor bij de belanghebbenden heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft de krant nagelaten de gegrondheid van de gewraakte uitlatingen te onderzoeken, ondanks de waarschuwing voor onjuistheden. Daarbij komt dat door de bewuste timing en presentatie er grote schade voor de familie Walvis is ontstaan. Verder maken klagers bezwaar tegen hergebruik van fotomateriaal dat zij aan de krant beschikbaar hebben gesteld ten behoeve van het eerste artikel. Ten slotte vinden klagers dat de krant ten onrechte geen pogingen heeft ondernomen om zelf de veroorzaakte schade te beperken en de afspraak heeft geschonden om een ingezonden stuk van 400 woorden te plaatsen. Klagers hebben alle klachtonderdelen uitgebreid gemotiveerd.
Op de zitting wijst Van der Vorst er nog op dat de laatste versie van zijn ingezonden brief geen passage meer bevatte over het gebruik van de foto. Hij benadrukt dat van het intrekken van die versie van de brief geen sprake is geweest.
 
De krant stelt hier – eveneens samengevat – tegenover dat Van der Vorst in het eerste artikel, van 24 maart 2018, heeft verteld over zijn onderzoek naar het leven van Salomon Walvis en zijn conclusie dat Walvis onterecht is geliquideerd door het verzet in Horst. De publicatie van zijn boek ‘Het kapitaal van Sal Walvis’ was voor het Comité 4 mei Horst reden de naam van Walvis toe te voegen aan het plaatselijke oorlogsmonument voor gevallenen.
In de week erna ontvingen de redactie een als ingezonden brief bedoelde reactie van de broers Houwen. Onder anderen hun vader en oom waren actief in het verzet in Limburg. In hun brief uitten de broers kritiek op het Comité 4 mei Horst. Zij schreven dat “Sally Walvis in 1944 riskant gedrag vertoonde en dreigementen uitte in de richting van verzetsmensen in de regio Horst. Ingrijpen werd onvermijdelijk. Walvis had hiermee het verzet voor een onmogelijke keuze geplaatst in deze gevaarlijke periode onder Duitse bezetting.” Daarnaast legde de redactie de hand op een brief die de broers schreven aan het comité zelf, waarin zij lieten weten dat zij niet zouden ingaan op de uitnodiging om op 10 april bij de rehabilitatie van Walvis aanwezig te zijn. De redactie ontving ook de reactie van het comité op de brief van de broers. Kopieën van de brieven zijn ook verzonden aan het gemeentebestuur van Horst aan de Maas. Bovendien ontdekte de redactie dat het comité bij de gemeente het verzoek had ingediend een straatnaam naar Walvis te vernoemen en een plaquette voor hem te mogen plaatsen. De mening van de gebroeders Houwen en hun weigering om bij de ceremonie aanwezig te zijn waren nieuwswaardig en daarom is besloten daarover een artikel te schrijven.
De reactie die De Hulster op 5 april naar Van der Vorst heeft gemaild, is bij nader inzien verkeerd. Omdat de briefwisseling alleen plaatsvond tussen de broers Houwen en het comité 4 mei en de voorzitter van het comité het onderzoek van Van der Vorst verdedigde, dacht De Hulster daarmee te kunnen volstaan. Van der Vorst had echter de gelegenheid moeten krijgen om voor publicatie van het artikel te reageren op hetgeen de broers stelden. De Hulster en de redactiechef hebben vervolgens aan Van der Vorst laten weten dat was verzuimd wederhoor toe te passen. Daarnaast heeft de hoofdredacteur excuses aangeboden. Van der Vorst is bovendien in de gelegenheid gesteld middels een ingezonden brief, die langer mocht zijn dan gebruikelijk, alsnog te reageren. Van die mogelijkheid heeft hij, herhaalde uitnodigingen daartoe ten spijt, geen gebruik wensen te maken. Ook de nazaten van Walvis zijn in de gelegenheid gesteld uitgebreid te reageren op de beweringen van de gebroeders Houwen. Het aanbod voor een interview is echter niet geaccepteerd.
