2016/8 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht van Stichting Ibuka Nederland tegen A. Verbraeken, H.E. Botje en Vrij Nederland (RvdJ 2015/20) te herzien. Verbraeken, Botje en Vrij Nederland hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Zij maken in hoofdzaak bezwaar tegen de door de Raad gehanteerde normen en de afwegingen die de Raad ter zake heeft gemaakt. Dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

A. Verbraeken, H.E. Botje en de hoofdredacteur van Vrij Nederland

tot herziening van de conclusie van de Raad van 23 november 2015 (RvdJ 2015/20) betreffende de klacht van

Stichting Ibuka Nederland

A. Verbraeken, H.E. Botje en de hoofdredacteur van Vrij Nederland (verzoekers) hebben op 3 december 2015 verzocht om herziening van de conclusie van 23 november 2015 inzake de klacht van Stichting Ibuka Nederland (Stichting Ibuka). Stichting Ibuka heeft op 9 december 2015 op het herzieningsverzoek gereageerd en in een e-mail van 28 december 2015 nog twee bijlagen aan de Raad gestuurd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 15 januari 2016 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Stichting Ibuka heeft op 20 augustus 2015 een klacht ingediend tegen verzoekers over het artikel “’Ik een moordenaar? Integendeel’”. De Raad heeft bij conclusie van 23 november 2015 beslist dat verzoekers journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“De Raad heeft de kern van de klacht zo opgevat dat het verhaal van Iyamuremye op zodanige wijze is opgetekend, dat daardoor een niet-waarheidsgetrouw en tendentieus beeld is geschetst over (diens rol in) de genocide in Rwanda. De Raad zal zich tot deze kern beperken.
De Raad stelt voorop dat journalisten waarheidsgetrouw, controleerbaar en zo volledig mogelijk behoren te berichten. Ze vermijden eenzijdige en tendentieuze berichtgeving, verrichten hun werk in onafhankelijkheid en vermijden (de schijn van) belangenverstrengeling. In hun publicaties maken journalisten een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen.
In het artikel is vermeld dat Verbraeken zich ‘al jaren bezighoudt met Rwanda en vooral ook met de innige Nederlands-Rwandese verhoudingen’ en dat zij een brief aan staatssecretaris Fred Teeven heeft ondertekend waarin werd gevraagd af te zien van uitzetting van Rwandezen die van genocide worden verdacht omdat hun ‘geen eerlijke en onpartijdig proces’ te wachten staat in Rwanda. Hoewel hiermee (enige) transparantie is gegeven over de betrokkenheid van Verbraeken bij de kwestie, biedt dit haar geen vrijbrief om zo over de kwestie te berichten als zij heeft gedaan.
Weliswaar staat het een journalist vrij over een bepaald feit zijn mening te verkondigen, maar dan moet duidelijk zijn dat het om zijn persoonlijke opvatting gaat. Dat is hier echter niet gebeurd. In het artikel is onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de beschrijving van de feitelijke situatie en de subjectieve inkleuring daarvan door de journalisten. Een subjectieve inkleuring is gebruikelijk voor een opiniestuk, maar het artikel is niet (voldoende) als zodanig herkenbaar.
De Raad acht het aannemelijk dat de gemiddelde lezer – óók die van Vrij Nederland – de publicatie moeilijk anders kan hebben opgevat dan als een objectief stuk en zich niet aan de indruk kan hebben onttrokken dat het verhaal van Iyamuremye wel waar moet zijn, terwijl aan de lezer onvoldoende duidelijk is gemaakt welke activistische rol Verbraeken in deze kwestie inneemt. Hierdoor is sprake van niet-waarheidsgetrouwe en tendentieuze berichtgeving.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekers stellen – samengevat – dat Vrij Nederland een opinieweekblad is, geen medium voor de verspreiding van feitelijke berichten. Het is eigen aan het blad dat het elke week artikelen bevat die je ‘subjectief ingekleurd’ zou kunnen noemen. De lezer is er geheel mee vertrouwd dat artikelen meer of minder opiniërend kunnen zijn.
Zij menen verder dat ‘objectiviteit’ geen voorwaarde is voor journalistiek zorgvuldig handelen. Het is ook geen algemeen aanvaarde norm. De ‘objectiviteitsnorm’ is strijdig met de betekenis van de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en het belang van een pluriform aanbod van media, aldus verzoekers.
Volgens hen blijkt uit de toelichting op de conclusie dat sprake is van ‘niet-waarheidsgetrouwe en tendentieuze berichtgeving’ dat de Raad zich niet zozeer heeft gebaseerd op de feitelijke inhoud van het artikel, maar op de ‘aanname’ dat het de lezer niet voldoende duidelijk zou zijn gemaakt dat het geen ‘objectief’ artikel betreft en dat dus het verhaal van Iyamuremye ‘wel waar moet zijn’. Het ‘waarheidsgetrouwe’ gehalte kan hoogstens op grond van de tekst van het artikel en de daarin vermelde feiten geconcludeerd worden, maar daarvan is in de conclusie geen sprake.
Verzoekers voeren verder aan dat het oordeel van de Raad mede is gebaseerd op het verwijt dat ‘aan de lezer onvoldoende duidelijk is gemaakt welke activistische rol Verbraeken in deze kwestie inneemt’. Ook in dit verband blijkt het oordeel te berusten op de onjuiste aannames over objectiviteit als norm, waarbij subjectiviteit, ook in een opinieweekblad slechts toelaatbaar is indien de lezer daarvoor luid en duidelijk is gewaarschuwd.
Ten slotte zou een nieuw feit betrokken kunnen worden bij het herzieningsverzoek: de voorzieningenrechter in Den Haag heeft op 27 november 2015 de Staat verboden om Iyamuremye uit te leveren, tenzij hij de ernstige bezwaren tegen de rechtsgang in Rwanda kan wegnemen. Uit het vonnis van de rechter en de onderliggende stukken mag duidelijk zijn dat de rechtsgang in Rwanda als het om genocide gaat, tenminste omstreden is. De kritische kanttekeningen van een betrokken journalist, die in haar artikel een genocideverdachte – in afwachting van zijn door de Staat bevolen uitzetting – aan het woord laat, zijn daarom niet alleen relevant, maar blijken ook op meer feiten gebaseerd dan op slechts de ‘subjectieve’ overtuiging van een ‘activiste’.

