2017/33 onbevoegd zorgvuldig

Samenvatting

Zaman Vandaag (nu: de Kanttekening) heeft niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld jegens W. van Rooij (klager) door een bijdrage te plaatsen van J.J. de Ruiter onder de kop “Dieptepunt in het debat: endlösung van moslims”. Het stuk gaat over een debat in De Balie en bevat de persoonlijke opvatting van De Ruiter, arabist aan de Tilburg University, en diens interpretatie van wat zich tijdens het debat heeft afgespeeld. Klager zal zich – gezien zijn positie in de publieke discussie over dit onderwerp in het algemeen en zijn deelname aan het besproken debat in het bijzonder – een wat grotere mate van kritische en polemische bejegening van zijn persoon moeten laten welgevallen. In zijn stuk heeft De Ruiter geschreven dat hij een deel van de geopperde suggesties “achteraf de ‘eindoplossing van het moslimvraagstuk’ zou willen noemen”. De door de redactie hiervoor gebruikte vertaling is erg beladen en wellicht onkies, maar niet ontoelaatbaar. Gelet op het voorgaande was de redactie niet gehouden de reactie van klager te plaatsen. Voor zover de klacht is gericht tegen De Ruiter heeft deze geen betrekking op een ‘journalistieke gedraging’, zodat de Raad niet bevoegd is daarover te oordelen.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

W. van Rooy

tegen

J.J. de Ruiter en de hoofdredacteur van Zaman Vandaag (nu: de Kanttekening)

De heer K. Everaert, advocaat te Lokeren, België heeft op 28 maart 2017 namens de heer W. van Rooy (klager) een klacht ingediend tegen de heer J.J. de Ruiter en de hoofdredacteur van Zaman Vandaag. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van klager, de heer de Ruiter en de heer M. Cerit, hoofdredacteur, van 15 en 25 mei 2017 en van 16 juni 2017.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 23 juni 2017 in aanwezigheid van de heer Everaert, vertegenwoordiger van klager, en de heer De Ruiter. De Ruiter heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een notitie.

DE FEITEN

Op 27 januari 2017 is in Zaman Vandaag een publicatie van de hand van De Ruiter – arabist aan de Tilburg University – verschenen met de kop “Dieptepunt in het debat: endlösung van moslims”. Het stuk bevat onder meer de volgende passages:
“Op maandag 23 januari vond er een debat in de Balie in Amsterdam plaats naar aanleiding van het boek Waarom haten ze ons eigenlijk dat vorig jaar uitkwam en dat een keur aan opstellen bevat van schrijvers van diverse pluimage over de gelijkluidende vraag die Jeroen Pauw indertijd stelde na de aanslagen in Brussel. Het debat bestond uit een presentatie van publicisten Halim el Madkouri en de Vlaming Wim van Rooy. Van Rooy heeft veel over het onderwerp islam en moslims geschreven en zijn visie is dat islam en moslims en westerse cultuur niet met elkaar samen kunnen gaan.”
en
“Misschien was het turning point wel de uitspraak van Wim van Rooy, (…), dat hij wel een oplossing voor het islamprobleem had maar dat die rechtstatelijk helaas niet uitvoerbaar was. Het kon haast niet anders dan dat hij doelde op de deportatie van alle moslims uit Europa, temeer omdat hij aangaf dat er hoe dan ook een onmiddellijke immigratiestop van moslims moest komen en ook een verbod op de Koran en sluiting van alle moskeeën. Er kwamen vragen uit het publiek en er werd doorgegaan op wat ik achteraf de ‘eindoplossing van het moslimvraagstuk’ zou willen noemen toen een mevrouw uit het publiek begon te oreren over maatregelen om het aantal moslims te doen verminderen in de Europese samenlevingen en hoe dat dan geeffectueerd zou kunnen worden. Tot mijn verbazing werd serieus op deze suggesties ingegaan en niemand greep echt in, ook niet de moderator.”
en
“De essentialistische kijk van Wim van Rooy en anderen doet op geen enkele wijze recht aan de rijkdom die ook moslims in zich dragen als het gaat om hun functioneren in de democratie. Het griezeligste van dit alles is dat als je de lijn van Van Rooy doortrekt hij het liefste heeft dat zijn alleszins aimabele buurman el Madkouri uiteindelijk het land verlaat, goedschiks of kwaadschiks.”
Het slot van het stuk luidt:
“Het feit dat een dergelijk debat plaats vond en ik er aan deelnam ervoer ik als een dieptepunt in mijn ‘carrière’ in het publieke debat.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt – kort samengevat – dat hij in het artikel wordt gedemoniseerd en dat hem woorden in de mond zijn gelegd die hij nooit heeft uitgesproken. Zijn eer en goede naam worden bijzonder fel besmeurd en er wordt aangezet tot haat jegens zijn persoon. Hij heeft vooral bezwaar tegen het gebruik van de term ‘endlösung’ in de kop. De foutieve beweringen hebben verregaande gevolgen voor zijn professionele reputatie als publicist en essayist, en voor zijn persoonlijke veiligheid en die van zijn omgeving. Verder meent klager dat de naam van zijn zoon onterecht en zonder nieuwswaarde is vermeld. Ten slotte maakt klager er bezwaar tegen dat zijn reactie op het artikel niet is geplaatst.
Op de zitting voegt de heer Everaert hieraan namens klager nog toe, dat de bijdrage van De Ruiter ook een onjuiste weergave van feiten bevat en dus geen zuiver opiniestuk is.

