2016/23 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen J. Roodnat en NRC Handelsblad (RvdJ 2016/9) te herzien. Verzoekster maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat verzoekster zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

C.M. Mizee-Andriessen

tot herziening van de conclusie van de Raad van 4 maart 2016 (RvdJ 2016/9) betreffende haar klacht

tegen

J. Roodnat en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

Mevrouw C.M. Mizee-Andriessen (verzoekster) heeft op 15 maart 2016 verzocht om herziening van de conclusie van 4 maart 2016 inzake haar klacht tegen mevrouw J. Roodnat en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Roodnat en de krant hebben niet op het verzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 27 mei 2016 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Mevrouw Mizee-Andriessen heeft op 15 november 2015 een klacht ingediend tegen J. Roodnat en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad over het artikel met de kop “’Schrijver zijn maakt mij niks uit. Ik schreef altijd al alles op’”. De publicatie behelst een interview met Nicolien Mizee, de dochter van klaagster, naar aanleiding van het verschijnen van haar nieuwe roman “De halfbroer”.

De Raad heeft bij conclusie van 4 maart 2016 beslist dat Roodnat en NRC Handelsblad journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld en daartoe het volgende overwogen:
“Kern van de klacht is dat het gebruik van de term ‘vampiermoeder’ zonder goede grond is gebruikt en nodeloos grievend is voor klaagster.
Roodnat heeft in de inleiding van haar interview met Nicolien Mizee een eigen kenschets van de moederfiguur in het boek De Halfbroer. Het stond Roodnat vrij dat te doen. Weliswaar is beschreven dat het boek autobiografische elementen bevat, maar dat betekent niet dat zij met de term ‘vampiermoeder’ klaagster heeft willen aanduiden. Hoewel het begrijpelijk is dat klaagster de passage persoonlijk opvat en de term als zeer pijnlijk ervaart, acht de Raad het aannemelijk dat de gemiddelde lezer de passage zal beschouwen als een duiding van een romanfiguur door Roodnat en niet als een diskwalificatie van klaagster. Daarbij komt dat de schrijfster de hele tekst vooraf ter inzage heeft ontvangen en niet heeft verzocht om aanpassing van deze formulering. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn met het gebruik van de term ‘vampiermoeder’ geen grenzen overschreden van wat journalistiek toelaatbaar is.
Verder heeft Krielaars in zijn brief aan klaagster serieus op de klacht gereageerd. Dat klaagster zich niet in die reactie kan vinden, is onvoldoende voor de conclusie dat de klachtafhandeling onzorgvuldig is geweest.”

HET STANDPUNT VAN VERZOEKSTER

Verzoekster stelt dat argumentatie van de Raad onzorgvuldig en onlogisch is. Zij wijst erop dat in het interview herhaaldelijk veel nadruk is gelegd op het autobiografische karakter van het werk van haar dochter. Zij meent dat dat de Raad deze nadruk heeft onderschat. Verder is de Raad ten onrechte niet ingegaan op de kwalificaties in het artikel over de vader van haar dochter, aldus verzoekster. Volgens haar is niet relevant dat haar dochter de tekst vooraf ter inzage heeft ontvangen en niet heeft verzocht om aanpassing van de formulering. Verder voert zij aan dat Roodnat in het verweer eerdere boeken van haar dochter laat figureren, maar dat het nieuwe boek – dat aanleiding was voor het interview – geen beschrijving bevat die de terminologie van Roodnat rechtvaardigt. Ten slotte is verzoekster van mening dat de conclusie van de Raad ‘dat het aannemelijk is dat de gemiddelde lezer de passage zal beschouwen als een duiding van een romanfiguur door Roodnat en niet als een diskwalificatie van klaagster’ giswerk is, zonder enige empirische verantwoording.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Kern van het verzoek is dat verzoekster zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad in zijn conclusie van 4 maart 2016 is uitgegaan van ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Het verzoekschrift bevat vooral (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekster eerder al in haar klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Voor een herziening alleen op grond van (aanvullende) stellingen biedt het Reglement geen ruimte. Dat verzoekster het niet eens is met het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2014/31 Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 4 juli 2016 door mw. mr. C.C.W. Lange, voorzitter, mr. I.R.J. Barends, A. Mellink MPA, mw. drs. J.X. Nabibaks en H.P.M.J. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.