2018/23 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie te herzien over een klacht van Stichting Christelijke Gemeente Nederland (verzoekster) tegen J. Dohmen, NRC Handelsblad en NRC.next (RvdJ 2018/6). Verzoekster maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad op basis van onjuiste constateringen tot zijn conclusie is gekomen. Dat verzoekster zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

Stichting Christelijke Gemeente Nederland

tot herziening van de conclusie van de Raad van 31 januari 2018 (RvdJ 2018/6) betreffende haar klacht

tegen

J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad en NRC.next

De heer mr. Chr.A. Alberdingk Thijm, advocaat te Amsterdam, heeft op 27 februari 2018  namens Stichting Christelijke Gemeente Nederland (verzoekster) verzocht om herziening van de conclusie van 31 januari 2018 inzake haar klacht tegen J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad en NRC.next (hierna gezamenlijk: NRC). Mr. J. van den Brink, advocaat te Amsterdam, heeft op 27 maart 2018 namens NRC op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 6 april 2018 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Mr. Chr.A. Alberdingk Thijm heeft op 21 september 2017 namens verzoekster een klacht ingediend over het artikel “Fraude - Rabo stopt met Noorse broeders”, dat op 11 mei 2017 op de website van NRC Handelsblad is verschenen en een dag later is gepubliceerd in de papieren edities van NRC Handelsblad en NRC.next. Verder heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen handelingen van Dohmen in een juridische procedure tussen partijen.

De Raad heeft in zijn conclusie van 31 januari 2018 beslist dat voor zover de klacht was gericht tegen onvolledige en suggestieve informatieverstrekking, onvoldoende toepassing van wederhoor bij klaagster en de kop “Fraude - Rabo stopt met Noorse broeders” , NRC journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld. Voor zover de klacht was gericht tegen gedragingen van Dohmen in een juridische procedure tussen partijen heeft de Raad zich onbevoegd geacht daarover te oordelen. Voor zover de klacht betrekking had op de aangevoerde schending van belangen van de Rabobank, is de klacht niet inhoudelijk behandeld. Voor het overige heeft de Raad zich van een oordeel onthouden.

Met betrekking tot de klacht over de gedragingen van Dohmen in een juridische procedure heeft de Raad het volgende overwogen:
“Ten aanzien van de klacht over de notariële verklaring van Dohmen – die dateert van 4 juli 2017 – en dat wat hij op de zitting bij de voorzieningenrechter heeft verklaard, overweegt de Raad het volgende. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of daarmee al dan niet journalistiek zorgvuldig is gehandeld. In artikel 4 lid 1 van de Statuten is bepaald wat wordt verstaan onder journalistieke gedraging: ‘een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep’. Dit klachtonderdeel heeft betrekking op gedragingen van Dohmen in het kader van een tussen partijen gevoerde juridische procedure. In lijn met eerdere conclusies overweegt de Raad dat in een dergelijk geval het belang van het in volle vrijheid voeren van verweer zodanig zwaar dient te wegen, dat niet meer van een journalistieke gedraging in de zin van de Statuten kan c.q. mag worden gesproken. De Raad is daarom niet bevoegd over deze gedragingen te oordelen en zal dit klachtonderdeel niet inhoudelijk behandelen.”

