2016/42 deels-onzorgvuldig

Samenvatting

In een uitzending van het jeugdprogramma Welkom in de IJzeren Eeuw (NTR) met de titel ‘Arm en Rijk’ is aandacht besteed aan industrieel Z. Gezien de luchtige, humoristische toon van het programma, waarbij overdrijving als stijlmiddel niet wordt geschuwd, zijn met de aanduidingen ‘ergste uitbuiter’, ‘ergste slavendrijver van de 19e eeuw’ en ‘het kwade gezicht van de kinderarbeid’ geen grenzen van zorgvuldige journalistiek overschreden. Dit concludeert de Raad naar aanleiding van een klacht van X c.s., nabestaanden van Z. Wel meent de Raad dat de omroep onvoldoende inhoudelijk is ingegaan op de klacht en daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld. De Raad doet de aanbeveling aan de omroep om deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting [familienaam], Association Familiale [familienaam], X en Y

tegen

de hoofdredacteur van Welkom in de IJzeren Eeuw (NTR)

De heer X heeft op 7 juli 2016 mede namens Stichting [familienaam], Association Familiale [familienaam] en Y (klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het televisieprogramma Welkom in de IJzeren Eeuw (NTR). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie betrokken van klagers en mr. M.C. Coops, advocaat van Stichting NTR, van 18 en 25 augustus 2016 en van 6 september 2016.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 9 september 2016. Aan de zijde van klagers was de heer X aanwezig, vergezeld door mevrouw [familienaam]. Namens de omroep waren mr. Coops, de heer N. Barendsen (producent) en de heer M. Verlouw (bedrijfsjurist NTR) aanwezig. De heer X heeft het standpunt van klagers toegelicht aan de hand van een notitie.

Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 10 januari 2016 is door de NTR een aflevering van het televisieprogramma Welkom in de IJzeren Eeuw uitgezonden met de titel ‘Arm en Rijk’. In de uitzending is onder meer aandacht besteed aan industrieel Z. In de uitzending vraagt (personage) presentatrice Dorine aan haar gasten (personages) kinderarbeiders Jan, Piet-Joris en Korneel “Wie was nou de ergste uitbuiter?”, waarop wordt geantwoord: “Dat was meneer [Z] uit Limburg, met zijn fabrieken. Hij was de ergste slavendrijver van de eeuw.”
Vervolgens wordt een ‘reportage’ uitgezonden waarin (personage) Z voor zijn fabriek wordt geïnterviewd door een (personage) reporter. Een deel van dit gesprek luidt:
Reporter:     “U bent de rijkste man van Nederland hè?”
Z:                “Ja, dat klopt. Dat komt omdat ik zoveel glasblazerijen heb hè, allemaal in Maastricht hè! (…) Die fabrieken van mij die gaan nooit dicht. [bordje ‘echt waar’ in beeld] De ene ploeg gaat erin en de andere ploeg die komt eruit. Maastricht leeft.”
Reporter:     “O ja?”
Z:                “Ja, vroeger was het allemaal armoede hier. Eén derde van de mensen was werkloos tuig!”
Reporter:     “Ja, maar toen kwam u.”
Z:                “Ja, en ik heb die mensen werk gegeven, ik heb ze kansen gegeven en ik heb ze huizen gegeven!”
Reporter:     “Ja, ze werken 12 uur achter elkaar, ze zijn kapot!”
Z:                “Nou, ik werk toch ook altijd keihard, daarom ben ik zo rijk. (…)”
Reporter:    “U stuurt uw arbeiders persoonlijk aan het werk in uw nachthemd?” [bordje ‘echt waar’ in beeld]
Z:                “Jaaa, maar ik doe nog veel meer! Ik heb ze scholen gegeven, ik heb ze cafés gegeven en ik heb ze kansen gegeven. Bravo! Applausje voor mezelf!”
Reporter:    “En toch bent u het kwade gezicht van de kinderarbeid” [bordje ‘echt waar’ in beeld]
Z:                “Ach, wat is er nou tegen kinderarbeid? Die kinderen willen toch dolgraag een centje verdienen? En u wilt toch ook een glas om uw wijn uit te drinken? (…)”

