2017/1 onzorgvuldig

Samenvatting

V. van der Boon en Het Financieele Dagblad hebben in het artikel “Gearresteerde notaris vestigde verdacht bedrijf bij onwetende burger” op journalistiek onzorgvuldige wijze aandacht besteed aan een tuchtzaak tegen de betrokken notaris (klager). In de kop is de tuchtzaak, die ging over het doorgeven van een adreswijziging bij de Kamer van Koophandel, verweven met de arrestatie van klager in een andere kwestie. Bij de lezer is de onjuiste indruk gewekt dat klager in zijn functioneren als notaris verwijtbaar heeft gehandeld bij de vestiging van een  bedrijf, terwijl de klacht hierover in de tuchtzaak (ook) in hoger beroep is afgewezen. Die indruk is door de verdere inhoud van het artikel versterkt. Hiermee is geen recht gedaan aan de betekenis van de uitspraak van het hof in de tuchtzaak. De Raad doet de aanbeveling aan Het Financieele Dagblad deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

V. van der Boon en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad

De heer mr. X te […] (klager) heeft op 7 september 2016 een klacht ingediend tegen de heer V. van der Boon en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad (FD). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van klager en mevrouw mr. N. Schumacher, advocaat van Van der Boon en FD, van 16 september 2016 en van 13 en 15 oktober 2016.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 21 oktober 2016. Klager was daar aanwezig vergezeld door de heer mr. Y. Aan de zijde van de krant zijn daar mevrouw Schumacher en de heren Van der Boon (redacteur), S. Eikelenboom (redacteur) en P. Battes (adjunct-hoofdredacteur) verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een notitie.

DE FEITEN

Op 1 juli 2016 is in Het Financieele Dagblad een artikel van de hand van Van der Boon verschenen – aangeduid als ‘Uitspraak’ – met de kop “Gearresteerde notaris vestigde verdacht bedrijf bij onwetende burger” en de onderkop “Gedupeerde signaleert structureel risico op faillissementsfraude”. Het artikel bevat verder onder meer de volgende passage:
 “De onlangs aangehouden [woonplaats] notaris [X] schreef een vermoedelijk bij faillissementsfraude betrokken bedrijf in het Handelsregister in op het woonadres van een onwetende burger. De juriste van het slachtoffer spreekt van ‘het dumpen van besloten vennootschappen op willekeurige adressen’.
Dit blijkt uit een tot nu toe onopgemerkte uitspraak van de Notaris- en gerechtsdeurwaarders-kamer van het Amsterdamse gerechtshof van 14 juni en het bijbehorende dossier in een tuchtzaak die de gedupeerde tegen notaris [X] aanspande.
Het toeval wil dat op de dag van deze uitspraak de Fiod [X] arresteerde. Het Openbaar Ministerie verdenkt hem en twee tegelijk in Bunnik en Amsterdam aangehouden kandidaat-notarissen van het faciliteren van grootschalige faillissementsfraude.
Na zijn arrestatie is [X] door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) geschorst. Vorig jaar is hij ook al eens twee weken geschorst, blijkt uit het openbare KNB-register. De tuchtzaak waarover het hof uitspraak deed, heeft [X] gewonnen. Maar de aanleiding van de klacht tegen hem blijft opmerkelijk, evenals de motivatie van de uitspraak van het hof.”
en
“Volgens de klager wijzen notarissen en Kamer van Koophandel naar elkaar als het gaat om de verantwoordelijkheid voor de juistheid van adressen in het Handelsregister. KvK en KNB herkennen dat niet. Het hof oordeelt dat de notaris ‘geen nader onderzoek’ naar de juistheid van het vestigingsadres van […] had hoeven doen. ‘Ziedaar het recept voor adresfraude met bv’s, in combinatie met faillissementsfraude’, concludeert de klager.”

