2015/25 toegewezen

Samenvatting

RTV Noord heeft herziening verzocht van de conclusie van de Raad van 24 augustus 2015 (RvdJ 2015/11) betreffende de klacht van G. Kamil. De klacht betrof twee artikelen op de website van RTV Noord met de koppen “FIOD doet inval bij bedrijf in Veendam” en “FIOD doet meer invallen in Oost-Groningen”, en de daarbij geplaatste audio-fragmenten met de koppen “’Alles wordt binnenstebuiten gehaald.’” en “’Het gaat om faillissementsfraude’”. Volgens de Raad had RTV Noord journalistiek onzorgvuldig gehandeld door te stellig ernstige beschuldigingen over klager te publiceren, geen reactie van klager op te nemen en daarbij bovendien zijn naam herhaaldelijk te vermelden.
De herzieningskamer heeft geconstateerd dat in de conclusie van de Raad onder ‘De Feiten’ onjuist is geciteerd uit het audio-fragment met de titel “’Het gaat om faillissementsfraude’” en heeft daarom het herzieningsverzoek toegewezen. Volgens de herzieningskamer bestaat er echter geen aanleiding voor een andere beslissing in de klachtzaak. Anders dan verzoeker betoogt, heeft de Raad niet vastgesteld dat RTV Noord onvoldoende onderzoek heeft verricht. Dat verzoeker zich verder niet kan vinden in bepaalde overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om tot een andere beslissing te komen.
Overigens meent de herzieningskamer dat verzoeker voldoende gelegenheid heeft gekregen om in eerste instantie bij de Raad zijn belangen te behartigen. Verder heeft de herzieningskamer gesteld dat de Raad niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging beoordeelt. Dat in een gerechtelijke procedure (nog) niet is vastgesteld dat sprake is van een onrechtmatige publicatie, betekent niet (per definitie) dat geen beroepsethische normen zijn geschonden.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

de hoofdredacteur van RTV Noord

tot herziening van de conclusie van de Raad van 24 augustus 2015 (RvdJ 2015/11)
betreffende de klacht van

G. Kamil

Mr. M.R. Gans, advocaat te Groningen, heeft op 18 september 2015 namens de hoofdredacteur van RTV Noord (verzoeker) verzocht om herziening van de conclusie van 24 augustus 2015 inzake de klacht van G. Kamil (klager) tegen verzoeker. Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van klager en mr. Gans betrokken van 17 en 27 oktober 2015.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 30 oktober 2015 door een herzieningskamer, buiten aanwezigheid van partijen. Een van de Raadsleden heeft zich verschoond, waarna het verzoek is beoordeeld door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

De heer G. Kamil te Veendam (klager) heeft op 25 april 2015 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van RTV Noord. De klacht gaat over twee artikelen op de website van RTV Noord met de koppen “FIOD doet inval bij bedrijf in Veendam” en “FIOD doet meer invallen in Oost-Groningen”, en de daarbij geplaatste audio-fragmenten met de koppen “’Alles wordt binnenstebuiten gehaald.’” en “’Het gaat om faillissementsfraude’”. Ten aanzien van het laatst bedoelde audio-fragment is in de conclusie onder ‘De Feiten’ opgenomen, dat dit onder meer de volgende passage bevat:
“Goos de Boer [verslaggever] over de mogelijke aanhouding van het echte brein achter de verdenkingen: ,,Dat is wel een bekende ondernemer, dat is Ghalid Kamil, en die kennen we ook nog van de BV Veendam.(…)”
Kern van de klacht is dat de berichtgeving ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klager bevat, waarbij is nagelaten wederhoor toe te passen.

