2017/19 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen V. van der Boon en Het Financieele Dagblad (RvdJ 2017/1) te herzien. Van der Boon en Het Financieele Dagblad hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

V. van der Boon en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad

tot herziening van de conclusie van de Raad van 11 januari 2017 (RvdJ 2017/1) betreffende de klacht van

X

Mevrouw mr. N.J. Schumacher, advocaat te Amsterdam, heeft op 7 februari 2017 namens de heer V. van der Boon en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad (verzoekers) verzocht om herziening van de conclusie van 11 januari 2017 inzake de klacht van X. Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van verzoekers en de heer X betrokken van 3 en 28 maart 2017.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 21 april 2017 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen. Een van de Raadsleden heeft zich verschoond, waarna het verzoek is beoordeeld door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

De heer X heeft op 7 september 2016 een klacht ingediend tegen V. van der Boon en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad over het artikel “Gearresteerde notaris vestigde verdacht bedrijf bij onwetende burger”.

De Raad heeft in zijn conclusie van 11 januari 2017 allereerst beslist dat X zijn klacht op de juiste wijze heeft ingediend. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“Met de ingang van zijn nieuwe werkwijze per 1 november 2013 – waarover de mediasector vooraf uitvoerig is geconsulteerd – fungeren media als eerste lijn in de afhandeling van klachten. In artikel 2a lid 1a van het Reglement is bepaald dat een klager, voordat hij zich tot de Raad kan wenden, zijn bezwaren eerst moet voorleggen aan het medium (hierna: de interne klachtprocedure). In het Reglement is niet nader omschreven tot welke persoon, behorend tot ‘het medium’, een klager zich moet richten. In de informatie op de website van de Raad is vermeld, dat dit bij voorkeur de eindverantwoordelijke – meestal de hoofdredacteur – is.
Elk medium is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van zijn interne klachtprocedure en dient daarover duidelijk met zijn publiek te communiceren. Het FD heeft kennelijk geen klachtprocedure ingericht. De klacht is hier op een voor de hand liggende wijze aan het medium voorgelegd, namelijk via de betreffende journalist. Klager mag ervan uitgaan dat deze journalist de klacht intern in het gewenste kanaal zal brengen. Doet hij dit niet, dan dient de journalist klager uitdrukkelijk erover te informeren dat de klacht elders (bijvoorbeeld bij de hoofdredactie) moet worden ingediend.
Niet ter discussie staat dat klager zich naar aanleiding van (onder meer) het artikel van 1 juli 2016 tot Van der Boon heeft gewend met ‘opmerkingen’ over het artikel en dat zij op 16 augustus 2016 een gesprek hebben gevoerd. Van der Boon heeft desgevraagd op de zitting erkend dat tijdens dat gesprek ook het in het artikel gelegde verband tussen de arrestatie van klager en de tuchtzaak is besproken. Volgens Van der Boon en FD zijn de ‘opmerkingen’ van klager ter plekke ‘uitgelegd’ en ‘rechtgezet’.
Naar aanleiding van het gesprek heeft klager vervolgens in zijn e-mail van 18 augustus 2016 aan Van der Boon geschreven dat een vervolgpublicatie is afgesproken ‘met toevoegingen casu quo verbeteringen, zodat de onjuistheden zullen worden recht gezet’. Daarop heeft Van der Boon geschreven dat ‘zoals uitgelegd in het gesprek van onjuistheden in de eerdere berichtgeving geen sprake is, maar dat er journalistieke reden is voor aanvullende vervolgberichtgeving’.
Hoewel de standpunten van de partijen over de aard van het gesprek uiteenlopen, meent de Raad dat uit het voorgaande blijkt dat de ‘opmerkingen’ van klager wel degelijk als bezwaren – te weten: de berichtgeving is onjuist – moeten worden beschouwd.
Het is voorts niet onredelijk dat klager eerst de vervolgberichtgeving heeft afgewacht, om te bezien of daarmee alsnog aan zijn bezwaren tegemoet zou worden gekomen. Vervolgens kon klager – gezien de eerdere mededelingen van Van der Boon – er van uit gaan dat nader overleg niet tot een andere uitkomst zou leiden. Hij mocht zijn klacht als afgehandeld beschouwen en hij heeft zich daarna tijdig tot de Raad gewend.
Verder meent de Raad dat uit het klaagschrift blijkt dat de klacht is ingediend door klager in persoon en dat daarin de bezwaren tegen het artikel van 1 juli 2016 voldoende duidelijk zijn verwoord.
Het vorenstaande leidt de Raad er toe de klacht inhoudelijk te beoordelen.”

