2015/13 zorgvuldig

Samenvatting

NRC Handelsblad heeft in het artikel “Hoogleraar beticht dichter” op zorgvuldige wijze aandacht besteed aan een aangifte tegen X (klager). Aangezien het bericht van feitelijke aard is, behoefde de krant geen wederhoor toe te passen. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat de berichtgeving niet waarheidsgetrouw is. Ook bij de afhandeling van de klacht heeft de krant niet onzorgvuldig gehandeld.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van  

X

tegen

de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

De heer X te […] (klager) heeft op 19 mei 2015 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klager en van mevrouw M. Breedeveld, adjunct-hoofdredacteur, van 31 mei 2015, van 3, 5, 9 en 18 juni 2015, van 15 juli 2015 en van 1 en 12 augustus 2015 betrokken.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 21 augustus 2015 in aanwezigheid van mevrouw Breedeveld. Klager is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 15 mei 2015 verscheen in NRC Handelsblad een artikel met de kop “Hoogleraar beticht dichter”. Het bericht luidt verder:
 “Michiel van Kempen, hoogleraar West-Indische Letteren aan de UvA, heeft aangifte gedaan tegen de […] dichter [X]. Als de hoogleraar zijn negatieve recensie over een boek van de dichter niet van internet haalt, zo dreigde [X], dan verspreidt de dichter pamfletten op de UvA waarop staat dat Van Kempen studenten ronselt voor de Islamitische Staat.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager vraagt zich af of een krant zomaar een artikel mag wijden aan een aangifte. De krant heeft melding gemaakt van een kwestie waaraan hij volgens de aangever debet zou zijn en daarbij ten onrechte nagelaten hem vooraf te raadplegen of om een reactie te vragen. Er kan ook sprake zijn van een valse aangifte en door over een aangifte te berichten committeert de krant zich aan de inhoud en strekking ervan. Klager wijst erop dat hij in 2013 zelf een aangifte tegen hoogleraar Van Kempen heeft gedaan, maar dat de krant daaraan geen aandacht wilde besteden. Verder stelt klager dat de krant heeft geweigerd het commentaar te plaatsen dat hij na publicatie aan de redactie heeft gestuurd. Bovendien heeft de krant zijn voorstel afgewezen om een vervolginterview met hem te publiceren. Volgens klager is sprake van klassenjustitie.

De krant stelt daar tegenover dat het gaat om een feitelijke boodschap dat, en waarom, Van Kempen aangifte heeft gedaan tegen klager. De informatie is gecheckt bij Van Kempen. De krant heeft zich in de berichtgeving niet gemengd in de discussie tussen beide heren. Het toepassen van wederhoor bij klager was in dit geval niet nodig. Omdat het bericht feitelijk juist was, was een correctie niet nodig. Hoewel er wellicht een interessant verhaal achter de kwestie zit, was er onvoldoende aanleiding om een vervolginterview met klager te publiceren. De krant meent dan ook dat er juist is gehandeld, zowel bij het schrijven van het korte bericht als bij de afhandeling van de klacht. Op de zitting heeft Breedeveld hieraan nog toegevoegd dat de krant niet de bedoeling heeft gehad om klager te beschadigen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat de journalist vrij is in de selectie van nieuws. Het stond de krant dan ook vrij aandacht te besteden aan de aangifte van Van Kempen tegen klager.
Aangezien het bericht louter van feitelijke aard is, behoefde de krant geen wederhoor toe te passen. Klager heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de berichtgeving niet waarheidsgetrouw is.

Gezien het voorgaande bestaat ook geen aanleiding voor de conclusie dat de krant in de afhandeling van de klacht anders had moeten handelen.

De Raad meent dat de krant journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A., C. en D.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2014/30

CONCLUSIE

NRC Handelsblad heeft journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 1 oktober 2015 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. M.J.H. Doomen, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.