2015/10 zorgvuldig niet-inhoudelijk-behandeld

Samenvatting

R. Vorkink en RTV Oost hebben met de publicatie van het artikel “OM stopt onderzoek naar corruptie door oud-wethouder Koomen van Enschede” journalistiek zorgvuldig gehandeld. Zij mochten vermelden waar het onderzoek over ging en de achtergronden van de zaak belichten op de wijze zoals zij hebben gedaan. De privacy van Koomen (klaagster) is niet onnodig geschaad. De Raad voor de Journalistiek heeft de bezwaren van Koomen tegen berichtgeving van 27 maart 2013 tot en met 29 maart 2014 niet behandeld, omdat de klacht op deze onderdelen niet tijdig is ingediend.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M.G.E. Koomen

tegen

R. Vorkink en de hoofdredacteur van RTV Oost

Mevrouw M.G.E. Koomen te Den Haag (klaagster) heeft op 23 maart 2015 een klacht ingediend tegen R. Vorkink en de hoofdredacteur van RTV Oost. Voorafgaand aan het indienen van de klacht heeft de secretaris van de Raad klaagster geïnformeerd over de klachtprocedure van de Raad. De correspondentie tussen de secretaris en klaagster is aan het dossier toegevoegd. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van klaagster en mr. D. Griffiths (advocaat van Vorkink en RTV Oost) van 24 maart 2015 en van 16 juni 2015 betrokken en een groot aantal aanvullende stukken die klaagster op een usb-stick aan de Raad heeft toegestuurd.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 26 juni 2015. Klaagster was daar aanwezig vergezeld door de heer D. de Vries. Aan de zijde van de omroep waren Vorkink, de heer M. Oude Wesselink (hoofdredacteur) en mr. Griffiths aanwezig. Klaagster heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van een notitie.

FEITEN

In de periode van 27 maart 2013 tot en met 29 maart 2014 is een groot aantal artikelen en audio/video-reportages over klaagster op de website van RTV Oost verschenen.
Op 9 december 2014 verscheen op de website van RTV Oost een bericht met de kop “OM stopt onderzoek naar corruptie door oud-wethouder Koomen van Enschede”. Het bericht luidt verder:
“Het Openbaar Ministerie heeft een onderzoek naar ambtelijke corruptie door oud-wethouder Myra Koomen van Enschede stopgezet. Volgens justitie zijn de verdenkingen niet sterk genoeg voor een strafrechtelijke vervolging.
De Rijksrecherche startte anderhalf jaar geleden een uitgebreid onderzoek na uitzendingen van RTV Oost. In die uitzendingen kwam naar voren dat Koomen haar positie als wethouder Werk en Inkomen had misbruikt om te voorkomen dat ze zelf in grote financiële problemen zou komen.
OM: integriteit openbaar bestuur belangrijk
Zo verzuimde Koomen te melden dat haar ex-vriend een ICT-project leidde bij de Stadsbank, waarvan ze voorzitter was. De gemeente Enschede concludeerde dat Koomen de integriteitscode als wethouder had overtreden.
Omdat er onvoldoende bewijs is om verder onderzoek te doen, doet het OM verder geen mededelingen over de kwestie. De voormalig wethouder is op de hoogte gebracht van de uitkomst van het onderzoek.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster heeft – kort samengevat – aangevoerd dat Vorkink omwille van persoonlijke redenen de tot zijn beschikking staande journalistieke middelen heeft misbruikt en op een hetze-achtige wijze tot publicatie is overgegaan. Volgens klaagster heeft Vorkink haar niet alleen beschuldigd van corruptie, machtsmisbruik en fraude, maar heeft hij vooral een vete willen uitvechten. Aanleiding voor alle berichtgeving was haar privéleven, terwijl haar privésituatie haar functioneren als wethouder niet in de weg stond. Er bestond destijds geen goede grond om over haar privéleven te berichten en 3,5 jaar na afloop van de situatie is dit zeker niet meer relevant, aldus klaagster.
Ten aanzien van het artikel van 9 december 2014 stelt klaagster dat Vorkink door het OM ervan op de hoogte is gesteld dat er geen enkele aanwijzing is voor alle beschuldigingen tegen haar. Dit bericht heeft maar enkele uren op de website van RTV Oost gestaan. Bovendien is daarin ten onrechte weer geschreven over het geven van een opdracht aan de ex-partner van klaagster. Volgens klaagster hadden deze leugens niet meer aangehaald mogen worden en is haar privacy hierdoor onnodig aangetast. Het artikel doet geen recht aan de uitkomst van het onderzoek van het OM, er is onevenredig weinig aandacht besteed aan de positieve aspecten. Deze berichtgeving is op deze wijze alles behalve een loyale rechtzetting van onjuiste informatie.
Over het indienen van de klacht heeft klaagster opgemerkt dat zij in september 2013 al een brief heeft gestuurd naar RTV Oost, waarin zij heeft aangekondigd stappen te ondernemen als de omroep ‘leugens’ zou verspreiden. Zij heeft zich in die periode niet tot de Raad gewend, omdat zij een nieuwe topfunctie had gevonden en haar van hogerhand was afgeraden de publiciteit te zoeken; meer negatieve publiciteit zou haar haar baan kosten. Vervolgens heeft klaagster alsnog haar baan verloren, waarna zij gedurende enkele maanden niet goed heeft kunnen functioneren. Toen zij op 9 december 2014 van het OM het bericht ontving dat het onderzoek naar haar niets had opgeleverd, wilde zij alsnog haar recht halen. Klaagster heeft zich daarom op 10 december 2014 tot de omroep gewend en haar bezwaren tegen de volledige berichtgeving voorgelegd. Hierna heeft zij gedurende enige tijd contact gehad met RTV Oost om te zien of zij tot een oplossing konden komen. Toen bleek dat dit niet lukte, heeft zij de klacht bij de Raad ingediend.