Vervolgens heeft de Raad geconcludeerd dat Van der Boon en Het Financieele Dagblad journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“De Raad merkt op dat indien een journalist zich baseert op juridische stukken, waaronder vonnissen – die met nauwkeurigheid van woordkeuze plegen te worden opgezet – hij bijzonder zorgvuldig dient te zijn bij het in eigen woorden weergeven van die stukken. Voorkomen moet worden dat de parafrases en citaten van dien aard zijn dat daarmee een andere betekenis c.q. lading aan de feiten wordt gegeven, dan in de gebruikte bronnen.
In de kop van het gewraakte artikel luidende “Gearresteerde notaris vestigde verdacht bedrijf bij onwetende burger” zijn twee kwesties op zodanige wijze bij elkaar gebracht dat daarmee – ten onrechte – wordt gesuggereerd dat sprake is van één zaak, waarbij klager is gearresteerd vanwege het ‘vestigen van een verdacht bedrijf bij een onwetende burger’. Door de subkop luidende: “Gedupeerde signaleert structureel risico op faillissementsfraude” wordt, in samenhang met de kop, de indruk gewekt dat klager (ook) in de kwestie waarvan de kop bericht, is beschuldigd van faillissementsfraude, dat evenzeer ten onrechte.  
Het is aannemelijk dat het artikel vervolgens wordt gelezen vanuit het perspectief van de kop, waarbij de lezer zich moeilijk aan de (onjuiste) indruk zal kunnen onttrekken dat klager als notaris verwijtbaar heeft gehandeld bij de vestiging van een bedrijf. Hoewel in het artikel wordt vermeld dat klager de tuchtzaak heeft gewonnen, wordt de daarmee strijdige indruk versterkt door de verdere inhoud van het artikel. Enerzijds door de omlijsting met berichtgeving over de strafzaak – waarmee het artikel ook wordt afgesloten – anderzijds doordat de tuchtzaak enkel vanuit het perspectief van de klaagster wordt besproken. In die context kan de aanduiding van de motivering van het hof als ‘opmerkelijk’ moeilijk anders dan als een diskwalificatie worden opgevat.
Door deze wijze van berichtgeving wordt de vrijspraak van klager – dat wil zeggen: de ongegrond bevinding van de tegen hem in zijn functioneren als notaris ingediende klacht impliciet neergezet als een veroordeling. Hiermee is geen recht gedaan aan de betekenis van de uitspraak van het hof in de tuchtzaak. Dit klemt te meer nu het artikel is gerubriceerd als ‘Uitspraak’, hetgeen door de lezer doorgaans zal worden opgevat als een feitelijke en (min of meer) objectieve weergave van de zaak waarover wordt bericht.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekers stellen allereerst – kort samengevat – dat de conclusie van de Raad over de indiening van de klacht is gebaseerd op drie ten onrechte als vaststaand geachte feiten, te weten: dat het Reglement niet nader omschrijft tot welke persoon binnen het medium een klager zich moet richten; dat het de verantwoordelijkheid was van Van der Boon om de klacht intern 'in het gewenste kanaal' te brengen; en dat het de verantwoordelijkheid (de verplichting) was van Van der Boon om X 'uitdrukkelijk' te informeren de klacht elders (bijvoorbeeld bij de hoofdredactie) in te dienen. Verzoekers wijzen in dit verband op artikel 4 lid 1 van het Reglement dat luidt: "Na aanmelding van een klacht wijst de secretaris zo nodig de klager op de verplichting zijn bezwaren eerst rechtstreeks kenbaar te maken aan de eindverantwoordelijke van het betrokken medium en afhandeling daarvan af te wachten voordat hij de klacht ter beoordeling aan de Raad voorlegt.”
Hieruit blijkt dat de klacht eerst rechtstreeks dient te worden voorgelegd aan de  eindverantwoordelijke van het medium (niet zijnde Van der Boon); dat het een verplichting is van de klager zelf om de klacht op die manier kenbaar te maken, en niet van de journalist in kwestie;  en dat de secretaris van de Raad de klager hier zo nodig op dient te wijzen, hetgeen de secretaris heeft nagelaten. Op grond van de ten onrechte als vaststaand geachte feiten heeft de Raad ten onrechte beslist dat de klacht op een 'voor de hand liggende manier' is voorgelegd aan het medium – namelijk aan Van der Boon – en dat daarmee is voldaan aan artikel 2a lid 1 van het Reglement, aldus verzoekers. Zij merken voor de volledigheid op dat de (onreglementaire) beoordeling van de juistheid van de indiening van de klacht voor hen en alle andere bij de Raad aangesloten media kwalijk is. Die beoordeling betekent namelijk dat in de toekomst het contact tussen (journalisten van) het medium en bronnen/betrokkenen als zodanig behandeld zou moeten worden als potentiële klacht (zoals bijvoorbeeld het toepassen van wederhoor). Hierdoor wordt dit journalistiek noodzakelijke contact in ernstige mate bemoeilijkt en beperkt dit ook de (grote) vrijheid die de pers in een democratische samenleving toekomt in haar nieuwsgaring. De conclusie schept dan ook een zeer onwenselijk precedent waardoor het reglementair vastgelegde vereiste van de Raad om klachten in eerste instantie door de eindverantwoordelijke van het betreffende medium af te laten handelen tot een loze letter verwordt.
Verder voeren verzoekers aan dat X in zijn reactie op het herzieningsverzoek ten onrechte heeft gesteld dat Van der Boon in het gesprek van 16 augustus 2016 redacteur Siem Eikelenboom zou hebben voorgesteld als ‘zijnde onderdeel van de interne klachtenprocedure van het FD’. Dit is niet juist. Er is tijdens het gesprek met X überhaupt nooit gesproken over een ‘klacht’, aldus verzoekers.
Zij stellen voorts dat ook de inhoudelijke beoordeling van de klacht is gebaseerd op een ten onrechte als vaststaand geacht feit, te weten dat X in de tuchtrechtprocedure niet zou zijn beschuldigd van (het faciliteren van) faillissementsfraude. Volgens verzoekers is de Raad op basis daarvan ten onrechte tot de conclusie gekomen dat zij onzorgvuldig hebben gehandeld, omdat zij in hun berichtgeving een onjuiste indruk zouden hebben gewekt over deze procedure. Volgens verzoekers is het een feit dat de klaagster in de tuchtprocedure nadrukkelijk aandacht heeft gevraagd voor het risico dat X faillissementsfraude faciliteert. Ter ondersteuning van hun standpunt hebben zij het hele dossier in deze procedure overgelegd. Daaruit blijkt dat de klaagster X niet slechts vrijblijvend een foutieve adreswijziging in het Handelsregister verwijt, maar de verweten adresfraude nadrukkelijk plaatst in het kader van mogelijke faillissementsfraude. Hieruit volgt dat de subkop van het artikel geen onterechte indruk wekt, aldus verzoekers.
Ten slotte wijzen verzoekers erop dat X inmiddels uit zijn ambt is ontzet en dat door de Kamer voor het Notariaat is vastgesteld dat X zich in zijn verweer in die procedure (ook) van ‘ongefundeerde ontkenningen en van ongegronde verwijten’ heeft bediend.
Verzoekers vragen de herzieningskamer dan ook de conclusie te herzien en op voormelde gronden X alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, omdat hij zijn klacht niet op de juiste wijze heeft ingediend. Voor zover de herzieningskamer van oordeel is dat X wel ontvankelijk is, vragen verzoekers de conclusie op inhoudelijke gronden te herzien en de klacht alsnog ongegrond te verklaren.