Op 21 maart 2016 hebben klagers hun bezwaren tegen de uitzending uitvoerig gemotiveerd voorgelegd aan de NTR. Hierop heeft de heer Verlouw gereageerd in een e-mail van 5 april 2016, waarin hij onder meer het volgende heeft geschreven:
“Hoewel wij begrip hebben voor het feit dat u de doelstellingen van uw stichting nastreeft, staat het een nieuwsmedium als NTR vrij om te bepalen waarover zij bericht en op welke wijze zij dit doet, zolang daarbij maar de journalistieke zorgvuldigheid in ogenschouw wordt genomen. Naar aanleiding van uw klacht hebben wij de aflevering in dat kader nogmaals met een kritische blik teruggekeken en komen wij nu ook weer tot de conclusie dat de onderliggende aflevering van ‘Welkom in de IJzeren Eeuw’ journalistiek zorgvuldig tot stand is gekomen. Geheel onverplicht geven wij nog mee dat dit niet alleen onze mening is, maar ook die van de historicus die bij de totstandkoming van de uitzending nauw betrokken is geweest. (…) Wij gaan er dan ook vanuit dat hiermee de klacht is afgehandeld.”
Klagers hebben hierop diezelfde dag gereageerd in een e-mail, waarin zij onder meer het volgende aan Verlouw hebben bericht:
“U gaat op geen van onze bezwaren inhoudelijk in, laat staan dat ze door u weerlegd zijn. (…) Uw al te gemakkelijke aanname dat onze klacht met uw ontluisterend oppervlakkige respons afgehandeld zal zijn, berust uiteraard op een misverstand. U noopt ons deze kwestie nu voor te leggen aan de Raad voor de Journalistiek.”
Daarop heeft de heer Panday, eveneens bedrijfsjurist NTR, nog diezelfde dag geantwoord als volgt:
“Het is jammer dat u de e-mail van mijn collega van 5 april jl. kennelijk anders leest dan bedoeld. De bedoeling van deze e-mail was om aan u uit te leggen dat NTR bij de totstandkoming van de uitzending journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld en dat de uitzending in samenwerking met een historicus (voor wat betreft de juistheid van de feiten) tot stand is gekomen. Kortom, er is geen sprake van enige onjuistheden en/of onzorgvuldigheden zijdens de NTR. Indien gewenst is NTR bereid om dit, overigens geheel onverplicht, telefonisch nog een keer met u te bespreken en aan u toe te lichten. De door u nader aangekondigde stappen ziet de NTR in elk geval, mede in het licht van bovenstaande uitleg, met vertrouwen tegemoet.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers voeren aan dat hun voorvader Z, de eerste Nederlandse grootindustrieel, niet voor het eerst wordt verguisd en belasterd wegens het organiseren van vrouwen- en kinderarbeid in zijn fabrieken. Klagers ontkennen niet dat dit fenomeen zich indertijd ook in Maastricht voordeed, maar wél dat hun voorvader met recht is neergezet als ‘de grootste uitbuiter en ergste slavendrijver van de 19e eeuw’.
Juist in de periode waarin – in ieder geval in Maastricht – met meer nuance en evenwicht tegen de persoon en toenmalige sociale omstandigheden van hun voorvader lijkt te worden aangekeken, betreuren zij de misplaatste beeldvorming. De omvangrijke, veelzijdige, economische initiatieven en verdiensten waarmee onder moeilijke omstandigheden een grote industrie is opgebouwd – waaraan Maastricht haar welvaart dankt – blijven ten onrechte onderbelicht. Volgens klagers is hun voorvader  in een quasi karikaturale voorstelling neergezet als een sadistische crimineel. Doordat af en toe ook een bordje met ‘echt waar’ in beeld is gebracht, is de onjuistheid van de boodschap bovendien als een historisch feit gepresenteerd. Klagers wijzen erop dat hun voorvader voor wat betreft zijn kijk op arbeidsomstandigheden een kind van zijn tijd was. De werk- en leefomstandigheden van arbeiders - onder wie vrouwen en kinderen – waren tot diep in de 19e eeuw (nagenoeg) overal erbarmelijk. Dit werd destijds niet als een exces, maar als een ‘fact of life’ beschouwd. De omvang van de vrouwen- en kinderarbeid was in de fabrieken van hun voorvader niet ernstiger of veel minder ernstig dan bij andere bedrijven. Wel was deze omvangrijker in absolute getallen, maar dat komt alleen omdat hij een vele malen groter aantal werknemers in dienst had dan andere Nederlandse fabrikanten. Relatief was het aantal vrouwen en kinderen in zijn dienst zelfs minder dan elders. Ter onderbouwing hiervan hebben klagers diverse bijlagen overgelegd. Klagers concluderen dat in de uitzending onjuiste feiten zijn afgeschilderd en kwalijke toespelingen zijn gedaan, waardoor de reputatie van hun pater familias op ontoelaatbare wijze te schande is gemaakt. Dit werpt ook een smet op de familienaam als zodanig, aldus klagers.
Ten slotte hebben zij aangevoerd dat de omroep op geen enkel onderdeel van de klacht inhoudelijk heeft gereageerd. Klagers beschouwen de afhandelingswijze van de omroep dan ook als ontoereikend, oppervlakkig en onzorgvuldig.