De Ruiter stelt hier tegenover dat het artikel zijn interpretatie bevat van wat tijdens het debat is gezegd. Van aanzetten tot haat is volgens hem geen sprake. De gedane uitlatingen, waaronder die van klager, deden hem denken aan de mogelijke deportatie van moslims. Verder deden de publieksvragen hem denken aan wat hij achteraf ‘de eindoplossing van het moslimvraagstuk’ noemde. De redactie heeft de kop gemaakt met daarin het woord ‘endlösung’. Hij had zijn stuk een andere titel gegeven en is in de wijziging van de kop niet gekend. De term is erg beladen en levert veel negatieve aandacht op, aldus De Ruiter. Klager heeft hem na de publicatie benaderd met het verzoek om een weerwoord te mogen geven. Daarop heeft De Ruiter contact gezocht met de redactie, die volgens hem in eerste instantie toezegde maar na overleg met de hoofdredactie de toezegging weer introk. Dit is een onafhankelijk besluit van de redactie, waaraan De Ruiter niets kan doen. Hij is bereid om uit coulance de reactie van Van Rooy alsnog op zijn eigen website te plaatsen, mits Van Rooy de persoonlijke aantijgingen tegen hem uit het stuk verwijdert en professioneel op mijn argumenten ingaat. Op de zitting voegt De Ruiter hieraan nog toe dat hij geen journalist is, maar een academicus die regelmatig columns publiceert. Hij betreurt het dat de hele zaak een kwestie voor de Raad is geworden.
De hoofdredacteur van Zaman Vandaag meent dat de klacht tegen De Ruiter op formele voorschriften moet stranden, omdat hij geen professioneel journalist is. Overigens zijn de columnisten van Zaman Vandaag vrij in hun onderwerpkeuzes en wat zij willen schrijven. Verder voert de hoofdredacteur aan dat de redactie op basis van de identiteit van de krant beslist wat al dan niet gepubliceerd wordt. Zaman Vandaag biedt geen platform voor extremisme en radicale ideeën, maar probeert juist onzichtbare gematigde geluiden meer ruimte te geven. Daarom paste de bijdrage van Van Rooy niet in de krant. Bovendien was zijn stuk niet goed genoeg onderbouwd en technisch niet toereikend voor publicatie. Daarbij komt dat er geen recht bestaat op wederhoor op een opiniestuk, aldus de hoofdredacteur.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGHEID voor zover de klacht is gericht tegen De Ruiter

Klager heeft zijn klacht zowel gericht tegen De Ruiter als tegen Zaman Vandaag. Zowel De Ruiter als Zaman Vandaag hebben aangevoerd dat De Ruiter geen journalist is. Zaman Vandaag heeft in dat verband nog gesteld dat de klacht tegen De Ruiter moet stranden op de formele voorschriften. De Raad heeft deze stelling opgevat als een beroep op onbevoegdheid van de Raad om deze klacht inhoudelijk te beoordelen.
 