De krant betwist dat de redactie feitenonderzoek had moeten doen naar de beweringen van de gebroeders Houwen. De krant beweert immers niet op eigen gezag dat het onderzoek van Van der Vorst over Walvis onjuist is. Het zijn de broers die dit naar voren brengen, op basis van wat zij van hun vader en oom hebben vernomen. Desgevraagd deelt De Hulster op de zitting nog mee dat er een bredere kring van personen is met twijfels over de handelwijze van Walvis. De term ‘omstreden’ zou hij zelf echter niet hebben gebruikt en is afkomstig van de eindredactie. Ophelders benadrukt verder dat het artikel geen feitelijke onjuistheden bevat, zodat voor rectificatie geen aanleiding bestond.
Verder weerspreekt de krant dat het artikel bewust vlak voor de ceremonie op 10 april is gepubliceerd. De briefwisseling tussen de gebroeders Houwen en het comité was sinds 3 april in handen van de redactie. Daarna is het artikel geschreven en geplaatst in de eerstvolgende krant.
Ten aanzien van de foto van Walvis stelt de krant dat die zonder enige restrictie en vrij van rechten aan de redactie ter beschikking is gesteld. De foto mocht derhalve zonder toestemming vooraf opnieuw geplaatst worden.
Direct op 5 april is Van der Vorst de gelegenheid geboden om alsnog uitgebreid weerwoord te leveren op de gebroeders Houwen. Hij zegde toen toe zijn reactie op papier te zetten. Behalve dat hij inhoudelijk reageerde, wilde hij echter per se ook melden dat de krant onzorgvuldig had gehandeld en een foto onterecht voor een tweede keer had gebruikt. De krant is echter van mening dat een ingezonden brief niet is bedoeld om een klacht af te handelen, die inmiddels bij de eigen onafhankelijke ombudsman lag. Bovendien had de krant alle recht de eerder aangeleverde foto nogmaals te gebruiken. Toen de krant vroeg of hij dit anders wilde formuleren, besloot Van der Vorst uiteindelijk om af te zien van plaatsing van een ingezonden brief.
Ten slotte wijst de krant erop dat zij volgens haar ombudsman al met al niet kan worden beticht van onzorgvuldig handelen. Volgens de ombudsman had de krant Van der Vorst weliswaar wederhoor moeten bieden op het tweede artikel, maar is het voorstel van een uitgebreide ingezonden brief alleszinszins redelijk, zeker wanneer het eerste artikel daarbij in aanmerking wordt genomen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Dat neemt niet weg dat zij het belang dat met een publicatie is gediend moeten afwegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. In dit geval gaat het bovendien om een zeer gevoelig onderwerp, waarbij bijzondere zorgvuldigheid moet worden betracht.

De krant heeft aannemelijk gemaakt dat er voldoende aanleiding bestond om aandacht te besteden aan de visie van de gebroeders Houwen. Niet is gebleken dat de krant bewust de geplande ceremonie van 10 april 2018 heeft willen frustreren. Dit laat onverlet dat de publicatie plaatsvond op een uiterst ongelukkig moment.
Daarbij komt dat de krant – mede gezien de inhoud van de brief van de voorzitter van het Comité 4 mei Horst – niet zonder nader onderzoek de rehabilitatie van Walvis op de voorpagina had mogen bestempelen als ‘omstreden’. Het is journalistiek gebruikelijk dat een artikel in de kop scherp(er) wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. De grenzen van journalistieke zorgvuldigheid worden evenwel overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel. Dat is hier het geval. Niet aannemelijk is geworden dat in bredere kring twijfels bestonden over de rehabilitatie van Walvis. Het gebruik van de term ‘omstreden’ op de voorpagina is dan ook onjuist en onnodig grievend voor klagers.
Gelet op de aard en inhoud van de uitlatingen van de broers Houwen, had de krant bovendien vooraf wederhoor moeten toepassen bij klagers. De krant heeft dit ook erkend en voor het nalaten daarvan haar excuses aangeboden.
Een en ander leidt tot de conclusie dat de krant met de publicatie van 5 april 2018 journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.

