2016/31 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen R. Ranzijn en het Noordhollands Dagblad (RvdJ 2016/15) te herzien. Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 12 mei 2016 (RvdJ 2016/15) betreffende zijn klacht

tegen

R. Ranzijn en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad

De heer X te […] (verzoeker) heeft op 13 mei 2016 verzocht om herziening van de conclusie van 12 mei 2016 inzake zijn klacht tegen de heer R. Ranzijn en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad. Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van klager en de heer G. van ’t Hek, adjunct-hoofdredacteur, betrokken van 20 mei 2016 en van 10 en 16 juni 2016.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 8 juli 2016 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heer X heeft op 6 januari 2016 een klacht ingediend tegen de heer Ranzijn en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad over het artikel “Rechtbank: Dagvaarding kinderporno ‘te vaag’” dat in de editie Schager Courant is verschenen en gaat over een strafzaak tegen klager. In de publicatie is klager aangeduid met zijn initialen en zijn leeftijd. Het slot van dit artikel luidt:
“[X] toonde zich ook verbolgen over de publiciteit rond zijn aanhouding in zijn toenmalige woonplaats […]. Hij voelde zich daardoor genoodzaakt de kleine dorpsgemeenschap te verlaten en naar […] te verhuizen.”
Verder was de klacht gericht tegen het nagenoeg gelijkluidende artikel “Rechtbank in de clinch met OM over kinderporno” dat in de editie Alkmaarsche Courant is gepubliceerd.

De Raad heeft bij conclusie van 12 mei 2016 beslist dat Ranzijn en het Noordhollands Dagblad journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld en heeft daartoe het volgende overwogen:
“De Raad stelt voorop dat het journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar is, dat in berichtgeving over strafzaken de voornaam, initiaal van de achternaam, leeftijd en woonplaats van de betrokkene worden vermeld. In het algemeen kan daarmee worden voorkomen dat de betrokkene eenvoudig kan worden geïdentificeerd.
Vanwege de kleine woonplaats van klager en het delicate onderwerp van de kwestie hebben Ranzijn en de krant ervoor gekozen om de privacy van klager extra te beschermen. Zij hebben ook de voornaam van klager vervangen door een initiaal en de aanduiding van zijn woonomgeving verbreed naar de gemeente waaronder de woonplaats valt.
Verder hebben Ranzijn en de krant voldoende aannemelijk gemaakt dat het journalistiek relevant is om in regionale berichtgeving te vermelden in welke plaats een gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Hiermee wordt een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit geschetst. Hoewel het hier de voormalige woonplaats van klager betreft en klager juist had meegedeeld dat hij zich vanwege de eerdere publiciteit genoodzaakt had gevoeld te verhuizen, vindt de Raad de combinatie van de gegevens toelaatbaar. Het is niet aannemelijk dat klager door het combineren van deze gegevens in de berichtgeving voor het grote lezerspubliek, buiten de voormalige woonkern van klager, eenvoudig identificeerbaar is.
Dit leidt tot de conclusie dat Ranzijn en de krant op verantwoorde wijze de belangen van klager bij de bescherming van diens privacy hebben afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de publicatie is gediend. Er is geen sprake van een ongerechtvaardigde aantasting van klagers privacy. Ranzijn en het Noordhollands Dagblad hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker stelt dat de Raad er ten onrechte van uit is gegaan dat kort na de huiszoeking en de berichtgeving daarover in oktober 2013 al in zijn toenmalige woonkern bekend was dat hij werd verdacht van het bezit van kinderporno. Voor zover hem bekend heeft destijds niemand de huiszoeking gezien en kon een week later geen verband worden gelegd met het artikel daarover in de krant. Pas na de publicaties van september 2015, waarover hij de klacht had ingediend, heeft het zowel in zijn voormalige woonplaats als daarbuiten bekend kunnen worden bij bekenden van verzoeker. Volgens verzoeker gaat het er niet om of herkenning in het grote publieke domein eenvoudig mogelijk is. Het gaat er juist om of je familie, buren, vrienden en kennissen je kunnen herkennen. Verzoeker meent dat hij ook voor het kleine lezerspubliek binnen zijn voormalige woonkern en overige bekenden van hem die wonen binnen het verspreidingsgebied van de Schager Courant, niet makkelijk te identificeren mag zijn. In het kader van de berichtgeving was er ook geen enkele noodzaak om zijn privacy verder te onthullen, aldus verzoeker. Verder maakt hij er bezwaar tegen dat in de conclusie niets staat over de onjuiste vermelding dat hij tijdens de huiszoeking zou zijn aangehouden. Hij heeft dit op de zitting ter sprake gebracht, waarna Ranzijn toegaf dat hij dit niet hard kon maken. Volgens verzoeker is de conclusie van de Raad dus gebaseerd op verkeerde feiten, onvolledig en in strijd met de eigen Leidraad.

Ranzijn en de krant stellen hier tegenover dat verzoeker geen inhoudelijk nieuwe feiten dan wel argumenten heeft aangedragen voor zijn standpunt dat de artikelen rechtstreeks naar hem leiden waardoor identificatie door zijn omgeving eenvoudig is. Klager heeft pas op de zitting bezwaar gemaakt tegen de vermelding dat hij ‘verbolgen was over de publiciteit rond zijn aanhouding’, terwijl sprake was van een huiszoeking. Ranzijn en de krant hebben op de zitting erkend dat dit een slordigheid was. Dit betrof echter niet de kern van de zaak, te weten: de vermeende inbreuk op klagers privacy. Ranzijn en de krant handhaven het standpunt dat zij bij de verslaggeving juist hebben gehandeld en concluderen dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Kern van het verzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad in zijn conclusie van 12 mei 2016 is uitgegaan van ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.

Anders dan verzoeker meent, heeft de Raad niet als feit vastgesteld of aannemelijk geacht dat in de voormalige woonkern van verzoeker al bekend was dat hij werd verdacht van het bezit van kinderporno. De Raad heeft met zijn overweging tot uitdrukking gebracht dat een (eventuele) herkenbaarheid van verzoeker in zijn voormalige woonkern niet maakt dat daarmee zijn privacy ongerechtvaardigd zou zijn geschonden.
Dit is in lijn met de Leidraad van de Raad waarin is bepaald dat journalisten moeten voorkomen dat informatie of beelden worden gepubliceerd waardoor verdachten en veroordeelden door het grote publiek eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. De Raad heeft dit algemene standpunt in eerdere conclusies uitgewerkt en beslist dat voor zover een verdachte of veroordeelde in zijn directe omgeving op de publicatie is c.q. zou kunnen worden aangesproken, dit niet leidt tot een ongeoorloofde aantasting van diens privacy.

Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

Verder heeft verzoeker kennelijk op de zitting zijn klacht uit willen breiden en heeft hij tevens bezwaar willen maken tegen de vermelding dat hij tijdens de huiszoeking zou zijn aangehouden. Uitbreiding van een klacht moet echter – in het kader van een behoorlijke klachtenbehandeling – tijdig voorafgaand aan de zitting schriftelijk geschieden. De Raad heeft dit punt dan ook terecht buiten zijn beoordeling gelaten.

Het verzoekschrift bevat verder (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Voor een herziening alleen op grond van (aanvullende) stellingen biedt het Reglement geen ruimte. Dat verzoeker het niet eens is met het oordeel van de Raad, is onvoldoende om zijn verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2016/23, RvdJ 2014/51, RvdJ 2012/41, RvdJ 2011/61
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 13 september 2016 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, mw. J.J. Rietkerk, F.Th.H. Ruys en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.