X stelt daar tegenover dat hij wel degelijk zijn klacht op de juiste wijze heeft ingediend. Hij heeft Van der Boon op 15 augustus 2016 telefonisch benaderd met het kenbaar maken van zijn bezwaren over het artikel van 1 juli 2016. Dit bericht met ‘bezwaren’ kon als klacht worden aangemerkt, aldus X. Naar aanleiding daarvan is een afspraak gemaakt voor het gesprek op 16 augustus 2016. Bij die bespreking was ook Siem Eikelenboom aanwezig, hetgeen door Van der Boon was verklaard als de uitvoering van de (interne) klachtenregeling bij de krant. Volgens X zijn in het ruim drie uur durende gesprek zijn bezwaren uitgebreid besproken. Van der Boon heeft daarbij niet verwezen naar een andere klachtencommissie/-functionaris van de krant, zodat hij erop kon vertrouwen dat Van der Boon in deze als zogenaamd ‘eindverantwoordelijke’ was te beschouwen.  Na afloop van dit gesprek werd afgesproken dat Van der Boon een nieuw artikel met verbeteringen zou publiceren. Dit is echter nooit gebeurd. Het werd X dan ook op 7 september 2016 genoegzaam duidelijk dat de krant niet (meer) bereid was om ‘tot een minnelijke oplossing van het probleem te komen’ c.q. niet meer zou reageren op zijn klacht, reden waarom hij op 8 september 2016 zijn klacht bij de Raad heeft ingediend.
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van de klacht voert X aan dat de Kamer voor het Notariaat het volgende heeft overwogen: “Aangezien namens klaagster ter zitting is verklaard dat het verwijt dat de notaris frauduleus zou hebben gehandeld slechts is gebaseerd op een vermoeden, is dat verwijt bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing ongegrond”. Deze beslissing is door het Gerechtshof in hoger beroep bevestigd, waarmee ieder verband met faillissementsfraude is vervallen.
X concludeert dat de Raad uitgebreid en zorgvuldig heeft geoordeeld over zowel de wijze van de indiening als de inhoud van de klacht. Hij meent dan ook dat de conclusie van de Raad in stand moet worden gelaten.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Verzoekers hebben allereerst aangevoerd dat de Raad in zijn conclusie ten onrechte als vaststaande feiten heeft aangemerkt: dat in het Reglement niet nader is bepaald tot welke persoon, behorend tot ‘het medium’, een klager zich moet richten; dat het de verantwoordelijkheid was van Van der Boon om de klacht intern 'in het gewenste kanaal' te brengen; en dat het de verantwoordelijkheid (de verplichting) was van Van der Boon om X 'uitdrukkelijk' te informeren de klacht elders (bijvoorbeeld bij de hoofdredactie) in te dienen.
In dit verband hebben verzoekers gewezen op artikel 4 lid 1 van het Reglement, dat luidt:
“Na aanmelding van een klacht wijst de secretaris zo nodig de klager op de verplichting zijn bezwaren eerst rechtstreeks kenbaar te maken aan de eindverantwoordelijke van het betrokken medium en afhandeling daarvan af te wachten voordat hij de klacht ter beoordeling aan de Raad voorlegt.”
Volgens verzoekers volgt hieruit dat een klager zich tot de eindverantwoordelijke moet wenden en dat het aan de secretaris van de Raad is om een klager op die verplichting te wijzen. Dit standpunt berust echter op een verkeerde lezing van het artikel, dat moet worden bezien in de context van de overige bepalingen van het Reglement.