Voorafgaand aan de publicatie – op 30 juni 2016 – heeft Van der Boon in een e-mail aan klager, met CC aan diens kantoorgenoot mr. Y, het volgende geschreven:
“Met het oog op een voorgenomen publicatie in Het Financieele Dagblad zou ik graag een reactie van jullie willen vragen op de verdenkingen van het OM die hebben geleid tot de aanhouding van [X]. Ik kom procedures tegen die tegen [X] zijn gevoerd vanwege het beweerdelijk op willekeurige adressen inschrijven in het Handelsregister van bedrijven die daarna betrokken bleken te zijn bij vermoede faillissementsfraude. Volgens mijn bronnen ligt daar een relatie met de arrestatie. Kunnen jullie daar ook op reageren? En klopt het dat [X] (en [kantoornaam]) financiële problemen hebben?”
Hierop heeft mr. Y in een e-mail van dezelfde dag onder meer aan Van der Boon het volgende bericht:
“In antwoord op onderstaande kan ik u berichten dat uw bron kennelijk vervuild is, althans daar deugt niks van.
1. [kantoornaam] noch mr. [X] heeft een financieel probleem;
2. De suggestie dat mr. [X] willekeurig adressen inschrijft raakt kant noch wal, althans dat werd door een zekere dame beweerd wiens klacht zowel in eerste aanleg als bij het Hof Amsterdam is afgeserveerd.
3. Tussen sub 2 en het onderhavige onderzoek bestaat geen enkel verband.
4. Gelet op dat ik eerder heb opgemerkt dan onder journalistieke vrijheid kennelijk tevens wordt verstaan om op halve feiten een verhaaltje te publiceren (NRC) is het wellicht te adviseren dat u een concept aan mij voorlegt.”
Hierop heeft Van der Boon diezelfde dag gereageerd als volgt:
“Dank zo ver. Het ter accordering voorleggen van concept-publicaties doet het FD zelden en in dit soort gevallen eigenlijk nooit. Ik zie daar in dit geval ook geen reden toe. Wat het NRC schrijft, kan het FD niet kwalijk worden genomen.
Belangrijk is wel expliciet de vraag te stellen of de heer [X] de verdenkingen van het OM aan zijn adres van de hand wijst.”

Vervolgens is op 2 augustus 2016 een artikel in Het Financieele Dagblad verschenen met de kop “Kantoor van fraude verdachte notaris [X] bankroet”.

Naar aanleiding van de publicatie van 1 juli 2016 en het artikel van 2 augustus 2016 heeft klager contact opgenomen met Van der Boon en heeft op 16 augustus 2016 een gesprek plaatsgevonden. Vervolgens heeft klager op 18 augustus 2016 in een e-mail aan Van der Boon het volgende geschreven:
“Bij deze bevestig ik de ontvangst in goede orde van onderstaand bericht [de e-mail van Van der Boon van 30 juni 2016] en in vervolg op het gesprek van dinsdag 16 dezer waarin is afgesproken dat u een aanvullend artikel zult publiceren met toevoegingen casu quo verbeteringen op de artikelen van 1 juli respectievelijk 2 dezer zodat de onjuistheden in die artikelen zullen worden recht gezet zend ik u volgens afspraak een foto in jpg formaat.”
Hierop heeft Van der Boon diezelfde dag gereageerd als volgt:
“Dank u wel. Zoals ik u in ons prettige gesprek uitlegde is ons inziens van onjuistheden in de eerdere berichtgeving geen sprake, maar is er journalistieke reden voor aanvullende vervolgberichtgeving waarin we ook zullen melden dat u tegen bepaalde eerdere gepubliceerde zaken anders aankijkt. En die vervolgberichtgeving zal een ander licht op de eerder gepubliceerde berichtgeving werpen.”

Verder zijn op 5 en 7 september 2016 artikelen in Het Financieele Dagblad verschenen waarin over (onder meer) klager is bericht.