De omroep voert allereerst aan dat de uitzending deel uitmaakt van een historische comedyserie, die zich richt op de jonge kijker en qua onderwerp aansluit bij de geschiedenisserie voor volwassenen. In tegenstelling tot het serieuzere televisieprogramma voor volwassenen, bevat het jeugdprogramma satire over de geschiedenis. Er is niet beoogd een waarheidsgetrouw programma te maken waarin uitsluitend feiten worden gepresenteerd. Volgens de omroep bestaat de uitzending louter uit elementen van niet-journalistieke aard, te weten elementen van overdrijving en vervorming. Verder meent de omroep dat klagers haar niet in de gelegenheid hebben gesteld de klacht af te handelen. Zij heeft klagers immers aangeboden om in gesprek te gaan, maar in plaats van de voorgeschreven route uit het Reglement van de Raad te volgen hebben klagers ervoor gekozen om zich al tijdens de afhandeling van de klacht tot de Raad te wenden. Bovendien kunnen klagers niet als ‘rechtstreeks belanghebbende’ worden aangemerkt, aldus de omroep. Zij meent dan ook dat de Raad niet bevoegd is althans dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klacht, zodat de Raad de klacht niet inhoudelijk kan beoordelen.
Voor het geval de Raad toch overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de klacht stelt de omroep dat zij, nu het gaat om een satirisch programma, een grote mate van vrijheid had en mocht overdrijven en provoceren. Hoewel het programma een educatief element bevat, bestaat het uit gekke typetjes die niet de zuivere realiteit weergeven, maar een schets geven van de werkelijkheid van toen. Aangenomen mag worden dat de kijker het satirische karakter heeft begrepen, vooral omdat daar waar enkele feitelijke beweringen zijn gedaan, wordt gewezen op de juistheid ervan door de melding ‘echt waar’. Die feitelijke beweringen vinden hun grondslag in de gebruikte bronnen, die de omroep als bijlagen heeft overgelegd. Mochten de beweringen toch onjuist zijn, dan zijn deze in ieder geval niet (onnodig) grievend of beledigend gelet op het genre van het programma. Voor de andere beweringen (waardeoordelen) kan de kijker ervan uitgaan dat de weergave is aangedikt of gechargeerd. Overigens was zij niet verplicht om alle feiten en omstandigheden rondom Z aan de kijker te presenteren, aldus de omroep. Zij verwijst ten slotte naar een verklaring van een door haar geraadpleegde historicus, die de aflevering vooraf heeft bestudeerd. Volgens deze historicus bestond er geen grote discrepantie tussen de door de omroep geraadpleegde bronnen, de satirische accentuering van bepaalde aspecten in de uitzending en de visie van klagers op de gebeurtenissen.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID

Op grond van artikel 3 lid 1 van de statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Volgens het eerste lid van artikel 4 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek wordt onder journalistieke gedraging verstaan: “een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep.”
Ingevolge het tweede lid van artikel 4 moet – voor zover thans van belang – onder journalist worden verstaan: “degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard.” 

De gewraakte uitzending bevat zowel elementen van niet-journalistieke aard, zoals satire en amusement, als journalistieke elementen. In de uitzending overheerst het informatieve karakter en hebben de journalistieke elementen een zodanige invloed op de uitzending dat deze in zijn geheel als overwegend van journalistieke aard moet worden aangemerkt. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de uitzending volgens de omroep is gebaseerd op gedegen onderzoek en is gerelateerd aan het informatieve programma voor volwassenen ‘De IJzeren Eeuw’. Naar het oordeel van de Raad is aannemelijk geworden dat het programma in belangrijke mate een educatieve doelstelling heeft, hetgeen wordt versterkt doordat het is opgenomen in het pakket van School TV. De Raad acht zich daarom bevoegd over de klacht te oordelen.

BEOORDELING VAN DE TIJDIGHEID VAN DE INDIENING KLACHT

Volgens artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klager zijn bezwaren over een publicatie eerst voorleggen aan het betrokken medium, voordat hij zijn klacht bij de Raad kan indienen. Dit dient te gebeuren binnen drie maanden na het plaatsvinden van de journalistieke gedraging waartegen klager bezwaar heeft. Daarna heeft het medium maximaal één maand de gelegenheid om de klacht af te handelen. Vervolgens kan de klager zijn klacht indienen bij de Raad en wel uiterlijk binnen zes maanden na de gewraakte publicatie.

