2015/5 deels-onzorgvuldig

Samenvatting

In vier artikelen waarin is bericht over zorginstelling X (klaagster) heeft Dagblad van het Noorden journalistiek onzorgvuldig gehandeld. De krant heeft ernstige beschuldigingen gepubliceerd, met name waar het gaat om het mogelijk ‘sjoemelen met pgb’s’. Gezien de ernst van de uitlatingen en de herkomst van deze informatie was bijzondere zorgvuldigheid geboden. De krant had nader moeten onderzoeken of de informatie betrouwbaar was en of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestond. Dit is niet – althans onvoldoende – gebeurd. Zij had ook meer inzicht in de artikelen moeten geven van haar onderzoek, bijvoorbeeld door vermelding van aanvullend bronnenmateriaal. Deze informatie ontbreekt. Het is daarom voor de lezer onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar waarop de beschuldigingen zijn gebaseerd. Hierdoor is sprake van tendentieuze berichtgeving. Tegen die achtergrond is het herhaaldelijk noemen van de naam van klaagsters directeur ook journalistiek onzorgvuldig. Ten aanzien van het toepassen van wederhoor was de werkwijze van de krant wel zorgvuldig. Aan klaagster is voldoende gelegenheid geboden te reageren. Ook is niet gebleken dat de gegeven reactie onjuist is weergegeven. Voor zover de berichtgeving van feitelijke aard was, was het toepassen van wederhoor niet nodig. De Raad voor de Journalistiek doet de aanbeveling aan Dagblad van het Noorden om deze conclusie ruimhartig te publiceren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van 

X

tegen

de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden

De heer Y heeft op 2 februari 2015 namens X (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van de heer E. van Dijk, algemeen hoofdredacteur NDC, en klaagster van 18 februari en 2 maart 2015 betrokken.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 6 maart 2015 in aanwezigheid van de heer Y. Namens de krant was journalist M. van Wely aanwezig.

DE FEITEN

Op 10 september 2014 verscheen in Dagblad van het Noorden een artikel met de kop “Veroordeelde runt opvang”, waarvan de intro luidt:
 “Directeur en eigenaar [Y] van jeugdopvang [X] in […] heeft een strafblad. Hij is veroordeeld voor vuurwapen- en drugsbezit. De man, die kwetsbare jongeren zorg verleent, denkt niet aan opstappen.”
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
“De in […] woonachtige [Y] (28) werd in mei door de Asser rechtbank veroordeeld tot drie maanden cel. Volgens oud-cliënten zou hij sjoemelen met persoonsgebonden budgetten en drugs voor cliënten regelen.”

De publicatie is diezelfde dag vervolgd onder de kop “’Controle op dit soort vage instellingen ontbreekt’”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“[X] ligt afgelegen in […], net buiten Assen. Directeur [Y] is aanvankelijk bereid ons te ontvangen, maar bij aankomst blijkt hij hier geen trek meer in te hebben. [Y] komt naar buiten gerend om het bezoek op het erf van de boerderij aan de […weg] op te vangen. ,,We hebben na intern overleg besloten om toch niet te praten. Ontevreden cliënten moeten zich niet bij de krant maar bij onze onafhankelijke klachtencommissie melden”, zegt [Y].”
en
“Contact zoeken met [Y] is lastig. De vaste en mobiele telefoonnummers die op de websites van [X] en de Kamer van Koophandel staan, geven geen gehoor. Een mailtje wordt wel meteen door [Y] beantwoord.”
en
“Twee oud-cliënten en een oud-collega van [Y] vertellen hetzelfde verhaal over de gang van zaken bij de opvang. De directeur zou allesbehalve een goed voorbeeld zijn voor kwetsbare jongeren die hij zegt te begeleiden. ,,Hij gebruikte nogal veel alcohol en drugs en stak een deel van de persoonsgebonden budgetten in eigen zak. De cliënten vonden het wel prima. Die kregen wat geld toegestopt”, zegt een oud-cliënt, die anoniem wil blijven.”
en
“De directeur/eigenaar zegt dat Enter achter de verdachtmakingen in zijn richting zit. ,,Ze zien mij als concurrent. De zwartpraterij is door Enter ingegeven. Maar de beschuldigingen kloppen niet. Ik heb nooit iemand benadeeld.”