Ten aanzien van de klacht tegen het artikel heeft de Raad het volgende overwogen:
Ad 1. Dohmen heeft geen c.q. onvoldoende deugdelijke bronnen gebruikt en Ad 2. Dohmen heeft samengewerkt met een belanghebbende die met klaagster in conflict is en aldus niet onafhankelijk te werk is gegaan
Bij zijn beraadslaging is de Raad tot het inzicht gekomen dat de beoordeling van deze klachtonderdelen niet met de vereiste zorgvuldigheid kan geschieden. De Raad kan op basis van de door klaagster overgelegde stukken en mondelinge aanvulling onvoldoende beoordelen of haar standpunten juist zijn. Dohmen en NRC hebben ervoor gekozen niet inhoudelijk op de klacht te reageren en hebben de Raad dus geen informatie verschaft over de wijze waarop de berichtgeving tot stand is gekomen. De Raad betreurt deze houding, omdat daarmee een onafhankelijke journalistieke toetsing van de handelwijze van Dohmen en NRC ernstig wordt bemoeilijkt. Dit betekent dat de Raad niet kan concluderen of Dohmen en NRC op deze punten al dan niet journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld. De Raad onthoudt zich daarom ter zake van een oordeel.
Ad 3. Dohmen heeft richting de Rabobank niet gewerkt met open vizier en bij de bank is onvoldoende wederhoor toegepast
Dit onderdeel van de klacht heeft betrekking op de aangevoerde schending van belangen van de Rabobank. Naar het oordeel van de Raad is onvoldoende sprake van een eigen belang van klaagster, zodat hij de klacht op dit punt niet inhoudelijk zal behandelen.
Ad 4. in het artikel is onvolledige en suggestieve informatie verstrekt
Kern van klaagsters bezwaar is dat ten onrechte niet is vermeld dat de brief van de Rabobank was geadresseerd aan (de later genoemde) Van der L. en dat selectief uit die brief is geciteerd. Hierdoor zou – aldus klaagster – ten onrechte de indruk zijn gewekt dat de brief aan haar was gericht en een opzegging van haar bankrelatie betrof.
De Raad deelt dit standpunt niet. In de eerste zin van de bewuste passage is immers uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om een onderzoek van de bank naar het netwerk van de broeders. Voor de gemiddelde lezer is voldoende duidelijk dat de brief betrekking heeft op iemand die behoort tot dat netwerk en als ‘oud-broeder’ kan Van der L. als zodanig worden beschouwd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat Dohmen en NRC ter zake journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
Ad 5. Dohmen heeft onvoldoende wederhoor bij klaagster toegepast
In lijn met eerdere conclusies overweegt de Raad dat, als aan een betrokkene om een reactie wordt gevraagd, die betrokkene niet steeds vooraf volledig behoeft te worden geïnformeerd over de inhoud van de publicatie. Volstaan kan worden met duidelijk mee te delen, waarop het te geven commentaar betrekking moet hebben. Daarbij is de mate waarin een journalist opening van zaken moet geven afhankelijk van de aard van het te publiceren bericht.
Gelet op de inhoud van de reactie van klaagster moet worden geconcludeerd dat haar de strekking van de publicatie voldoende duidelijk moet zijn geweest en dat zij bovendien voldoende tijd heeft gehad om te reageren. Verder stelt de Raad vast dat de kern van de reactie is opgenomen in het artikel. Dohmen en NRC hebben op dit punt zorgvuldig gehandeld.
Ad 6. de berichtgeving is in strijd met de waarheid en tendentieus
Klaagster heeft met name bezwaar gemaakt tegen de kop: de bewering dat de Rabobank de bancaire relatie met haar verbreekt, is onjuist en bovendien pleegt zij geen fraude.
De Raad overweegt dat het journalistiek gebruikelijk is dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. De grenzen van journalistieke zorgvuldigheid worden alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit de toelichting van klaagster blijkt dat de bank na de eerdere artikelenreeks in NRC het voornemen heeft geuit de relatie met haar te willen beëindigen. In het artikel wordt de kop bovendien voldoende duidelijk genuanceerd. In het geheel bezien is met de kop geen zodanig vertekend beeld of onzorgvuldige weergave van de kwestie gegeven, dat daarmee journalistiek onzorgvuldig is gehandeld.
Voor zover klaagster heeft gesteld dat het artikel nog andere relevante onjuistheden bevat en tendentieus is, onthoudt de Raad zich van een oordeel. Voor een weloverwogen oordeel is een bredere kennis van de feiten nodig dan waarover de Raad beschikt. Gezien de complexiteit van de kwestie kan de Raad geen gefundeerd oordeel geven zonder diepgaand feitenonderzoek, hetgeen echter mede door de houding van Dohmen en NRC niet mogelijk is. De procedure bij de Raad leent zich er niet voor dat de Raad een dergelijk feitenonderzoek buiten (een der) partijen om verricht. 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekster voert – samengevat – aan dat Dohmen na de publicatie heeft verklaard te beschikken over een hooggeplaatste bron bij de Rabobank. De klacht heeft in het bijzonder betrekking op deze bewering. De Rabobank heeft namelijk verklaard dat dit niet het geval is. De Raad heeft de verklaring van de Rabobank niet bij zijn beoordeling betrokken, omdat de onjuiste verklaring van Dohmen geen journalistieke gedraging zou zijn.
Volgens verzoekster is de verklaring van de Rabobank cruciaal voor de beoordeling van de klacht, omdat die een nieuw licht werpt op de inhoud van het artikel en de totstandkoming daarvan. Niet alleen blijkt de bewering in het artikel dat de Rabobank de relatie met verzoekster heeft verbroken volstrekt onjuist te zijn, uit de verklaring blijkt bovendien dat die bewering niet had kunnen worden gedaan op basis van de verklaring van de Rabobank. Daarenboven blijkt dat Dohmen onwaarheden heeft verklaard over de totstandkoming van het artikel. Verzoekster heeft de Raad niet gevraagd om de valsheid van de verklaring vast te stellen of een oordeel te geven over het inbrengen daarvan in de kort geding procedure, maar om het artikel op basis van deze nieuwe informatie te toetsen. Vervolgens heeft de Raad het artikel beoordeeld aan de hand van zes klachtonderdelen. Daarbij heeft de Raad de inhoud van Dohmen’s verklaring en hetgeen de Rabobank daarover verklaart echter volledig buiten beschouwing gelaten.
Verzoekster wijst erop dat het feit dat de Raad zich onbevoegd verklaart om te oordelen over het inbrengen van de verklaring in de procedure als zodanig, niet meebrengt dat de Raad ook de inhoud van die verklaring ter zijde kan schuiven voor de beoordeling van het artikel. NRC heeft immers expliciet aangegeven achter de inhoud van die verklaring te staan.
Had de Raad de inhoud van de verklaring en de reactie van de Rabobank wel bij zijn beoordeling betrokken, dan was hij ten aanzien van de klachtonderdelen ad 1. en 2. tot de conclusie gekomen dat Dohmen onvoldoende deugdelijke bronnen heeft gebruikt en heeft samengewerkt met een belanghebbende die in conflict is met verzoekster. Overigens had de Raad ook op basis van de door verzoekster ingebrachte stukken en het verweer van NRC tot een inhoudelijk oordeel over deze klachtonderdelen kunnen komen.
Door onvoldoende eigen belang van verzoekster aan te nemen bij klachtonderdeel 3. heeft de Raad wederom niet de inhoud van Dohmen’s verklaring en de reactie daarop van de Rabobank in de beoordeling meegenomen. Verder berust ook de beoordeling van klachtonderdelen 4. en 5. niet op alle aan de Raad ter beschikking staande feiten en gronden.
Ten aanzien van klachtonderdeel 6. voert verzoekster nog aan dat de Raad niet kan beoordelen of de kop voldoende grond vindt in het artikel, als hij niet de juistheid van de beweringen in het artikel toetst aan de inhoud van de verklaring van Dohmen en de reactie van de Rabobank. In dat geval moet de Raad zich ook onthouden van een oordeel over de inhoud van het artikel en over de geoorloofdheid van de kop.
Verzoekster concludeert dat de Raad de belangrijkste feiten van de klacht terzijde heeft gelegd en zijn beslissing heeft gebaseerd op onjuiste feiten door de verklaringen van Dohmen en de Rabobank over de totstandkoming van het artikel niet bij de beoordeling te betrekken.

