2015/14 zorgvuldig

Samenvatting

J. Wester en NRC Handelsblad hebben in de artikelen “’Arrogantie’ nekte ggz-instelling” en “Opeens waren ze blut bij de Riagg” op journalistiek zorgvuldige wijze bericht over het faillissement van de Riagg Rijnmond en de mogelijke rol van J.F. Lamé (klager) als voormalig bestuurder van de Riagg. In de artikelen is duidelijk tot uitdrukking gebracht dat diverse partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag hoe de Riagg failliet kon gaan. Daarbij is voldoende ruimte geboden aan de visie van klager. Wester is nauwgezet en controleerbaar te werk gegaan, en hij heeft op faire wijze wederhoor toegepast. Ook bij de afhandeling van de klacht heeft de krant niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van  

J.F. Lamé

tegen

J. Wester en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

De heer J.F. Lamé te Le Casson, Frankrijk (klager) heeft op 30 juni 2015 een klacht ingediend tegen J. Wester en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klager en van Wester en de krant van 10 juli 2015 en van 12 en 18 augustus 2015 betrokken.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 21 augustus 2015 in aanwezigheid van Wester, mevrouw M. Breedeveld, adjunct-hoofdredacteur, en S. de Jong, ombudsman. Klager is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 28 maart 2015 verscheen in NRC Handelsblad een artikel van de hand van Wester met de kop “’Arrogantie’ nekte ggz-instelling”, waarvan de intro luidt:
“Zorg - Riagg Rijnmond ging vorig jaar plots failliet. De accountant luidde de noodklok, blijkt uit vertrouwelijke stukken. Maar niemand greep in.”
Verder bevat dit artikel onder meer de volgende passages:
 “Riagg Rijnmond, de instelling voor geestelijke gezondheidszorg (ggz) die eind vorig jaar plotseling failliet ging, kampte al jaren met grote problemen. De organisatie (20 miljoen omzet, 240 werknemers) stelde de cijfers mooier voor dan ze waren. De accountant waarschuwde voor een gebrekkige administratie en een slordige omgang met geld. Ook zorgverzekeraars maanden de Riagg de bedrijfsvoering te verbeteren.
Dat blijkt uit onderzoek van deze krant. Riagg Rijnmond ging vorig jaar failliet terwijl de instelling volgens het laatst gepubliceerde jaarverslag over een bovengemiddeld sterke balans beschikte. Maar de Riagg bleek slecht inzicht te hebben in de eigen kosten en de verliezen liepen pijlsnel op. Dat had mede te maken met het verzet van toenmalig bestuurder Jos Lamé tegen de nieuwe manier van declareren in de zorg. Daardoor werd er niet goed geregistreerd en gefactureerd en kreeg de Riagg te weinig geld binnen.”
en
“Jos Lamé wijt de ondergang van Riagg Rijnmond vooral aan zijn opvolger Tom Bank, die het roer in de herfst van 2013 overnam. ,,Er was sprake van strategisch beleid en risicovol ondernemen. Zoals zoveel instituten voor haar is nu de Riagg slachtoffer geworden van megalomane managementideeën.””

Dezelfde dag is een vervolgartikel, eveneens van de hand van Wester, verschenen met de kop “Opeens waren ze blut bij de Riagg” en de intro:
“Reconstructie Zorg - Hoe kon de rijke zorginstelling Riagg Rijnmond failliet gaan? Reconstructie van een debacle in de geestelijke gezondheidszorg.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager voert – kort samengevat – aan dat in de artikelen een onjuist beeld wordt geschetst van zijn functioneren als bestuurder van de Riagg en van de financiële positie waarin de Riagg verkeerde bij zijn vertrek eind mei 2013. Volgens klager is de berichtgeving smadelijk en rancuneus; er is op de persoon gespeeld en niet op de zaak. Klager vindt de onjuiste beweringen opmerkelijk, omdat in de jaarrekeningen – die keer op keer volgens de geldende regels zijn opgesteld en door de accountant zijn goedgekeurd – de werkelijke feiten gemakkelijk zijn terug te vinden. In tegenstelling tot wat is beweerd, schetste de Riagg de financiële cijfers niet mooier voor dan ze waren, leed de Riagg niet jarenlang verlies en had de Riagg de zogeheten ‘dbc-declaraties’ zeker zo goed op orde als vergelijkbare organisaties. Het faillissement van de Riagg was niet het noodzakelijk gevolg van omstandigheden, maar het gevolg van disproportionele hervormingen en disproportionele uitgaven die zijn opvolger met instemming van de nieuwe Raad van Toezicht heeft verricht, aldus klager. Hij legt uitvoerig de achtergrond van de kwestie uit en licht zijn standpunten onder meer toe aan de hand van een geluidsfragment van een vergadering van de Raad van Toezicht.
Volgens klager heeft Wester hem eenmaal 20 minuten telefonisch gesproken, terwijl hij hem onvoorbereid te woord stond in een kamer vol visite. Vervolgens heeft klager Wester iets op schrift gestuurd. Klager is daarna nooit meer door Wester teruggebeld met het verzoek om een en ander nader toe te lichten, ook al zegt Wester nu dat daarin voor hem onbegrijpelijke dingen stonden.
Klager concludeert dat hij ten onrechte is beschuldigd van malversatie en wanbeheer, en meent dat dit gecorrigeerd moet worden. Hij heeft ná de publicatie nog een uitgebreide reactie gestuurd naar de redactie van de opiniepagina, maar die is niet geplaatst. Verder contact met de ombudsman van de krant heeft niet tot een bevredigende oplossing geleid, aldus klager.

