2016/3 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen NRC Handelsblad (RvdJ 2015/13) te herzien. Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Voor nader onderzoek door de Raad is in het kader van een herzieningsprocedure geen plaats. Herziening alleen op grond van (aanvullende) stellingen is niet mogelijk.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X

tot herziening van de conclusie van de Raad van 1 oktober 2015 (RvdJ 2015/13) betreffende zijn klacht

tegen

de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

De heer X te […] (verzoeker) heeft op 12 oktober 2015 verzocht om herziening van de conclusie van 1 oktober 2015 inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad. De krant heeft niet op het verzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 27 november 2015 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen. Een van de Raadsleden heeft zich verschoond, waarna het verzoek is beoordeeld door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

De heer X heeft op 19 mei 2015 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad over het artikel met de kop “Hoogleraar beticht dichter” dat verder luidt als volgt:
“Michiel van Kempen, hoogleraar West-Indische Letteren aan de UvA, heeft aangifte gedaan tegen de […] dichter [X]. Als de hoogleraar zijn negatieve recensie over een boek van de dichter niet van internet haalt, zo dreigde [X], dan verspreidt de dichter pamfletten op de UvA waarop staat dat Van Kempen studenten ronselt voor de Islamitische Staat.”

De Raad heeft bij conclusie van 1 oktober 2015 beslist dat NRC Handelsblad journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld en daartoe het volgende overwogen:
De Raad stelt voorop dat de journalist vrij is in de selectie van nieuws. Het stond de krant dan ook vrij aandacht te besteden aan de aangifte van Van Kempen tegen klager. Aangezien het bericht louter van feitelijke aard is, behoefde de krant geen wederhoor toe te passen. Klager heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de berichtgeving niet waarheidsgetrouw is. Gezien het voorgaande bestaat ook geen aanleiding voor de conclusie dat de krant in de afhandeling van de klacht anders had moeten handelen.

HET STANDPUNT VAN VERZOEKER

Verzoeker stelt dat de Raad ervan is uitgegaan dat hij genoegzaam op de hoogte zou zijn van de inhoud van de aangifte, kennis zou hebben van de inhoud van een bij de aangifte in geding gebracht pamflet en dat hij het bericht in de krant zou hebben gelezen, ook al verscheen dat in de Amsterdamse editie. Zonder deze veronderstellingen zou de Raad niet hebben opgemerkt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de berichtgeving niet waarheidsgetrouw is, aldus verzoeker. Hij wijst erop dat hij bij zijn klacht twee documenten heeft gevoegd, te weten een aangifte van hem tegen de hoogleraar en een brief van zijn advocaat. Daardoor had de Raad ervan uit moeten gaan dat de aangifte van de hoogleraar op onwaarheid en rancune gebaseerd zou kunnen zijn. Bovendien had het op de weg van de Raad gelegen nader onderzoek te gelasten naar de juiste toedracht van de feiten, aldus verzoeker.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

De conclusie van 1 oktober 2015 betreft de beoordeling van een klacht tegen een bericht van (slechts) feitelijke aard, namelijk dat tegen verzoeker aangifte is gedaan. Verzoeker heeft niet aangevoerd dat deze aangifte ten onrechte als vaststaand feit is aangemerkt, zodat voor herziening van de conclusie geen aanleiding is. 

Verzoeker meent dat de Raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn klacht en door hem genoemde documenten. Voor een dergelijk onderzoek is in het kader van de herzieningsprocedure geen plaats.

Het herzieningsverzoek is verder vooral een nadere uitwerking van het standpunt van verzoeker, waarover de Raad al een oordeel heeft gegeven. Voor een herziening alléén op grond van (aanvullende) stellingen biedt het Reglement geen ruimte. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2015/1
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 21 januari 2016 door mw. mr. C.C.W. Lange, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, mw. J.R. van Ooijen en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.