In het licht van het voorgaande is ook de afhandeling van de klacht onvoldoende zorgvuldig. De krant had klagers verder tegemoet behoren te komen, dan zij heeft gedaan.
Uitgangspunt is dat de redactie op passende wijze en zo snel mogelijk dient te rectificeren, wanneer blijkt dat een publicatie onjuistheden bevat dan wel verwijtbaar onvolledig is. Deze norm is derhalve niet beperkt tot het rechtzetten van feitelijke onjuistheden, zoals de krant heeft betoogd.
In dit geval heeft Van der Vorst verzocht om in een vervolgartikel te mogen reageren. De redactie heeft dat verzoek van de hand gewezen en als tegenvoorstel Van der Vorst uitgenodigd om een ingezonden brief te sturen, die langer mocht zijn dan gebruikelijk. Het gaat hierbij dus niet om een ‘gewone’ ingezonden brief van een betrokken lezer, maar om een ingezonden brief die zou dienen als rechtzetting voor het ten onrechte achterwege laten van wederhoor.
De redactie heeft vervolgens niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen bij de beslissing of – en zo ja, op welke wijze – de reactie van Van der Vorst zou worden gepubliceerd.
Alhoewel het in beginsel tot de vrijheid van een redactie behoort om ingezonden brieven te redigeren en in te korten, had de redactie onder de gegeven omstandigheden ruimhartiger met de ingezonden brief van Van der Vorst dienen om te gaan. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat Van der Vorst zich – blijkens de mailwisseling tussen partijen – constant open heeft gesteld voor wensen van de redactie, diverse suggesties van de redactie heeft doorgevoerd en zich heeft ingespannen om de brief op de meest korte termijn na de publicatie van het gewraakte artikel gepubliceerd te krijgen. Niet valt in te zien waarom de krant uiteindelijk niet is overgegaan tot plaatsing van de laatste versie van de brief. In de overgelegde correspondentie leest de Raad niet dat Van der Vorst geen prijs meer stelde op plaatsing en (ook) de laatste versie van zijn brief heeft ingetrokken.

Uit de correspondentie blijkt verder dat Van der Vorst als tussenpersoon met de familie Walvis heeft gefungeerd en dat hij in ieder geval de laatste versie van zijn brief met de familie heeft afgestemd. Mede gelet op de brief van Yazar-Walvis – waarin zij de redactie (ook) heeft verzocht een passende reactie van Van der Vorst te plaatsen – leidt het voorgaande tot de conclusie dat de klachtafhandeling ook jegens haar onzorgvuldig is geweest.

Ten slotte overweegt de Raad dat hij niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging beoordeelt. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Het is dan ook niet aan de Raad om te toetsen of sprake is van schending van auteursrecht. Voor zover de klacht zich richt tegen het hergebruik van de door klagers beschikbaar gestelde foto, acht de Raad zich dan ook onbevoegd over dit onderdeel van de klacht te oordelen.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A., B.3, C en D.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2018/24, RvdJ 2011/57, RvdJ 2006/49 en RvdJ 2005/55

CONCLUSIE

Voor zover de klacht zich richt tegen hergebruik van een foto is de Raad onbevoegd daarover te oordelen. Verder was de handelwijze van De Limburger journalistiek onzorgvuldig.

De Raad doet de aanbeveling aan De Limburger om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 3 september 2018 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, S. Kuijper, mw. drs. E.M.H. Lemaier en F.Th.H. Ruys, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.



Publicatie in De Limburger d.d. 5 september 2018