2018/13 onzorgvuldig

Samenvatting

E. Luiten en het Brabants Dagblad hebben in het artikel “De Bond van Wetsovertreders doet aangifte tegen de burgemeester van Vught” ten onrechte vermeld dat de Bond van Wetsovertreders (klaagster) bestaat uit één persoon en daarmee niet-waarheidsgetrouw over klaagster bericht. Dit is niet rechtgezet door de verwijdering van de publicatie van internet. Het enkele verwijderen van het artikel – zonder dit aan klaagster te berichten en haar dus hierover in het ongewisse te laten – is onvoldoende om te komen tot een zorgvuldige klachtafhandeling. Een en ander leidt tot de conclusie dat Luiten en de krant journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. De Raad voor de Journalistiek doet de aanbeveling aan het Brabants Dagblad deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Bond van Wetsovertreders

tegen

E. Luiten en de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

De heer mr. P. Vleeming, voorzitter, heeft op 8 december 2017 namens de vereniging Bond van Wetsovertreders te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen E. Luiten en de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klaagster en de heer L. van Houtert, hoofdredacteur, betrokken van 8 en 15 januari 2018.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 19 januari 2018 in aanwezigheid van mr. Vleeming, die het standpunt van klaagster heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Luiten en de krant zijn daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 1 november 2017 is op de website van het Brabants Dagblad een artikel van de hand van Luiten verschenen met de kop “De Bond van Wetsovertreders doet aangifte tegen de burgemeester van Vught”. De intro van het artikel luidt:
“De Bond van Wetsovertreders (BWO) doet aangifte tegen de burgemeester van Vught Roderick van de Mortel. Hij zou volgens de aangever hebben gelogen over verkeersregelaars die zouden worden ingezet tijdens een protestmanifestatie bij de Penitentiaire inrichtingen Vught op 29 oktober.”
Het slot van het artikel luidt:
“De BWO bestaat uit een persoon genaamd Pieter Vleeming en claimt op te komen voor belangen van ex-gedetineerden.”

Diezelfde dag heeft mr. Vleeming de bezwaren van klaagster tegen de publicatie voorgelegd aan de krant en verzocht om het bericht aan te passen dan wel te verwijderen. Hierop heeft Vleeming geen reactie ontvangen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat in het artikel ten onrechte is vermeld dat haar vereniging slechts uit één persoon bestaat. Klaagster heeft de indruk dat Luiten met opzet dit onjuist heeft opgeschreven om haar en haar voorzitter in een kwaad daglicht te stellen. Door raadpleging van haar website had Luiten eenvoudig kunnen achterhalen dat het bestuur bestaat uit drie personen en dat zij een groot aantal leden heeft. Verder merkt zij op dat haar organisatie twee nevenvestigingen heeft, waar in totaal elf mensen werken. Op de zitting voegt Vleeming hieraan desgevraagd nog toe dat hij het boegbeeld is van klaagster en samen met de secretaris de woordvoering verzorgt.

Luiten en het Brabants Dagblad stellen hier tegenover dat zij op 1 november 2017 het verzoek van klaagster hebben ontvangen om het bericht aan te passen of te verwijderen. Aangezien zij bij nader inzien het sop de kool niet waard vonden, was het artikel alweer verwijderd voordat het schrijven van klaagster binnenkwam. Er viel dus niets meer te verwijderen. Een reactie werd door klaagster niet gevraagd en hebben zij dus ook niet gegeven.
Ten overvloede merken Luiten en de krant op dat de organisatie van klaagster weliswaar formeel bestaat uit meerdere personen, maar dat – voor zover hen bekend – daarvan één persoon bij uitstek handelt. In die geest moet de opmerking in het aanvankelijke artikel worden gezien.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Er is genoegzaam gebleken dat niet waarheidsgetrouw over klaagster is bericht. In het artikel van 1 november 2017 is ten onrechte beweerd dat haar organisatie uit één persoon bestaat. Mede in combinatie met de gewiekste ondertoon – dat klaagster ‘claimt’ op te komen voor bepaalde belangen insinueert dat dit feitelijk niet het geval is – wordt klaagster hiermee ten onrechte in een negatief daglicht gesteld. Met de berichtgeving hebben Luiten en de krant dan ook journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

Luiten en de krant stellen dat zij om hun moverende redenen zijn overgegaan tot verwijdering van de publicatie en aldus hebben voldaan aan het verzoek van klaagster. Dit brengt echter niet mee dat zij de onzorgvuldige berichtgeving op een passende wijze hebben rechtgezet en hun handelwijze uiteindelijk journalistiek zorgvuldig is geweest.

Immers, met ingang van zijn nieuwe werkwijze per 1 november 2013 – waarover de mediasector vooraf uitvoerig is geconsulteerd – fungeren hoofdredacties als eerste lijn in de afhandeling van klachten en zijn klagers verplicht hun bezwaren eerst aan het betrokken medium voor te leggen. Achtergrond van deze bepaling is dat – in het kader van een goede zelfregulering door de media – partijen eerst samen overleg voeren om te bezien of zij tot een minnelijke oplossing van het probleem kunnen komen.
Dit brengt mee dat (hoofd)redacties klachten op een zorgvuldige manier moeten afhandelen. Het enkele verwijderen van het artikel, zonder dit aan klaagster te berichten en haar dus hierover in het ongewisse te laten, is onvoldoende om te komen tot een zorgvuldige klachtafhandeling. Dat klaagster niet expliciet om een reactie heeft gevraagd, kan daaraan niet afdoen.

Een en ander leidt ertoe dat Luiten en het Brabants Dagblad journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en D.
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2016/42

CONCLUSIE

E. Luiten en het Brabants Dagblad hebben journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

De Raad doet de aanbeveling aan het Brabants Dagblad om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 20 maart 2018 door mw. mr. J.W. Bockwinkel, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch, F.Th.H. Ruys en mw. M. Stenneke, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.



Publicatie op www.bd.nl op 24 maart 2018