Klagers hebben hun klacht op 21 maart 2016 voorgelegd aan de NTR. Hierop heeft Verlouw op 5 april 2016 aan klagers bericht dat de omroep meent dat de uitzending journalistiek zorgvuldig tot stand is gekomen en ervan uit gaat dat hiermee de klacht is afgehandeld. Nadat klagers daarop hebben gereageerd, heeft Panday in zijn antwoord van 6 april meegedeeld dat de omroep blijft bij haar standpunt, maar bereid is om dit telefonisch nog te bespreken en toe te lichten. Gezien deze duidelijke mededelingen hoefden klagers er niet vanuit te gaan dat nader telefonisch overleg nog tot een andere uitkomst zou leiden dan dat hun bezwaren opnieuw van de hand zouden worden gewezen. Zij mochten hun klacht als afgehandeld beschouwen en zij hebben zich vervolgens tijdig tot de Raad gewend.

BEOORDELING VAN HET RECHTSTREEKS BELANG VAN KLAGERS

Op grond van artikel 2 lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klacht worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’, waaronder tevens wordt beschouwd een organisatie die door doelstelling en feitelijk handelen opkomt voor het in geding zijnde belang. De Raad is van oordeel dat klagers, als (organisaties van) de nabestaanden van Z, in dit geval als ‘rechtstreeks belanghebbenden’ kunnen worden aangemerkt.

De Raad zal de klacht dan ook inhoudelijk beoordelen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De uitzending moet worden beschouwd als informatief, maar dat neemt niet weg dat de vorm waarin de informatie is vervat een luchtige, humoristische toon heeft, waarbij overdrijving als stijlmiddel niet wordt geschuwd. De uitlatingen over Z moeten in dit licht worden beoordeeld.

Gezien het voorgaande vindt de Raad dat in de uitzending geen kwalificaties of vergelijkingen voorkomen die journalistiek ontoelaatbaar zijn. Het is voorstelbaar dat de uitzending klagers niet welgevallig is, maar bezien in de context zijn met de aanduidingen ‘ergste uitbuiter’, ‘ergste slavendrijver van de 19e eeuw’ en ‘het kwade gezicht van de kinderarbeid’ geen grenzen van zorgvuldige journalistiek overschreden. Hierbij is van belang dat de kinderarbeid in de fabrieken van Z destijds in absolute getallen het meest omvangrijk was, zoals klagers ook hebben erkend. Overigens is in de uitzending tevens aandacht besteed aan de verdiensten van Z. Zo is onder meer tot uitdrukking gebracht dat hij voor werkgelegenheid heeft gezorgd.
 
Ten aanzien van de afhandeling van de klacht heeft de omroep wel journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Met de ingang van zijn nieuwe werkwijze per 1 november 2013 – waarover de mediasector vooraf uitvoerig is geconsulteerd – fungeren (hoofd)redacties als eerste lijn in de afhandeling van klachten en zijn klagers verplicht hun bezwaren eerst aan het betrokken medium voor te leggen. Achtergrond van deze bepaling is dat – in het kader van een goede zelfregulering door de media – partijen eerst samen overleg voeren om te bezien of zij tot een minnelijke oplossing van het probleem kunnen komen. Dit brengt mee dat (hoofd)redacties klachten op een zorgvuldige manier moeten afhandelen. Dit uitgangspunt vraagt een andere klachtafhandeling dan de wijze waarop dat in dit geval is gebeurd. Klagers hebben uitvoerig beargumenteerd waarom zij tegen de uitzending bezwaar hebben en daarop heeft de omroep – met de enkele constatering dat zorgvuldig is gehandeld – onvoldoende inhoudelijk gereageerd. Het enkele aanbod van de omroep om die constatering telefonisch toe te lichten is dan onvoldoende om te komen tot een zorgvuldige klachtafhandeling.

Relevant punt uit de Leidraad van de Raad: C.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2016/5, RvdJ 2014/26, RvdJ 2013/36, RvdJ 2010/33 en RvdJ 2006/68
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2a

CONCLUSIE

Voor zover de klacht is gericht tegen de uitzending van 10 januari 2016 heeft Welkom in de IJzeren Eeuw (NTR) journalistiek zorgvuldig gehandeld. Ten aanzien van het afhandelen van de klacht was de handelwijze van de omroep journalistiek onzorgvuldig.

De Raad doet de aanbeveling aan Welkom in de IJzeren Eeuw (NTR) om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 21 november 2016 door mw. mr. C.C.W. Lange, voorzitter, dr. H.J. Evers, ir. B.L. Hooghoudt, mw. A. Karadarevic en F.Th.H. Ruys, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.