Klager heeft zijn klacht beperkt tot het artikel van 1 juli 2016.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager voert – kort samengevat – aan dat in het bestreden artikel een onjuist verband is gelegd tussen het opsporingsonderzoek waarin hij verdachte is en de uitspaak van het hof in de tuchtzaak. In die tuchtzaak ging het om de vraag of hij onzorgvuldig c.q. frauduleus had gehandeld bij het doorgeven van een adreswijziging van een BV na een aandelenoverdracht aan de Kamer van Koophandel. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de klacht tegen hem ongegrond verklaard. Het hof heeft geoordeeld dat hij heeft mogen afgaan op het aan hem opgegeven gewijzigde vestigingsadres van de BV – zoals dat was vermeld in een aan hem getoonde huurovereenkomst – en dat het hem niet tuchtrechtelijk valt te verwijten dat hij geen nader onderzoek heeft gedaan. Van enige (vermeende) faillissementsfraude was in deze tuchtzaak geen sprake. Verder wijst klager erop dat tijdens de mondelinge behandeling op 31 maart 2016 werd bepaald dat de uitspraak op 14 juni 2016 zou volgen. Op laatstvermelde dag werd klager door de FIOD aangehouden. De gecombineerde vermelding in het bestreden artikel van de uitspraak van de tuchtrechter en de aanhouding door de FIOD op die dag is onjuist althans mist iedere grondslag.
Volgens klager heeft hij in het gesprek van 16 augustus 2016 met Van der Boon, waarbij ook Eikelenboom aanwezig was, zijn bezwaren tegen de inhoud van het artikel toegelicht. Daarbij heeft hij ook te kennen gegeven dat hij het niet eens was met het in het artikel gelegde verband tussen zijn arrestatie en de tuchtzaak. Omdat die bezwaren door de vervolgartikelen in september 2016 niet zijn weggenomen, heeft hij zijn klacht aan de Raad voorgelegd.
Op de zitting heeft klager desgevraagd uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zijn klacht is beperkt tot het artikel van 1 juli 2016 en dat hij geen bezwaar (meer) maakt tegen de vermelding van zijn naam in dat artikel.

Van der Boon en FD stellen allereerst dat klager zich niet eerst op een zodanige wijze tot hen heeft gewend, dat voor hen kenbaar had kunnen of moeten zijn dat hij een klacht had. Klager heeft op maandag 15 augustus 2016 telefonisch contact opgenomen met Van der Boon en meegedeeld dat hij ‘opmerkingen had over de publicaties’. Van der Boon heeft klager daarop uitgelegd dat de krant nog een hoop vragen voor hem had en hem uitgenodigd voor een gesprek de volgende dag. In dat gesprek heeft klager een aantal inhoudelijke opmerkingen gemaakt over de publicaties, maar hij heeft hierover geenszins een ‘klacht’ ingediend. De opmerkingen die klager had, konden ook ter plekke worden ‘uitgelegd’ en ‘rechtgezet’. Zo stelde klager dat in het artikel van 1 juli 2016 ten onrechte niet was vermeld dat hij de tuchtprocedure zou hebben gewonnen, maar die stelling bleek onterecht. Een tweede opmerking van klager betrof het artikel van 2 augustus 2016. Klager heeft in dit gesprek erkend dat zijn opmerkingen geen doel troffen. Op de zitting voegt Van der Boon hieraan desgevraagd toe dat in het gesprek ook het gelegde verband tussen klagers arrestatie en de tuchtzaak is besproken. Dit heeft hij echter niet ervaren als een klacht, maar als een opmerking van klager. Hij was blij dat klager belde en met nadere informatie kwam. Naar aanleiding van dit  gesprek hebben klager en Van der Boon op 18 augustus 2016 via e-mail gecorrespondeerd. Hierna heeft nog een gesprek plaatsgevonden op 2 september 2016, dat enkel zag op de voorgenomen vervolgpublicaties waaraan klager heeft meegewerkt. Het kwam dan ook als een verrassing dat klager is overgegaan tot het indienen van een klacht bij de Raad. Overigens vinden Van der Boon en FD dat de gegevens van klager en zijn concrete bezwaren niet duidelijk in zijn klacht zijn vermeld. Van der Boon en FD menen dan ook dat de klacht niet voor een inhoudelijke behandeling door de Raad in aanmerking komt.
Voor het geval de Raad de klacht toch beoordeelt, stellen Van der Boon en FD dat het verband tussen de tuchtzaak en de arrestatie van klager zonneklaar is; beide hebben verband met (mogelijke) faillissementsfraude, al dan niet gefaciliteerd door klager. In het artikel is gemeld dat klager deze procedure heeft gewonnen. Verder is melding gemaakt van de ‘toevalligheid’ dat op de dag van de uitspraak klager is gearresteerd. In het kader van hoor en wederhoor is zowel de klaagster in de tuchtrechtelijke procedure als klager en zijn kantoorgenoot om een reactie gevraagd. De klaagster in de tuchtrechtelijke procedure is in het artikel geciteerd. Aan haar mening is op geen enkele wijze een waardeoordeel of conclusie verbonden. Klager heeft daarentegen nooit op het verzoek om een reactie gereageerd. Het is dan ook niet meer dan logisch dat enkel de toelichting van klaagster in  de tuchtrechtprocedure is opgenomen, als aanvulling op de inhoud van het openbare vonnis en het bijbehorende dossier. De publicatie is zorgvuldig tot stand gekomen, waarheidsgetrouw, controleerbaar en volledig, aldus Van der Boon en FD.