Onder ‘journalistieke gedragingen’ die aan het oordeel van de Raad kunnen worden onderworpen, zijn ingevolge artikel 4 lid 1 en lid 2 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek niet alleen te verstaan het handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep, maar ook het handelen of nalaten in het kader van journalistieke werkzaamheden van iemand die geen journalist zijnde, regelmatig en tegen betaling meewerkt aan de redactionele inhoud van dagbladen, nieuwsbladen, huis-aan-huisbladen of tijdschriften voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, foto's en andere illustraties, verslagen of artikelen.
 
Niet is weersproken dat De Ruiter geen journalist is. Verder is niet gebleken dat hij regelmatig en tegen betaling meewerkt aan de redactionele inhoud van Zaman Vandaag. Dit betekent dat de klacht, voor zover deze is gericht tegen De Ruiter, geen betrekking heeft op een journalistieke gedraging in de zin van de Statuten, zodat de Raad niet bevoegd is om daarvan kennis te nemen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover gericht tegen de hoofdredacteur van Zaman Vandaag

De Raad beschouwt het schrijven van het stuk van De Ruiter niet als een journalistieke gedraging. Bezien vanuit de positie van de hoofdredacteur kan de plaatsing van dit stuk op één lijn worden gesteld met het plaatsen van een ingezonden brief. Of een dergelijk artikel wordt geplaatst of niet, staat ter beoordeling van de (hoofd)redactie. Onder omstandigheden kan plaatsing van een ingezonden stuk leiden tot het oordeel dat daarmee journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. In dit geval bestaat voor dit oordeel geen aanleiding.

Voor de lezer is duidelijk dat het stuk de persoonlijke opvatting van De Ruiter behelst en diens interpretatie van wat zich tijdens het debat heeft afgespeeld. Bovendien zal klager zich – gezien zijn positie in de publieke discussie over dit onderwerp in het algemeen en zijn deelname aan dit specifieke debat in het bijzonder – een wat grotere mate van kritische en polemische bejegening van zijn persoon moeten laten welgevallen.

De Raad kan zich voorstellen dat klager met name door de term ‘endlösung’ in de kop onaangenaam is getroffen. Het is echter journalistiek niet ongebruikelijk dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet; een kop mag een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten. Daarmee worden de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid alleen overschreden als de kop geen grond vindt in het artikel. Daarvan is in dit geval geen sprake. In zijn stuk heeft De Ruiter immers geschreven dat hij een deel van de geopperde suggesties “achteraf de ‘eindoplossing van het moslimvraagstuk’ zou willen noemen”. De door de redactie hiervoor gebruikte vertaling is – vanwege de verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog – erg beladen en wellicht onkies, maar niet onzorgvuldig jegens klager. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uit het artikel voldoende volgt dat het ook hier gaat om een opvatting van De Ruiter, die overigens niet enkel terugslaat op klager.

Gelet op het voorgaande was de redactie niet gehouden de reactie van klager te plaatsen. Dat door de tussenkomst van De Ruiter sprake is geweest van een - voor klager zeer ongelukkig - misverstand over een mogelijke toezegging ter zake, kan daaraan niet afdoen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Zaman Vandaag journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: D.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2017/2, RvdJ 2013/22 en RvdJ 2007/18

CONCLUSIE

Zaman Vandaag heeft journalistiek zorgvuldig gehandeld. Voor zover de klacht is gericht tegen De Ruiter acht de Raad zich onbevoegd over de klacht te oordelen.

Zo vastgesteld door de Raad op 11 september 2017 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, mr. I.R.J. Barends, S. Kuijper, mw. M. Stenneke en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.