Vorkink en RTV Oost stellen daar tegenover dat zij geen onjuiste beweringen over klaagster hebben gepubliceerd. Zij hebben onder meer aandacht besteed aan het feit dat klaagster haar positie als wethouder inzette in het kader van privéperikelen. Voor zover hiermee inbreuk is gemaakt op het privéleven van klaagster, stond die inbreuk in redelijke verhouding tot het maatschappelijk belang van de publicatie. Het is begrijpelijk dat klaagster niet gelukkig was met het feit dat zij de centrale figuur was in het journalistieke onderzoek van Vorkink, maar Vorkink heeft in zijn onderzoek niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld.
Voor wat betreft de publicatie van 9 december 2014 betwisten zij dat dit bericht slechts enkele uren op de website heeft gestaan. Het bericht is nog steeds op de site van RTV Oost te vinden. Verder wijzen Vorkink en RTV Oost erop dat zij nooit hebben gepubliceerd dat klaagster zich schuldig zou hebben gemaakt aan enig strafbaar feit. Het OM heeft onderzocht of klaagster strafrechtelijk zou worden vervolgd en heeft geconcludeerd dat daarvoor geen aanleiding was. Dit betekent niet dat de publicaties van RTV Oost onjuiste informatie hebben bevat. Het artikel van 9 december 2014 moet dan ook niet worden gezien als het ‘rechtzetten van onjuiste informatie’.

BEOORDELING VAN DE TIJDIGE INDIENING voor zover de klacht is gericht tegen de berichtgeving tot en met 29 maart 2014

De Raad kent een termijn voor het indienen van een klacht. Op grond van het Reglement voor de werkwijze van de Raad wordt een te laat ingediende klacht niet inhoudelijk behandeld en wordt volstaan met de constatering van de niet tijdige indiening van de klacht. Hiervan kan de Raad alleen afwijken als hij tot de conclusie komt dat de te late indiening van de klacht niet voor rekening van de klager behoort te komen.

Klaagster heeft niet op tijd geklaagd over de berichtgeving tot en met 29 maart 2014. Zij heeft aangevoerd dat haar eerst is afgeraden stappen te ondernemen en dat zij vervolgens door persoonlijke omstandigheden niet in staat was actie te ondernemen. Hoewel de Raad begrip heeft voor het standpunt van klaagster, kan dit niet leiden tot het alsnog in behandeling nemen van de klacht tegen deze berichtgeving. De termijnenregeling zou aanzienlijk aan betekenis verliezen, als deze niet ook in dergelijke gevallen zou worden toegepast. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden zal daarop een uitzondering kunnen worden gemaakt. Daarvan is hier geen sprake. De Raad behandelt deze onderdelen van de klacht daarom niet inhoudelijk. Dat vervolgens in het artikel van 9 december 2014 opnieuw aandacht aan klaagster is besteed, doet daaraan niet af.

BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover gericht tegen het artikel van 9 december 2014

Voorop staat dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het is ook aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht.

Het gaat hier om een nieuwsbericht over een strafrechtelijk onderzoek tegen klaagster en niet – zoals klaagster heeft aangevoerd – om een publicatie waarin onjuiste informatie wordt rechtgezet. Strekking van het artikel is dat het Openbaar Ministerie het onderzoek naar mogelijk strafrechtelijk handelen door klaagster heeft beëindigd. In dat kader is geschetst waarover het onderzoek ging en zijn de achtergronden van de zaak belicht.

Niet is gebleken dat de publicatie relevante feitelijke onjuistheden bevat. Het is voorstelbaar dat de door Vorkink en RTV Oost gekozen invalshoek voor klaagster onaangenaam is en dat klaagster prijs had gesteld op een positievere insteek. Volgens de Raad is echter geen zodanig vertekend beeld of onzorgvuldige weergave van de kwestie gegeven, dat daarmee geen sprake meer is van waarheidsgetrouwe berichtgeving. Het voorbeeld over de ex-partner van klaagster is in de context van de berichtgeving journalistiek relevant. De privacy van klaagster is daarmee niet disproportioneel geschaad.

Een en ander leidt tot de conclusie dat Vorkink en RTV Oost journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: A. en C.1
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2014/26, RvdJ 2014/19, RvdJ 2012/6, RvdJ 2009/9
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2a

CONCLUSIE

De klacht tegen de berichtgeving van 27 maart 2013 tot en met 29 maart 2014 wordt niet inhoudelijk behandeld.
Voor zover de klacht is gericht tegen het artikel van 9 december 2014 hebben Vorkink en RTV Oost journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 24 augustus 2015 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, drs. ir. M.C.N. Mokveld, mw. H.M.M. Nietsch, mw. J.R. van Ooijen en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.