Stichting Ibuka stelt daar – samengevat – tegenover dat de discussie die verzoekers voeren over de formulering van de conclusie niet relevant is, omdat zij de context buiten beschouwen laten. Verder meent Stichting Ibuka dat een ‘opinie’ niet als zodanig herkenbaar is wanneer de journalist haar mening als een ‘feit’ beschrijft. Het activisme van Verbraeken is verbloemd. Niet is duidelijk gemaakt dat zij opereert als een vertegenwoordiger van de genocideverdachten en daarom niet de intentie heeft het publiek correct en volledig te informeren. Zij heeft selectief nadelige informatie over de verdachte weggelaten. Dat maakt het artikel per definitie ‘tendentieus’. Een argeloze lezer kan dat niet vermoeden, aldus Stichting Ibuka.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Verzoekers sommen in hun verzoekschrift een aantal bezwaren op die in hoofdzaak betrekking hebben op de door de Raad gehanteerde normen – objectiviteit, subjectiviteit en waarheidsgetrouw – en de afwegingen die de Raad ter zake heeft gemaakt. Daarbij hebben verzoekers hun bezwaren toegelicht aan de hand van een nadere uitwerking van hun eerder ingenomen standpunten – ‘Vrij Nederland is een opinie-weekblad, de lezer weet waar hij aan toe is’ en ‘Verbraeken is transparant geweest, de lezer is niet op een dwaalspoor gezet’ – die als zodanig zijn meegewogen bij de beoordeling van de klacht. Verder hebben verzoekers nog gewezen op een gerechtelijke uitspraak die is gedaan ná de behandeling op de zitting.

Naar het oordeel van de herzieningskamer hebben verzoekers hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2015/1, RvdJ 2014/27 en RvdJ 2014/25
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 22 februari 2016 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, dr. H.J. Evers, mw. J.R. van Ooijen en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.