Verder is op 11 september 2014 in Dagblad van het Noorden een artikel geplaatst met de kop “CDA: Pak [X] aan”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Het CDA in de gemeenteraad van Assen wil dat snel actie wordt ondernomen tegen [X]. Dit naar aanleiding van de publicatie in Dagblad van het Noorden over de jeugdopvang in […] [RvdJ: bedoeld zal zijn […]]. Directeur en eigenaar [Y] (28 jaar) van [X] is mei dit jaar veroordeeld voor vuurwapen- en drugsbezit. Hij verleent zorg aan kwetsbare jongeren in een boerderij in […] en zou sjoemelen met persoonsgebonden budgetten en drugs voor cliënten regelen. Volgens de CDA-fractie is kennelijk sprake van een zorgwekkende situatie bij [X] en wordt Assen geconfronteerd met malafide praktijken die onmiddellijk onderzoek en maatregelen vereisen.”

Ten slotte verscheen op 15 oktober 2014 in Dagblad van het Noorden een artikel met de kop “Gemeenten willen eisen stellen aan jongerenzorg”, waarvan de inleiding luidt:
“Gemeenten in Noord- en Midden-Drenthe willen kwaliteitseisen stellen aan aanbieders van zorg waarbij gebruik wordt gemaakt van het persoonsgebonden budget (PGB)”
Dit artikel bevat verder de volgende passage:
“Het CDA trok aan de bel naar aanleiding van de publicatie in Dagblad van het Noorden over de jeugdopvang [X] in […]. De directeur en eigenaar, [Y], was dit jaar veroordeeld voor vuurwapen- en drugsbezit. Hij verleent in […] zorg aan kwetsbare jongeren en zou sjoemelen met PGB’s.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Namens klaagster voert Y aan dat sprake is van tendentieuze berichtgeving. In het contact dat Y voor de eerste publicatie heeft gehad, heeft hij de journalist laten weten dat de beschuldigingen van gesjoemel met pgb’s en het verschaffen van drugs aan cliënten nergens op zijn gebaseerd. Y vindt dat hij een professionele houding heeft aangenomen en adequaat heeft gereageerd. Bovendien waren alle bronnen van de journalist anoniem. Hij rekende er dan ook op dat de journalist terughoudend te werk zou gaan. In plaats daarvan is op meerdere momenten in de berichtgeving ten onrechte een zeer negatief beeld van klaagster en haar directeur geschetst. Er is een link gelegd met fraude in de zorg in het algemeen, waarbij klaagster als voorbeeld wordt gebruikt van dubieuze zorginstellingen waartegen maatregelen nodig zijn. Klaagster ontkent schuldig te zijn aan fraude en betwist dat drugs aan zorgpatiënten is verstrekt. De veroordeling van Y heeft betrekking op zijn verleden en is niet van invloed op zijn huidige functie.
Verder meent klaagster dat de door de journalist geraadpleegde anonieme bronnen dubieus zijn. Haar is gebleken dat het gaat om oud-cliënten van haar en om kwetsbare jongeren die eenvoudig beïnvloedbaar zijn. Klaagster heeft de zorg van hen moeten staken, wat heeft geleid tot aversie op basis waarvan zij hun uitlatingen hebben gedaan.
Ten aanzien van het wederhoor merkt klaagster op dat op haar website weliswaar verouderde telefoonnummers waren vermeld, maar dat Y in ieder geval per e-mail goed bereikbaar was. Naar aanleiding van het verzoek van de journalist om te reageren, heeft Y op 8 september 2014 telefonisch contact opgenomen. In dat gesprek is de afspraak gemaakt dat de journalist de volgende dag zou langskomen. Op advies van derden heeft Y de afspraak afgezegd en volstaan met een korte reactie per e-mail. Toen de journalist toch bij hem langskwam, voelde hij zich overvallen maar heeft hij wel enkele vragen beantwoord. De informatie die Y heeft verstrekt is echter verdraaid en onvolledig weergegeven. Zo is niet vermeld dat Y vanaf 2011 een goed lopende organisatie heeft opgezet en dat diverse partijen – zoals zorgpatiënten, ouders en werknemers – zeer tevreden zijn over de zorg die klaagster biedt. Voorafgaand aan de publicaties van 11 september en 15 oktober 2014 is helemaal geen wederhoor toegepast. Y heeft in de periode na de publicaties nog op diverse manieren geprobeerd bij de krant zijn verhaal naar voren te brengen, maar tevergeefs.