BEOORDELING VAN DE JUISTHEID VAN DE INDIENING VAN DE KLACHT

Van der Boon en FD hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat de klacht niet behandeld kan worden, omdat niet zou zijn voldaan aan dat wat is bepaald in artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad. De Raad overweegt hiertoe het volgende.

Met de ingang van zijn nieuwe werkwijze per 1 november 2013 – waarover de mediasector vooraf uitvoerig is geconsulteerd – fungeren media als eerste lijn in de afhandeling van klachten. In artikel 2a lid 1a van het Reglement is bepaald dat een klager, voordat hij zich tot de Raad kan wenden, zijn bezwaren eerst moet voorleggen aan het medium (hierna: de interne klachtprocedure). In het Reglement is niet nader omschreven tot welke persoon, behorend tot ‘het medium’, een klager zich moet richten. In de informatie op de website van de Raad is vermeld, dat dit bij voorkeur de eindverantwoordelijke – meestal de hoofdredacteur – is.

Elk medium is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van zijn interne klachtprocedure en dient daarover duidelijk met zijn publiek te communiceren. Het FD heeft kennelijk geen klachtprocedure ingericht. De klacht is hier op een voor de hand liggende wijze aan het medium voorgelegd, namelijk via de betreffende journalist. Klager mag ervan uitgaan dat deze journalist de klacht intern in het gewenste kanaal zal brengen. Doet hij dit niet, dan dient de journalist klager uitdrukkelijk erover te informeren dat de klacht elders (bijvoorbeeld bij de hoofdredactie) moet worden ingediend.

Niet ter discussie staat dat klager zich naar aanleiding van (onder meer) het artikel van 1 juli 2016 tot Van der Boon heeft gewend met ‘opmerkingen’ over het artikel en dat zij op 16 augustus 2016 een gesprek hebben gevoerd. Van der Boon heeft desgevraagd op de zitting erkend dat tijdens dat gesprek ook het in het artikel gelegde verband tussen de arrestatie van klager en de tuchtzaak is besproken. Volgens Van der Boon en FD zijn de ‘opmerkingen’ van klager ter plekke ‘uitgelegd’ en ‘rechtgezet’.
Naar aanleiding van het gesprek heeft klager vervolgens in zijn e-mail van 18 augustus 2016 aan Van der Boon geschreven dat een vervolgpublicatie is afgesproken met toevoegingen casu quo verbeteringen, zodat de onjuistheden zullen worden recht gezet’. Daarop heeft Van der Boon geschreven dat ‘zoals uitgelegd in het gesprek van onjuistheden in de eerdere berichtgeving geen sprake is, maar dat er journalistieke reden is voor aanvullende vervolgberichtgeving’.

Hoewel de standpunten van de partijen over de aard van het gesprek uiteenlopen, meent de Raad dat uit het voorgaande blijkt dat de ‘opmerkingen’ van klager wel degelijk als bezwaren – te weten: de berichtgeving is onjuist – moeten worden beschouwd.