Wester en de krant schetsen allereerst de reden en achtergrond van de publicatie. De journalistieke verwondering van Wester betrof de vraag hoe een ogenschijnlijk gezonde zorginstelling zo snel failliet kon gaan. Ook een paar maanden na het faillissement vond hij de vraag relevant en actueel genoeg om te proberen die te beantwoorden. Hij werd hierbij op het spoor gezet door een bron die interne stukken van en vertrouwelijke informatie over Riagg Rijnmond met hem deelde. Daaruit kwam een ander beeld naar voren dan uit de jaarrekeningen. De Riagg had de cijfers dus juist wel mooier voorgesteld dan ze waren. In de publicaties is niet beweerd dat de Riagg jarenlang verlies leed. Juist niet en dat verbaasde Wester: een op het oog gezonde organisatie ging razendsnel bankroet. Hij schreef evenmin dat de Riagg zijn ‘dbc-declaraties’ slechter op orde had dan andere organisaties, maar wel dat de Riagg ze niet goed op orde had. In de berichtgeving zijn ook de bronnen van Wester genoemd: een vertrouwelijke rapportage van de huisaccountant en verzekeraar DSW. Zowel de accountant als DSW hebben het verwijt geuit dat de registratie en facturering van medische behandelingen niet op orde was. Wester heeft klager hiernaar gevraagd en diens reactie in het artikel opgenomen.
Overigens heeft Wester voorafgaand aan de publicatie hoor en wederhoor toegepast bij diverse partijen, onder wie ook de curator, verzekeraar Achmea, de voorzitter van de Raad van Toezicht en een Tweede Kamerlid. Met vrijwel alle partijen zijn teksten over en weer gegaan, is er telefonisch contact geweest en is er gemaild. Wester heeft op 19 maart 2015, negen dagen vóór publicatie, klager thuis gebeld en gesproken. In dat gesprek heeft klager eerst kunnen vertellen waarom hij dacht dat de Riagg zo snel failliet is gegaan. Verder heeft Wester kritische vragen gesteld. Klager pareerde diverse kritiek niet inhoudelijk, maar deed deze af als uitingen van een doorgeschoten managementcultuur. Hij gaf meer antwoorden waar Wester niet zo veel mee kon, zoals algemene opmerkingen over het zorgstelsel. Een dag later ontving Wester per mail een document van klager vergezeld van de tekst “Hierbij mijn opmerkingen. Mocht je een en ander in een artikel gebruiken laat het me dan nog even lezen.” De aard van het stuk was zo technisch, onduidelijk en lang, dat Wester dit niet integraal kon meenemen. Wel heeft hij delen ervan geciteerd als reactie van klager, net als uitspraken uit het telefoongesprek. Vervolgens heeft Wester op 25 maart 2015 om 14.56 uur niet alleen de citaten van klager maar de relevante concepttekst van het artikel aan klager gestuurd in de hoop dat klager nu uitgebreider met feiten zou reageren. Diezelfde dag om 18.00 uur meldde klager terug met de tekst “Ik heb het gelezen. Ik vind het een merkwaardig rancuneus stuk. Het is meer een opinie dan een serieus onderzoeksrelaas. Ik heb je al [op] een paar evidente onjuistheden gewezen. Niet helemaal het gebruikelijke NRC niveau … maar het zij zo.” Wester vond het jammer dat klager ook deze laatste kans om inhoudelijk te reageren op een kritisch stuk over de Riagg en over zijn rol hierin liet passeren. Op de zitting benadrukt Breedeveld nog dat in de berichtgeving de reactie van klager is opgenomen, dat hij meent dat het faillissement het gevolg is van de handelwijze van zijn opvolger. Wester en de krant menen dat klager voldoende mogelijkheid tot wederhoor is geboden.
Ná de publicatie heeft klager bij de ombudsman van de krant een klacht ingediend vanwege te beperkt weerwoord en feitelijke onjuistheden. Nadat klager had meegedeeld over aanvullende informatie te beschikken, heeft de ombudsman klager verzocht die informatie met de krant te delen. Vervolgens heeft klager aan Wester laten weten dat er op dat ogenblik geen basis was om in vertrouwen informatie te delen. De krant heeft die informatie niet gekregen, niet kunnen verifiëren en er niets mee kunnen doen.
Het hele proces overziend komen Wester en de krant tot de conclusie dat zij zorgvuldig hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad meent dat er voor Wester en de krant voldoende aanleiding bestond om met een kritische blik over het faillissement van de Riagg Rijnmond te berichten en in dat verband ook aandacht te besteden aan de mogelijke rol van klager als voormalig bestuurder van de Riagg. Wester heeft aannemelijk gemaakt dat hij deugdelijk onderzoek heeft verricht en daarbij diverse, onafhankelijke bronnen heeft geraadpleegd.

