2018/15 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie te herzien over een klacht tegen BN DeStem (RvdJ 2017/46). Verzoekster maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoekster zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 20 december 2017 (RvdJ 2017/46) betreffende haar klacht

tegen

de hoofdredacteur van BN DeStem

De heer mr. C. van Aken, advocaat te Geertruidenberg, heeft op 16 januari 2018 namens mevrouw X (verzoekster) verzocht om herziening van de conclusie van 20 december 2017 inzake haar klacht tegen de hoofdredacteur van BN DeStem. Bij de beoordeling van de herziening is verder correspondentie van verzoekster betrokken van 20 februari 2018. De hoofdredacteur van BN DeStem heeft niet op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 23 februari 2018 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen. Een van de Raadsleden heeft zich voorafgaand aan de zitting verschoond, waarna het verzoek is beoordeeld door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

Mr. van Aken heeft op 6 september 2017 namens verzoekster een klacht ingediend over het artikel “Eeuwige twist rond [bedrijfsnaam]”, dat op 8 maart 2017 in BN DeStem is verschenen.
De Raad heeft zich in zijn conclusie van 20 december 2017 onthouden van een oordeel voor zover de klacht betrekking had op de bewering dat aan klaagster ook een celstraf is opgelegd. Verder heeft de Raad geconcludeerd dat BN DeStem journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“De Raad heeft uit de toelichting van Van Aken op de zitting begrepen dat de klacht over feitelijke onjuistheden ziet op de onwaarheid dat aan klaagster door het Openbaar Ministerie ook een voorwaardelijke celstraf is opgelegd.
De Raad kan niet beoordelen of het opleggen van een vrijheidsbenemende sanctie door het Openbaar Ministerie überhaupt (grondwettelijk) mogelijk is.
In het artikel is de uitlating dat er contact is geweest tussen de gemeente en het Openbaar Ministerie, omdat dat ook een boete en een voorwaardelijke celstraf heeft opgelegd vanwege de geluidsovertredingen, toegeschreven aan een woordvoerster van de gemeente. De Raad dient daarom te beoordelen of de woordvoerster van de gemeente die uitlating al dan niet heeft gedaan. De standpunten van partijen hierover staan lijnrecht tegenover elkaar en er is geen materiaal voorhanden op grond waarvan de Raad kan vaststellen welk standpunt juist is. Mede omdat de krant niet op de zitting is verschenen – hetgeen de Raad betreurt – kan daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid worden beoordeeld of de krant op dit punt al dan niet journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld. De Raad onthoudt zich daarom op dit punt van een inhoudelijk oordeel.
Verder maakt de Raad uit de standpunten van partijen op dat er in ieder geval een afspraak bestond dat klaagster het artikel voor publicatie mocht inzien en feitelijke onjuistheden mocht corrigeren. De verslaggever heeft zich daaraan gehouden. Daarbij merkt de Raad op dat de verslaggever niet gehouden was alle door klaagster voorgestelde wijzigingen over te nemen. Immers, de journalist die een artikel vooraf ter inzage geeft aan degene over wie het artikel gaat, is vrij te bepalen hoe hij eventuele op- en aanmerkingen in het artikel verwerkt.
Dat de verslaggever daarna nog enige informatie van de gemeente aan het artikel heeft toegevoegd, maakt dit niet anders. Het conceptartikel en het uiteindelijke artikel wijken niet zodanig van elkaar af dat de verslaggever klaagster het uiteindelijke artikel nog had moeten laten inzien vóór publicatie.
Aangezien in het artikel sprake was van vermelding van door de gemeente als feitelijke informatie verstrekte gegevens behoefde de verslaggever ook geen wederhoor bij klaagster toe te passen. Dat de advocaat van klaagster gemotiveerd heeft bestreden dat geen sprake kan zijn van feitelijke informatie aangezien aan klaagster geen voorwaardelijke celstraf is opgelegd, doet daaraan niet af.
Ten slotte meent de Raad dat zowel de verslaggever als de hoofdredacteur serieus op de klacht heeft gereageerd. Dat klaagster zich niet in die reacties kan vinden, is onvoldoende voor de conclusie dat de klachtafhandeling onzorgvuldig is geweest.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKSTER

Verzoekster voert allereerst aan dat de Raad ten onrechte voorbij is gegaan aan het weergegeven kader, de gemaakte afspraken en het feit dat steeds de tekst weer op relevante punten is aangepast. Uit de stukken blijkt wel degelijk dat de teksten van het conceptartikel en de uiteindelijke publicatie op relevante punten afwijken, zodat wederhoor had moeten plaatsvinden. Bovendien heeft verzoekster kritische noten geplaatst bij de aldus ontstane schijn van eenzijdige, tendentieuze berichtgeving. De Raad is hier niet op ingegaan en is bij de beoordeling uitgegaan van een verkeerd feitelijk kader.
Verder vindt verzoekster dat de Raad zich ten onrechte heeft onthouden van een oordeel voor zover de klacht betrekking had op de bewering dat aan haar ook een celstraf is opgelegd. Zij benadrukt dat de krant aantoonbaar geen enkel contact heeft gehad met het Openbaar Ministerie. Daarnaast blijkt dat er veelvuldig contact is geweest tussen de krant en de betrokken ambtenaar van de gemeente. Verzoekster ziet niet in waarom op dit punt en op basis van de aangedragen stukken niet tot een oordeel kan worden gekomen.
Volgens verzoekster is ook het oordeel onjuist dat geen wederhoor had moeten worden toegepast. Er is sprake van een diskwalificatie en geen sprake van een persoonlijke mening dan wel feitelijke informatie. Bovendien heeft de krant een eigen verantwoordelijkheid om waarheidsgetrouw te berichten. Door zonder toepassing van wederhoor op het allerlaatste moment foutieve, niet-gecontroleerde informatie toe te voegen en teksten te vervormen heeft de krant onzorgvuldig gehandeld.
Ten slotte meent verzoekster dat er geen enkele klachtbehandeling heeft plaatsgehad. De krant heeft op geen enkel moment inhoudelijk en serieus gereageerd op haar bezwaren. De Raad heeft zijn conclusie op dit punt niet toegelicht en/of onderbouwd en is ten onrechte voorbij gegaan aan de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling hierover is opgemerkt.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien de verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’. Verzoekster heeft dit niet gedaan.

Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekster eerder al in haar klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven.

In de kern vraagt verzoekster om een herbeoordeling van de klacht omdat zij zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad.

Voor een herziening op grond van alleen een nadere toelichting en uitgebreidere uiteenzetting van eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte. Dat verzoekster het niet eens is met het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2017/42
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 16 april 2018 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, ir. B.L. Hooghoudt en mw. drs. J.X. Nabibaks, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.