2016/4 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen M. Fennema (RvdJ 2015/16) te herzien. R. Slewe (verzoeker) heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

R. Slewe  

tot herziening van de conclusie van de Raad van 15 oktober 2015 (RvdJ 2015/16) betreffende zijn klacht

tegen

M. Fennema

De heer R. Slewe te Overveen (verzoeker) heeft op 15 oktober 2015 verzocht om herziening van de conclusie van diezelfde dag inzake zijn klacht tegen M. Fennema. Fennema heeft op 20 oktober 2015 op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 27 november 2015 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen. Een van de Raadsleden heeft zich verschoond, waarna het verzoek is beoordeeld door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

De heer Slewe heeft op 31 januari 2015 een klacht ingediend tegen M. Fennema over het artikel “’In Bloemendaal is de maffia de baas’” dat op 8 augustus 2014 op de website van de Volkskrant is gepubliceerd. In een e-mail van 10 augustus 2014 heeft verzoeker zijn bezwaren tegen deze publicatie aan Fennema voorgelegd. Ook heeft hij zich gewend tot de Volkskrant. Op 15 augustus 2014 heeft de Ombudsvrouw van de Volkskrant aan verzoeker onder meer bericht dat onder het artikel zou worden vermeld dat Fennema raadslid is geweest in Bloemendaal en dat verzoeker gelegenheid tot wederhoor zou krijgen. Hierna zijn onder het artikel een redactionele aanvulling en een reactie van verzoeker gepubliceerd.
Verder heeft Slewe geklaagd over het artikel “Guerilla: Oud versus nieuw geld in Bloemendaal” dat op 27 januari 2015 is gepubliceerd op de website van ThePostOnline.

De Raad heeft bij conclusie van 15 oktober 2015 ten aanzien van de klacht over het artikel in de Volkskrant beslist dat deze niet inhoudelijk wordt behandeld en daartoe het volgende overwogen:
“Klager heeft niet op tijd geklaagd over het artikel van 8 augustus 2014. Hij heeft aangevoerd dat hij dacht dat Fennema na deze publicatie gas zou terugnemen, maar dat Fennema dat – gezien het artikel van 27 januari 2015 – toch niet heeft gedaan. Het gaat klager om de combinatie van de twee columns, die op hetzelfde neerkomen: zwartmaken van burgers in Bloemendaal die heel toevallig tegenover een GroenLinks-politica staan, die door Fennema in het zadel is geholpen. Hoewel de Raad begrip heeft voor het standpunt van klager, kan dit niet leiden tot het alsnog in behandeling nemen van de klacht tegen deze berichtgeving. De termijnenregeling zou aanzienlijk aan betekenis verliezen, als deze niet ook in dergelijke gevallen zou worden toegepast. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden zal daarop een uitzondering kunnen worden gemaakt. Daarvan is hier geen sprake.
De Raad behandelt dit onderdeel van de klacht daarom niet inhoudelijk. (…) Het voorgaande neemt niet weg dat de Raad wel heeft kennisgenomen van de gewraakte column van 8 augustus 2014 als toelichting op de klacht voor zover deze is gericht tegen de publicatie van 27 januari 2015.”
Verder heeft de Raad ten aanzien van de klacht tegen het artikel dat op 27 januari 2015 is geplaatst op ThePostOnline beslist dat Fennema journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker stelt dat de Raad ten onrechte heeft beslist dat hij zijn klacht over het artikel van 8 augustus 2014 te laat heeft ingediend. Volgens verzoeker heeft hij een maand na de publicatie telefonisch contact gehad met het secretariaat van de Raad en is hij toen verwezen naar de Volkskrant om eerst daar de zaak te regelen. Daar is enige tijd overheen gegaan omdat er discussie was wie de kop had geschreven. Er is meerdere malen heen en weer gemaild, en ook de Ombudsvrouw van de Volkskrant heeft zich met de kwestie bemoeid, maar verder dan een tekst onder het artikel kwam hij niet. Hij heeft vervolgens nog meerdere pogingen gedaan om de kop verwijderd te krijgen. Omdat dit geen resultaat opleverde, heeft hij vervolgens eind januari zijn klacht bij de Raad ingediend. Zoals verzoeker op de zitting heeft toegelicht, maakt hij vooral bezwaar tegen het artikel op de site van de Volkskrant. Hij heeft in de periode tot aan kerst 2014 meerdere keren telefonisch contact gehad met het secretariaat van de Raad, waarbij hem toen is bericht dat hij de Volkskrant minimaal drie maanden de tijd moest geven. Hij betreurt het ten zeerste dat juist de klacht tegen dit artikel niet wordt behandeld, terwijl hij zich aan de opgegeven termijnen heeft gehouden.

Fennema laat in zijn reactie weten dat hij geen oordeel heeft over de conclusie van de Raad voor zover die betrekking heeft op de procedureregels en de beslissing dat verzoeker zijn klacht over het artikel in de Volkskrant te laat heeft ingediend.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Volgens de klachtregeling van de Raad moet een klager zijn klacht eerst voorleggen aan het betrokken medium. Dit moet gebeuren binnen drie maanden na het plaatsvinden van de journalistieke gedraging waartegen klager bezwaar heeft. Op grond van het Reglement voor de werkwijze van de Raad zoals dit luidde op 31 januari 2015 – de datum waarop de Raad de klacht heeft ontvangen – had het medium maximaal drie maanden de tijd om de klacht af te handelen en moest de klager vervolgens uiterlijk binnen één maand de klacht indienen bij de Raad.

In deze herzieningsprocedure is het aan verzoeker om aannemelijk te maken dat de Raad in zijn conclusie is uitgegaan van ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten’. Dit zal verzoeker moeten toelichten aan de hand van concrete feiten.

Verzoeker heeft niet betwist dat de feiten, waarvan de Raad in zijn conclusie van 15 oktober 2015 is uitgegaan, en zoals weergegeven onder ‘De Feiten’, juist zijn. De Raad heeft dus terecht tot uitgangspunt genomen dat verzoeker zijn bezwaren op 10 augustus 2014 aan Fennema heeft voorgelegd en kort daarna – in ieder geval uiterlijk op 15 augustus 2014, de dag waarop de Ombudsvrouw van de Volkskrant op de bezwaren van verzoeker heeft gereageerd – ook aan de Volkskrant, en dat hij zijn klacht pas op 31 januari 2015 bij de Raad heeft ingediend.
Nu de conclusie niet berust op ten onrechte als vaststaand geachte feiten, ziet de herzieningskamer geen aanleiding tot herziening van de beslissing. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2015/2
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 21 januari 2016 door mw. mr. C.C.W. Lange, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, mw. J.R. van Ooijen en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.