Het is begrijpelijk dat klager de berichtgeving als pijnlijk ervaart, maar de Raad vindt niet dat in de artikelen op een journalistiek ontoelaatbare wijze ‘op de man is gespeeld’. Anders dan klager leest de Raad in de berichtgeving niet dat klager persoonlijk wordt beschuldigd van wanbeheer of malversaties. In de artikelen is duidelijk tot uitdrukking gebracht dat diverse partijen – onder wie de curator, de accountant, verzekeraars en ook klager – van mening verschillen over het antwoord op de vraag hoe de Riagg failliet kon gaan. Daarbij is voldoende ruimte geboden aan de uitsproken visie van klager, te weten: het faillissement is het gevolg van de handelwijze van zijn opvolger. Dat klager die mening is toegedaan, betekent echter niet dat daarmee de berichtgeving feitelijk onjuist is of beweringen van anderen zodanig tendentieus dat deze niet in de berichtgeving opgenomen hadden mogen worden.

Verder heeft Wester aannemelijk gemaakt dat hij klager voldoende gelegenheid tot wederhoor heeft geboden. Klager heeft zowel mondeling als schriftelijk op vragen van Wester gereageerd. In de berichtgeving is de reactie van klager ook op essentiële punten verwerkt; voor de lezer is duidelijk dat – en waarom – klager het niet eens is met kritiek op zijn rol in het geheel. Daarbij komt dat Wester een paar dagen voor publicatie klager nog de concepttekst heeft toegestuurd. Volgens Wester heeft klager toen niet meer inhoudelijk geantwoord en in de publicatie berust met de woorden ‘het zij zo’, wat niet door klager is weersproken. Voor zover klager op dat moment reeds beschikte over bewijsmateriaal – zoals een geluidsopname van een vergadering – waaruit bleek dat de berichtgeving feitelijk onjuist was, had hij dat aan Wester moeten laten weten ten tijde van het wederhoor. Dat klager wellicht niet adequaat heeft gereageerd, kan Wester en de krant niet worden verweten. Voor zover klager pas op een later tijdstip over dat bewijsmateriaal beschikte, kan het niet vermelden van de daarin vervatte gegevens in de gewraakte berichtgeving evenmin aan Wester en de krant worden tegengeworpen.

Volgens de Raad zijn Wester en de krant nauwgezet en controleerbaar te werk gegaan. Bovendien is op een faire wijze wederhoor bij klager toegepast. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat Wester en de krant met de berichtgeving van 28 maart 2015 journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld. De krant was daarom niet verplicht om daarna nog een uitgebreide reactie van klager te publiceren. Er bestaat ook verder geen aanleiding voor de conclusie dat de afhandeling van de klacht door (de ombudsman van) de krant journalistiek onzorgvuldig is geweest.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en B.3.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2014/17

CONCLUSIE

J. Wester en NRC Handelsblad hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 1 oktober 2015 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. M.J.H. Doomen, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.