2016/22 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht betreffende het televisieprogramma De Rijdende Rechter (RvdJ 2016/7) te herzien. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Dat zij zich niet kunnen vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren. Herziening alleen op grond van (aanvullende) stellingen is niet mogelijk.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

Th.H.M. van Schie en J. Hendriks

tot herziening van de conclusie van de Raad van 22 februari 2016 (RvdJ 2016/7) betreffende hun klacht

tegen

de producent van ‘De Rijdende Rechter’ IDTV en omroepvereniging KRO-NCRV

Mevrouw Th.H.M. van Schie en de heer J. Hendriks (verzoekers) hebben op 14 maart 2016 verzocht om herziening van de conclusie van 22 februari 2016 inzake hun klacht tegen de producent van ‘De Rijdende Rechter’ IDTV en omroepvereniging KRO-NCRV. Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van verzoekers en A.A.J. van Dijk, KRO-NCRV Juridische Zaken, betrokken van 6 april en 24 mei 2016.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 27 mei 2016 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Mevrouw Th.H.M. van Schie en de heer J. Hendriks te Eindhoven (klagers) hebben op 23 november 2015 een klacht ingediend tegen de producent van ‘De Rijdende Rechter’ IDTV en omroepvereniging KRO-NCRV.

De Raad heeft in zijn conclusie van 22 februari 2016 de feiten weergegeven als volgt:
“De Rijdende Rechter is een televisieprogramma – geproduceerd door IDTV en uitgezonden door KRO-NCRV – waarvan een belangrijk element is dat partijen conflicten ter beoordeling voorleggen aan een bindend adviseur. In het kader van een geschil met een huurder hebben klagers meegewerkt aan het programma en in dat verband een Bindend Advies Overeenkomst ondertekend. In de overeenkomst is bepaald dat partijen door ondertekening ervan akkoord gaan met uitzending van het programma. Nadat bindend adviseur mr. Visser op 23 september 2015 een uitspraak had gedaan ten nadele van klagers, hebben zij hun bezwaren daartegen aan de redactie kenbaar gemaakt en verzocht om rectificatie van het bindend advies. Verder hebben zij via het klachtenkompas van de Consumentenbond aan KRO-NCRV verzocht de uitzending op te schorten totdat de klacht tegen De Rijdende Rechter is onderzocht. Hierop heeft KRO-NCRV niet gereageerd. De aflevering over het geschil waarin klagers zijn betrokken, is vervolgens uitgezonden op 10 november 2015.”

In zijn conclusie heeft de Raad beslist dat hij niet bevoegd is de klacht te beoordelen. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“Kern van de klacht is dat klagers bezwaar maken tegen de werkwijze van mr. Visser in het kader van de bindend adviesprocedure. Daarmee heeft de klacht betrekking op een conflict van juridische aard, te weten of De Rijdende Rechter heeft gehandeld conform hetgeen is bepaald in de door klagers ondertekende Bindend Advies Overeenkomst. De Raad beoordeelt echter niet de rechtmatigheid van gedragingen. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Dat klagers zich verzetten tegen de uitzending van de behandeling van het geschil is onverbrekelijk verbonden met hun klacht over de inhoud van het bindend advies.
De Raad concludeert dat de klacht niet valt binnen het kader waarin hij klachten beoordeelt, zodat hij niet bevoegd is over de klacht te oordelen.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekers stellen dat de kern van hun klacht niet was dat zij bezwaar hebben tegen de werkwijze van mr. Visser in het kader van de bindend adviesprocedure. De kern betreft de berichtgeving; het opzettelijk manipuleren van gegevens waardoor het publiek werd misleid. Zij vinden niet dat De Rijdende Rechter willens en wetens het publiek heeft misleid en hen in diskrediet heeft gebracht ‘door de uitzending’, maar dat mr. Visser belangrijke gegevens heeft genegeerd, over het hoofd gezien of gemanipuleerd. Het misvormen en veronachtzamen van informatie mag een kwestie van juridische aard zijn, het publiceren van vervormde informatie impliceert journalistieke onzorgvuldigheid. Verzoekers vragen zich af of een bindend adviesprocedure een vrijplaats is waar journalistieke onzorgvuldigheid is geoorloofd. Zij verzoeken de Raad daarom alsnog te beoordelen of er sprake was van journalistieke (on)zorgvuldigheid.

KRO-NCRV stelt daar, mede namens IDTV, tegenover dat zij zich volledig kan vinden in de conclusie van de Raad. Zij wijst erop dat niet alleen het bindend besluit van de Rijdende Rechter maar ook de beoordeling van de wijze waarop dat besluit tot stand is gekomen, uitsluitend aan de rechter kon worden voorgelegd ter toetsing naar redelijkheid en billijkheid.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Verzoekers hebben niet betwist dat de feiten, waarvan de Raad in zijn conclusie van 22 februari 2016 is uitgegaan, zoals hiervoor geciteerd en in de conclusie weergegeven onder ‘De Feiten’, juist zijn.

Verzoekers kunnen zich in wezen niet vinden in de conclusie van de Raad, dat hij niet bevoegd is om over de klacht te oordelen. Het verzoekschrift bevat vervolgens vooral (een herhaling van) stellingen die verzoekers eerder in hun klacht hebben geformuleerd. Voor een herziening alleen op grond van een nadere toelichting bij eerdere stellingen biedt het Reglement geen ruimte.

Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Dat verzoekers het niet eens zijn met het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2016/4 en RvdJ 2016/3
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1

BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 4 juli 2016 door mw. mr. C.C.W. Lange, voorzitter, mr. I.R.J. Barends, A. Mellink MPA, mw. drs. J.X. Nabibaks en H.P.M.J. Schneider, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.