Het is voorts niet onredelijk dat klager eerst de vervolgberichtgeving heeft afgewacht, om te bezien of daarmee alsnog aan zijn bezwaren tegemoet zou worden gekomen. Vervolgens kon klager – gezien de eerdere mededelingen van der Boon – er van uit gaan dat nader overleg niet tot een andere uitkomst zou leiden. Hij mocht zijn klacht als afgehandeld beschouwen en hij heeft zich daarna tijdig tot de Raad gewend.

Verder meent de Raad dat uit het klaagschrift blijkt dat de klacht is ingediend door klager in persoon en dat daarin de bezwaren tegen het artikel van 1 juli 2016 voldoende duidelijk zijn verwoord.

Het vorenstaande leidt de Raad er toe de klacht inhoudelijk te beoordelen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat in het artikel van 1 juli 2016 een onjuist verband wordt gelegd tussen de arrestatie van klager in het kader van een opsporingsonderzoek naar faillissementsfraude en de tuchtzaak waarbij hij was betrokken. Raad zal zich tot die kern beperken.

De Raad merkt op dat indien een journalist zich baseert op juridische stukken, waaronder vonnissen – die met nauwkeurigheid van woordkeuze plegen te worden opgezet – hij bijzonder zorgvuldig dient te zijn bij het in eigen woorden weergeven van die stukken. Voorkomen moet worden dat de parafrases en citaten van dien aard zijn dat daarmee een andere betekenis c.q. lading aan de feiten wordt gegeven, dan in de gebruikte bronnen.

In de kop van het gewraakte artikel luidende “Gearresteerde notaris vestigde verdacht bedrijf bij onwetende burger” zijn twee kwesties op zodanige wijze bij elkaar gebracht dat daarmee – ten onrechte – wordt gesuggereerd dat sprake is van één zaak, waarbij klager is gearresteerd vanwege het ‘vestigen van een verdacht bedrijf bij een onwetende burger’. Door de subkop luidende: “Gedupeerde signaleert structureel risico op faillissementsfraude” wordt, in samenhang met de kop, de indruk gewekt dat klager (ook) in de kwestie waarvan de kop bericht, is beschuldigd van faillissementsfraude, dat evenzeer ten onrechte.  
Het is aannemelijk dat het artikel vervolgens wordt gelezen vanuit het perspectief van de kop, waarbij de lezer zich moeilijk aan de (onjuiste) indruk zal kunnen onttrekken dat klager als notaris verwijtbaar heeft gehandeld bij de vestiging van een bedrijf. Hoewel in het artikel wordt vermeld dat klager de tuchtzaak heeft gewonnen, wordt de daarmee strijdige indruk versterkt door de verdere inhoud van het artikel. Enerzijds door de omlijsting met berichtgeving over de strafzaak – waarmee het artikel ook wordt afgesloten – anderzijds doordat de tuchtzaak enkel vanuit het perspectief van de klaagster wordt besproken. In die context kan de aanduiding van de motivering van het hof als ‘opmerkelijk’ moeilijk anders dan als een diskwalificatie worden opgevat.

Door deze wijze van berichtgeving wordt de vrijspraak van klager – dat wil zeggen: de ongegrond bevinding van de tegen hem in zijn functioneren als notaris ingediende klacht impliciet neergezet als een veroordeling. Hiermee is geen recht gedaan aan de betekenis van de uitspraak van het hof in de tuchtzaak. Dit klemt te meer nu het artikel is gerubriceerd als ‘Uitspraak’, hetgeen door de lezer doorgaans zal worden opgevat als een feitelijke en (min of meer) objectieve weergave van de zaak waarover wordt bericht.

Een en ander leidt tot de conclusie dat Van der Boon en Het Financieele Dagblad journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

Relevant punt uit de Leidraad van de Raad: A.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2016/42, RvdJ 2016/24, RvdJ 2011/79 en RvdJ 2011/65
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2a

CONCLUSIE

Van der Boon en Het Financieele Dagblad hebben journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

De Raad doet de aanbeveling aan Het Financieele Dagblad om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 11 januari 2017 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, S. Kuijper, mw. H.M.M. Nietsch, A. Olgun en mw. J.R. van Ooijen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.



Publicatie in Het Financieele Dagblad d.d. 27 juli 2017