2016/7 onbevoegd

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek acht zich niet bevoegd te oordelen over een klacht betreffende het televisieprogramma De Rijdende Rechter waaraan Th.H.M. van Schie en J. Hendriks (klagers) hebben meegewerkt. De kern van de klacht is van juridische aard, te weten: de vraag of De Rijdende Rechter heeft gehandeld conform de door klagers ondertekende Bindend Advies Overeenkomst. De Raad beoordeelt echter niet de rechtmatigheid van gedragingen, zodat de klacht niet valt binnen het toetsingskader van de Raad.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Th.H.M. van Schie en J. Hendriks

tegen

de producent van ‘De Rijdende Rechter’  IDTV en omroepvereniging KRO-NCRV

Mevrouw Th.H.M. van Schie en de heer J. Hendriks te Eindhoven (klagers) hebben op 23 november 2015 een klacht ingediend tegen de producent van ‘De Rijdende Rechter’  IDTV en omroepvereniging KRO-NCRV. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van klagers en van mr. A.A.J. van Dijk, Juridische Zaken KRO-NCRV, van 25 november 2015, van 1, 3 en 7 december 2015 en van 7 en 12 januari 2016.

De zaak is besproken op de zitting van de Raad van 15 januari 2016 op basis van de schriftelijke stukken.

DE FEITEN

De Rijdende Rechter is een televisieprogramma – geproduceerd door IDTV en uitgezonden door KRO-NCRV – waarvan een belangrijk element is dat partijen conflicten ter beoordeling voorleggen aan een bindend adviseur. In het kader van een geschil met een huurder hebben klagers meegewerkt aan het programma en in dat verband een Bindend Advies Overeenkomst ondertekend. In de overeenkomst is bepaald dat partijen door ondertekening ervan akkoord gaan met uitzending van het programma. Nadat bindend adviseur mr. Visser op 23 september 2015 een uitspraak had gedaan ten nadele van klagers, hebben zij hun bezwaren daartegen aan de redactie kenbaar gemaakt en verzocht om rectificatie van het bindend advies. Verder hebben zij via het klachtenkompas van de Consumentenbond aan KRO-NCRV verzocht de uitzending op te schorten totdat de klacht tegen De Rijdende Rechter is onderzocht. Hierop heeft KRO-NCRV niet gereageerd. De aflevering over het geschil waarin klagers zijn betrokken, is vervolgens uitgezonden op 10 november 2015.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers maken – kort samengevat – bezwaar tegen de wijze waarop De Rijdende Rechter met de beschikbare informatie is omgegaan en specifiek tegen de handelwijze en uitspraak van mr. Visser. Zij menen dat mr. Visser belangrijke gegevens heeft genegeerd, over het hoofd heeft gezien, of gemanipuleerd. Verder maken zij er bezwaar tegen dat de uitzending niet is opgeschort.
Door de uitzending heeft De Rijdende Rechter willens en wetens het publiek misleid en hen in diskrediet gebracht, aldus klagers.

KRO-NCRV heeft, mede namens IDTV, gesteld dat de Raad niet bevoegd is om over de klacht te oordelen. Het televisieprogramma betreft een registratie van een juridische procedure om te komen tot een bindend advies van mr. Visser. Medewerking aan het programma geschiedt op vrijwillige basis. Partijen die aan het programma meedoen, committeren zich vervolgens aan het Bindend Advies Reglement. Klagers hebben dit ook gedaan.
Dat het programma is gelabeld als een ‘human interest’ programma en dat kijkers geïnformeerd worden op welke wijze een rechter vragen stelt en tot een oordeel komt, maakt niet dat de klacht betrekking heeft op een journalistieke gedraging waarover de Raad kan oordelen. Klagers zijn niet tevreden over de uitspraak van mr. Visser en dat is spijtig voor hen. Zij kunnen bij de gewone rechter het bindend advies aanvechten, niet bij de Raad.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID

Op grond van artikel 3 lid 1 van de statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Kern van de klacht is dat klagers bezwaar maken tegen de werkwijze van mr. Visser in het kader van de bindend adviesprocedure. Daarmee heeft de klacht betrekking op een conflict van juridische aard, te weten of De Rijdende Rechter heeft gehandeld conform hetgeen is bepaald in de door klagers ondertekende Bindend Advies Overeenkomst. De Raad beoordeelt echter niet de rechtmatigheid van gedragingen. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Dat klagers zich verzetten tegen de uitzending van de behandeling van het geschil is onverbrekelijk verbonden met hun klacht over de inhoud van het bindend advies.

De Raad concludeert dat de klacht niet valt binnen het kader waarin hij klachten beoordeelt, zodat hij niet bevoegd is over de klacht te oordelen.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2015/25 en RvdJ 2013/9
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 9 lid 3

CONCLUSIE

De Raad is onbevoegd om over de klacht te oordelen.

Zo vastgesteld door de Raad op 22 februari 2016 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, dr. H.J. Evers, mw. J.R. van Ooijen en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.