De Raad heeft in zijn conclusie van 24 augustus 2015 beslist dat RTV Noord journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“De berichtgeving bevat – met name in de audio-fragmenten – een groot aantal ernstige beschuldigingen aan het adres van klager. Zo heeft De Boer beweerd dat klager ‘het echte brein achter de verdenkingen van faillissementsfraude is’ en is gesuggereerd dat klager ‘ondernemers eerst helpt en daarna de boel ‘leegtrekt’’. Die suggestie is – zo is vermeld – gebaseerd op ‘verhalen die de ronde doen’ en gesprekken met ‘ondernemers die gedupeerd zouden zijn’.
Volgens de Raad is hiermee sprake van een zodanige diskwalificatie van klager dat de omroep dit niet zonder deugdelijke grondslag had mogen publiceren. Daarbij komt dat bijzondere zorgvuldigheid is geboden indien informatie afkomstig is van personen die ten tijde van de verstrekking ervan in conflict waren met de betrokkene of anderszins belanghebbende waren. De omroep had nader moeten onderzoeken of de informatie betrouwbaar was en in de berichtgeving inzicht moeten geven van dit onderzoek, bijvoorbeeld door vermelding van aanvullend bronnenmateriaal. Dergelijke informatie ontbreekt. De omroep had er ook voor kunnen kiezen de beschuldigingen minder stellig te brengen en terughoudender over de kwestie te berichten, maar heeft dat niet gedaan. Hierdoor is de berichtgeving tendentieus.
Daarbij komt dat onvoldoende wederhoor is toegepast. De Raad kan niet vaststellen of De Boer juiste telefoonnummers heeft gebruikt. Gezien de ernst van de beschuldigingen had De Boer pogingen moeten ondernemen om klager op een andere wijze – per e-mail of fax – te bereiken. Door de beschuldigingen te publiceren zonder een reactie van klager, is niet fair jegens klager gehandeld en is de berichtgeving eenzijdig.
Bovendien is de naam van klager herhaaldelijk in de berichtgeving vermeld. Hoewel tegen de vermelding van de naam van klager – gezien zijn bekendheid in de regio – in beginsel geen bezwaar bestaat, is die vermelding in deze context journalistiek onzorgvuldig. Door de combinatie van de tendentieuze, eenzijdige berichtgeving over klager en de vermelding van diens naam, is zijn privacy disproportioneel aangetast.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker maakt allereerst bezwaar tegen de wijze waarop de klacht is behandeld. Hij meent dat sprake is geweest van een zodanige procesgang dat hij niet voldoende in de gelegenheid was om zijn belangen volledig te kunnen behartigen. Klager heeft zeer kort voor de mondelinge behandeling nog een uitgebreid pakket stukken in het geding gebracht. Verzoeker heeft vervolgens verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling, maar dat verzoek is niet gehonoreerd.
Verder stelt verzoeker – kort samengevat – dat de conclusie van de Raad is gebaseerd op een aantal onjuiste feiten, althans een onjuiste interpretatie daarvan, naast het feit dat een aantal relevante feiten buiten beschouwing is gelaten.
Hij licht in dit verband toe dat Interfiscaal B.V., waarvan Kamil bestuurder is, in kort geding heeft aangevoerd dat sprake was van een onrechtmatige publicatie en dat de vordering was gebaseerd op exact dezelfde gronden als die Kamil heeft aangevoerd in zijn klacht bij de Raad. Uit het kort gedingvonnis van 24 juli 2015 blijkt dat geen sprake was van een onrechtmatige publicatie en dat er geen aanleiding bestond om de handelwijze van verslaggever Goos de Boer te sanctioneren. Verzoeker benadrukt dat in de kort gedingprocedure het door De Boer uitgevoerde onderzoek uitgebreid aan de orde is gekomen. Verder acht hij met name van belang dat volgens het vonnis De Boer niet tekort is geschoten in de toepassing van wederhoor. Hij wijst erop dat tegen het vonnis geen hoger beroep is ingesteld.
Voorts voert hij aan dat in de conclusie van de Raad onder ‘De Feiten’ onjuist is geciteerd uit het audio-fragment met de titel “’Het gaat om faillissementsfraude’”. Uit de door hem overlegde transcriptie blijkt dat De Boer op geen enkele wijze heeft beweerd dat Kamil ‘het echte brein achter de verdenkingen van faillissementsfraude is’. Volgens verzoeker is de conclusie van de Raad aldus gebaseerd op onjuiste (interpretatie van) feiten. Daarnaast is de Raad in zijn conclusie eraan voorbijgegaan dat wat aan de orde is gekomen, gebaseerd was op voldoende onderzoek. Bovendien heeft De Boer wel degelijk de nodige moeite gedaan om Kamil de gelegenheid te bieden om te reageren. Ten slotte heeft de Raad ten onrechte overwogen dat in dit geval de naamsvermelding van Kamil als onzorgvuldig kan worden gekwalificeerd, aldus verzoeker.

Klager stelt daar – samengevat – tegenover dat verzoeker weldegelijk voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn belangen te behartigen en er zelf voor heeft gekozen om niet te verschijnen op de mondelinge behandeling.
Verder meent klager dat de conclusie van de Raad niet is gebaseerd op onjuistheden of een verkeerde interpretatie van feiten. Ten aanzien van de kort gedingvonnis wijst hij erop dat dit een voorlopig oordeel betreft, waaraan geen nader onderzoek naar de feiten ten grondslag ligt. De reactie van klager bevat verder (vooral) een nadere uitleg van wat hij eerder in de klachtprocedure heeft aangevoerd.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Een herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk als verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.