NRC stelt hier tegenover dat verzoekster ten aanzien van de conclusies van de Raad dat de in de procedure overgelegde notariële akte geen journalistieke gedraging is, dat er voldoende wederhoor is gepleegd en dat NRC ook op andere punten journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld, in feite een verkapt hoger beroep heeft ingesteld, terwijl de procedure van de Raad daarin niet voorziet.
Verder lijkt de kern in het herzieningsverzoek te zijn dat de Raad niet alle beschikbare informatie zou hebben meegenomen in de beoordeling en daardoor eigenlijk geen goed oordeel mogelijk zou zijn. Dat is een andere grondslag dan de grondslag die artikel 10a lid 1 van het Reglement vereist voor een herziening. Niet alle beschikbare informatie meenemen bij de beoordeling van een klacht (gesteld dat dat inderdaad niet zou zijn gebeurd) is immers iets anders dan het baseren van een conclusie op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Nergens in het herzieningsverzoek wordt toegelicht op welke ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten de conclusie zou zijn gebaseerd. Daar is ook geen sprake van. Het herzieningsverzoek is op dit punt eigenlijk een herhaling van zetten.
NRC concludeert dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien de verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Kern van het standpunt van verzoekster is dat de Raad ten onrechte de inhoud van de notariële verklaring van Dohmen alsmede de reactie daarop van de Rabobank niet bij de beoordeling van klacht heeft betrokken. Dit heeft – aldus verzoekster – gevolgen voor de beoordeling van alle klachtonderdelen. Het verzoekschrift bevat verder (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekster eerder al in haar klacht heeft geformuleerd.

In de klachtprocedure heeft verzoekster beide verklaringen overgelegd. Dat de Raad onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de door verzoekster overlegde informatie, leidt – voor zover dit standpunt al juist zou zijn – echter niet tot de conclusie dat de Raad is uitgegaan van ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Ook verder is niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

In essentie vraagt verzoekster om een herbeoordeling van de klacht omdat zij zich niet kan vinden in de afwegingen die de Raad heeft gemaakt. Het Reglement van de Raad voorziet niet in een dergelijke (hoger beroeps)procedure. Voor een herziening op grond van (alleen) een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Dat verzoekster het niet eens is met de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2017/42
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 22 juni 2018 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, L.A.M.M. Donders, dr. H.J. Evers, S. Kuijper en A. Mellink MPA, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.