Zoals de Raad in zijn conclusie terecht heeft overwogen is in artikel 2a van het Reglement slechts bepaald dat de klager zich tot ‘het medium’ moet wenden en is daarbij niet nader omschreven tot welke persoon een klager zich moet richten. Op grond van dit artikel kan een klager zich met zijn bezwaren ook wenden tot iemand die niet de eindverantwoordelijkheid draagt. Dit kan de betrokken journalist zijn, maar bijvoorbeeld ook een ombudsman of bedrijfsjurist, die onafhankelijk van de redactie opereren. Dat de Raad dit vereiste in de praktijk ook zo opvat, blijkt expliciet uit de conclusie RvdJ 2016/24.

In artikel 3 lid 3 is vervolgens bepaald dat de secretaris beoordeelt of de klacht voldoet aan het bepaalde in artikel 2 lid 2 en dat de secretaris klager, indien nodig, in de gelegenheid stelt eventuele onvolkomenheden binnen een bepaalde termijn te herstellen.

Het hierna volgende artikel 4 lid 1 ziet alleen op de – met zekere regelmaat voorkomende – situatie dat een klager zijn klacht bij de Raad heeft ingediend zónder dat hij zich eerst tot het medium heeft gewend. Slechts voor die gevallen is bepaald dat de secretaris de klager wijst op de verplichting zijn bezwaren kenbaar te maken aan de eindverantwoordelijke van het medium, hetgeen tot uitdrukking is gebracht met de woorden ‘zo nodig’.

De herzieningskamer is dan ook niet van oordeel dat de conclusie van de Raad op dit punt is gebaseerd op ten onrechte als vaststaand geachte feiten. De Raad heeft terecht overwogen dat klager – door zijn bezwaren voor te leggen aan de journalist – zijn klacht op voor de hand liggende wijze aan het medium heeft voorgelegd. In lijn met de hiervoor genoemde eerdere conclusie (RvdJ 2016/24) heeft de Raad vervolgens overwogen dat de klager er in zo’n geval van mag uitgaan dat de journalist de klacht intern in het gewenste kanaal zal brengen dan wel klager uitdrukkelijk erover informeert dat de klacht elders (bijvoorbeeld bij de hoofdredactie) moet worden ingediend.

Niet valt in te zien waarom hierdoor in de toekomst het contact tussen (journalisten van) het medium en bronnen/betrokkenen – waaronder begrepen het toepassen van wederhoor – als zodanig behandeld zou moeten worden als potentiële klacht, zoals verzoekers hebben aangevoerd. Het benaderen van bronnen voor het vergaren van informatie en van betrokkenen voor toepassing van wederhoor vindt plaats voorafgaand aan een publicatie. Het uiten van bezwaren zal daarentegen doorgaans plaatsvinden ná publicatie. Overigens heeft de Raad in zijn conclusie uitvoerig uiteengezet waarom naar zijn mening in dit geval de ‘opmerkingen’ van X in zijn contact met Van der Boon op 16 augustus 2016 als bezwaren moesten worden beschouwd.

Verder blijkt uit het verzoek dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad. Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekers eerder al in hun reactie op de klacht hebben geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Voor een herziening alleen op grond van (aanvullende) stellingen biedt het Reglement geen ruimte. Dat verzoekers het niet eens zijn met het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Het is niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2016/31
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 23 juni 2017 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. dr. Y.M. de Haan en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.



Publicatie in Het Financieele Dagblad d.d. 27 juli 2017