De krant stelt daar tegenover dat de redactie na de ontvangst van een anonieme brief de kwestie goed heeft onderzocht en alle informatie heeft gecheckt. In het gegeven dat iemand, die probleemjongeren onderdak en begeleiding verschaft, is veroordeeld voor wapen- en drugsbezit, vond de redactie voldoende aanleiding om werk van de zaak te maken. Bovendien is de kwestie actueel, omdat er op het moment veel te doen is rond pgb-fraude. De informatie over de veroordeling van Y is bevestigd door justitie. Vervolgens is contact gezocht met ex-cliënten van klaagster. Er is gesproken met vier personen, die allemaal anoniem wilden blijven. Hun verhalen waren consistent: Y kon drugs voor hen regelen en deed dat ook. Daarnaast hadden ze totaal geen zicht op wat klaagster met de pgb-budgetten deed. Y zou ermee sjoemelen. Hieraan heeft Van Wely op de zitting toegevoegd dat het zwak is om bepaalde beschuldigingen alleen te baseren op anonieme bronnen en dat hij die liever verder had onderbouwd. Dat neemt niet weg dat hij beschikte over voldoende bronnen met hetzelfde verhaal.
Verder was het toepassen van wederhoor essentieel voor het verhaal. Daarom is contact gezocht met Y en zijn alle punten aan hem voorgelegd. De reactie van Y is weergegeven in de berichtgeving. De krant meent dat de redactie zorgvuldig te werk is gegaan. Het gaat bovendien om een kwestie die onderhanden is; gegevens worden nog onderzocht en binnenkort wordt opnieuw over de zaak gepubliceerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad meent dat er voor de krant voldoende aanleiding bestond om met een kritische blik over klaagster te berichten. Het is bovendien voorstelbaar dat de redactie bepaalde informatie alleen onder geheimhouding kon verkrijgen en dat het niet mogelijk was die bronnen in de artikelen bekend te maken. Dat neemt niet weg dat de berichtgeving zeer zware beschuldigingen bevat aan het adres van klaagster en haar directeur, die hen in grote mate diskwalificeren. De uitlatingen over ‘sjoemelen met pgb’s’ en ‘het verstrekken van drugs aan cliënten’ zijn weliswaar voor rekening van de anonieme bronnen (‘ex-cliënten van klaagster’) gelaten, maar gezien de ernst van de uitlatingen en de herkomst van deze informatie was bijzondere zorgvuldigheid geboden. Deze informatie was immers afkomstig van personen die ten tijde van de verstrekking van de informatie in conflict waren met klaagster, of anderszins belanghebbende waren. De krant had dan ook nader moeten onderzoeken of de informatie betrouwbaar was en of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestond. Dit is niet - althans onvoldoende - gebeurd. Voor zover de krant vindt dat zij wel voldoende onderzoek heeft verricht, dan had zij meer inzicht in de artikelen moeten geven van dit onderzoek, bijvoorbeeld door vermelding van aanvullend bronnenmateriaal. Deze informatie ontbreekt in de artikelen. Het is daarom voor de lezers onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar waarop de beschuldigingen zijn gebaseerd. Hierdoor is de berichtgeving tendentieus en heeft de krant op dit punt journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

Hoewel tegen vermelding van de naam van klaagsters directeur in de publicaties in beginsel geen bezwaar bestaat, is het vermelden van die naam in de context van de tendentieuze berichtgeving – met name gelet op de zeer zware beschuldigingen – in dit geval journalistiek onzorgvuldig. Dit geldt voor alle artikelen waartegen klaagster bezwaar heeft gemaakt.
Ten aanzien van het toepassen van wederhoor heeft de krant fair gehandeld. Aan klaagster – in de persoon van haar directeur – is voorafgaand aan de publicaties van 10 september 2014 voldoende gelegenheid geboden te reageren. Dat klaagsters directeur wellicht niet adequaat heeft gereageerd, kan de krant niet worden verweten. Het is niet aannemelijk geworden dat de reactie van klaagsters directeur op onjuiste wijze in de publicaties is weergegeven. De berichtgeving van 11 september en 15 oktober 2014 was van feitelijke aard, zodat het toepassen van wederhoor voor deze artikelen niet nodig was. Op dit punt heeft de krant journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: 1.1., 1.5., 2.2.3., 2.2.5., 2.3.1., 2.3.4. en 2.4.1.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2013/41, RvdJ 2011/87 en RvdJ 2007/39

CONCLUSIE

Voor zover de klacht betrekking heeft op tendentieuze berichtgeving en het vermelden van de naam van de directeur van klaagster heeft Dagblad van het Noorden journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Ten aanzien van het toepassen van wederhoor was de werkwijze van de krant journalistiek zorgvuldig.

De Raad doet de aanbeveling aan Dagblad van het Noorden om deze conclusie integraal of in samenvatting te publiceren.

Zo vastgesteld door de Raad op 18 mei 2015 door mw. mr. C.C.W. Lange, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. M.E.L. Kogeldans, drs. ir. M.C.N. Mokveld en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.