2016/18 onbevoegd

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek acht zich niet bevoegd te oordelen over een klacht tegen V. van der Boon en Het Financieele Dagblad. De klacht van mr. L.M. Broekkamp (klager) betreft de (volgens hem) door Google gestelde voorwaarde dat het internetartikel “Hypotheekadviseurs, notaris en advocaat veroordeeld voor fraude” alleen uit de zoekresultaten wordt verwijderd met toestemming van Van der Boon en/of Het Financieele Dagblad. De klacht heeft in de kern betrekking op het al dan niet meewerken aan een door Google in het leven geroepen procedure. Dit kan niet als ‘journalistieke gedraging’ worden aangemerkt.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. L.M. Broekkamp

tegen

V. van der Boon en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad

De heer mr. L.M. Broekkamp te Alkmaar (klager) heeft op 3 maart 2016 een klacht ingediend tegen de heer V. van der Boon en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad. Bij de beoordeling van de zaak is verder correspondentie betrokken van mr. M.C. Coops, advocaat te Amsterdam, van 30 maart 2016.

De zaak is besproken op de zitting van de Raad van 22 april 2016 in aanwezigheid van klager, Van der Boon, J. Bonjer (hoofdredacteur) en mr. Coops. Van der Boon heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een notitie.

Een van de leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

Op 16 februari 2015 verscheen op de website fd.nl een artikel van de hand van Van der Boon met de kop “Hypotheekadviseurs, notaris en advocaat veroordeeld voor fraude”. Klager is de in de kop bedoelde notaris.

In een brief van 19 augustus 2015 heeft klager aan Het Financieele Dagblad verzocht het artikel van internet te verwijderen. Nadat klager op 14 september 2015 de krant aan zijn verzoek heeft herinnerd en daarop niet is gereageerd, heeft zijn advocaat mr. Van Atten zich op 26 oktober 2015 tot de krant gewend en nogmaals verzocht om verwijdering van het artikel. Van der Boon heeft het verzoek (mede) namens de krant afgewezen op 16 november 2015. Daarna hebben partijen nog verder gecorrespondeerd, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt – kort samengevat – dat in het artikel van 16 februari 2015 is bericht over een vonnis van de rechtbank waartegen hij inmiddels hoger beroep heeft aangetekend. Omdat het nog geruime tijd kan duren voordat in hoger beroep uitspraak wordt gedaan, heeft hij alle nieuwsmedia gevraagd om publicaties over het vonnis van de rechtbank van internet te verwijderen. Klager meent dat die publicaties een jaar na dato geen nieuwswaarde meer hebben, terwijl hij daar in de privésfeer veel last van ondervindt. Volgens klager hebben Van der Boon en de krant ten onrechte geweigerd aan het verzoek gevolg te geven. 
Op de zitting licht klager toe dat hij niet zozeer bezwaar heeft tegen handhaving van het artikel op de website van de krant, maar tegen het feit dat de publicatie als zoekresultaat op Google wordt weergegeven als op zijn naam wordt gezocht. Hij heeft zich inmiddels tot Google gewend met het verzoek het artikel als zoekresultaat te verwijderen, maar Google wil – aldus klager – alleen aan dat verzoek voldoen met toestemming van de auteur. Omdat klager bij Google niet verder komt, wendt hij zich nu tot de Raad. Klager meent dat Van der Boon en de krant onzorgvuldig handelen als zij niet meewerken aan de verwijderingsprocedure van Google.

Van der Boon en Het Financieele Dagblad stellen – kort samengevat – dat klager zijn klacht niet op tijd heeft ingediend. Verder menen zij niet onzorgvuldig te hebben gehandeld door het verzoek van klager tot verwijdering van het artikel af te wijzen. Ten slotte valt de vindbaarheid van het artikel op internet hen niet te verwijten en zijn zij niet gehouden mee te werken aan de procedure van Google, aldus Van der Boon en de krant.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID

Op de zitting heeft klager desgevraagd uitdrukkelijk erkend dat zijn klacht zich beperkt tot de – volgens hem – door Google gestelde voorwaarde dat de publicatie op de website fd.nl alleen uit de zoekresultaten wordt verwijderd met toestemming van Van der Boon en/of Het Financieele Dagblad. Klager heeft aangevoerd dat Van der Boon en de krant onzorgvuldig handelen door niet mee te werken aan de procedure van Google.

Met die erkenning is duidelijk geworden dat de klacht zich niet richt op het over klager geschreven artikel van 16 februari 2015 of op de omstandigheid dat dat artikel nog steeds kan worden geraadpleegd op de website fd.nl. Het gaat klager er in wezen om dat hij niet wil dat de Google-zoekmachine, als op zijn naam wordt gezocht, ook het bewuste artikel als zoekresultaat vermeldt.

De Raad constateert dat klager daarmee een beroep doet op wat wel wordt aangeduid als 'the right to be forgotten'. Het is algemeen bekend dat Google ter uitvoering van het zogeheten Google Spain-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 mei 2014 (zaak C-131/12)  een procedure in het leven heeft geroepen waarin kan worden gevraagd bepaalde zoekresultaten niet langer als zoekresultaat te vermelden die - alle aan de orde zijnde belangen in aanmerking genomen - niet langer relevant dan wel onjuist of ongepast zouden zijn.

Van der Boon en de krant zouden onzorgvuldig handelen jegens klager door geen medewerking te verlenen aan die door Google in het leven geroepen procedure. Google zou, aldus klager, de toewijzing van een verwijderingsverzoek afhankelijk stellen van  toestemming van de auteur.

Nu de klacht daarmee in de kern betrekking heeft op het al dan niet meewerken aan een door Google in het leven geroepen procedure, rijst de vraag of dit nog wel valt onder een ‘journalistieke gedraging’ in de zin van artikel 4 van de Statuten. In dat artikel is bepaald dat daaronder wordt verstaan: “een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Voorts wordt onder een journalistieke gedraging in deze Statuten en in de reglementen verstaan een handelen of nalaten in het kader van journalistieke werkzaamheden van iemand die geen journalist zijnde, regelmatig en tegen betaling meewerkt aan de redactionele inhoud van de in het volgende lid genoemde publiciteitsmedia.”

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en acht zich daarom niet bevoegd over de klacht te oordelen.

Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 9 lid 3

CONCLUSIE

De Raad is onbevoegd om over de klacht te oordelen.

Zo vastgesteld door de Raad op 14 juni 2016 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, M.C. Doolaard, dr. H.J. Evers en ir. B.L. Hooghoudt, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.