Voor zover verzoeker bezwaar heeft gemaakt tegen de procesgang merkt de herzieningskamer van de Raad op dat direct bij het doorsturen van de klacht op 12 mei 2015 aan verzoeker is meegedeeld dat de mondelinge behandeling van de klacht zou plaatsvinden op 26 juni 2015 en dat aanvullende stukken tot uiterlijk dinsdag 23 juni jl. ingediend konden worden. Verzoeker had er dus op bedacht kunnen zijn, dat klager op die dag nog stukken aan de Raad zou toesturen, waarop hij niet meer schriftelijk zou kunnen reageren. Niettemin heeft verzoeker op 12 juni 2015 aan de Raad kenbaar gemaakt dat hij ‘onder voorbehoud’ niet op de zitting zou verschijnen. Dat verzoeker ervoor heeft gekozen daadwerkelijk niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn, komt voor zijn rekening.

Verder heeft verzoeker erop gewezen dat blijkens het door hem overgelegde kort gedingvonnis geen sprake is van een onrechtmatige publicatie en dat geen aanleiding bestond om de handelwijze van verslaggever De Boer te sanctioneren. In dat verband overweegt de herzieningskamer dat een gerechtelijke procedure van een andere aard is dan de procedure bij de Raad voor de Journalistiek. Nog daargelaten dat in de juridische procedure mogelijk andere standpunten naar voren zijn gebracht en andere stukken zijn ingebracht, worden in beide procedures verschillende normen gehanteerd. De Raad beoordeelt niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging, een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Dit laat echter onverlet dat de Raad zich kan uitspreken over de vraag of met een bepaalde journalistieke gedraging beroepsethische normen zijn overschreden. De beantwoording van de vraag of een publicatie onrechtmatig is, is niet per definitie gelijk aan de het antwoord op de vraag of met diezelfde publicatie journalistiek onzorgvuldig is gehandeld.

Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat in de conclusie van de Raad onder ‘De Feiten’ onjuist is geciteerd uit het audio-fragment met de titel “’Het gaat om faillissementsfraude’” en dat dit citaat (mede) ten grondslag ligt aan de beslissing dat hij journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. De herzieningskamer constateert dat het juiste citaat luidt zoals weergegeven in de door verzoeker overgelegde transcriptie, te weten:
Interviewer: Ja, om dan het echte brein hierachter wellicht aan te kunnen gaan houden.
Eh, één van de bedrijven waar het om gaat heb ik begrepen Goos, is Interfiscaal in Veendam. Goed, de mensen daar in de regio in Oost-Groningen weten wel wie daarachter zit.
Goos de Boer: Ja, dat is wel een bekende ondernemer. Dat is Ghalid Kamil en die kennen we ook nog van de BV Veendam.(…)”
De herzieningskamer meent dat de conclusie van de Raad dan ook deels berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten en wijst om die reden het herzieningsverzoek toe.

Het voorgaande laat echter onverlet dat – zoals de Raad in zijn conclusie heeft overwogen – de berichtgeving een groot aantal ernstige beschuldigingen aan het adres van klager bevat, die hem zodanig diskwalificeren dat deze niet zonder deugdelijke grondslag gepubliceerd mochten worden.
Anders dan verzoeker betoogt, heeft de Raad in dat verband niet vastgesteld dat onvoldoende onderzoek is verricht. De Raad heeft immers overwogen dat de omroep ‘in de berichtgeving inzicht [had] moeten geven van dit onderzoek, bijvoorbeeld door vermelding van aanvullend bronnenmateriaal’ en dat ‘dergelijke informatie ontbreekt’.

Ten aanzien van de overwegingen van de Raad over de toepassing van wederhoor en de aantasting van de privacy van klager bevat het verzoekschrift (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker eerder al in zijn reactie op de klacht heeft geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven.

De herzieningskamer komt dan ook tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat voor een andere beslissing in de klachtzaak. Dat verzoeker zich niet kan vinden in bepaalde overwegingen en het oordeel van de Raad, is daarvoor onvoldoende.

Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 7
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2014/7, RvdJ 2012/38 en RvdJ 2011/37

CONCLUSIE

Het verzoek tot herziening wordt toegewezen, maar de herzieningskamer handhaaft de conclusie van de Raad van 24 augustus 2015 te weten dat RTV Noord journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 22 december 2015 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, dr. H.J. Evers en A. Mellink MPA, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.