2015/1 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen P. Heesen en Dagblad De Limburger (RvdJ 2014/45) te herzien. H. Dinghs maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn conclusie heeft gemaakt, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn conclusie op basis van onjuiste constateringen heeft genomen. Voor nader onderzoek door de Raad is in het kader van een herzieningsprocedure geen plaats. Herziening alleen op grond van (aanvullende) stellingen is niet mogelijk.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
H. Dinghs
 
tot herziening van de conclusie van de Raad van 31 oktober 2014 (RvdJ 2014/45) betreffende zijn klacht
 
tegen
 
P. Heesen en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger
 
De heer H. Dinghs te Evertsoord (verzoeker) heeft op 17 november 2014 verzocht om herziening van de conclusie van 31 oktober 2014 inzake zijn klacht tegen de heer P. Heesen en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger. Heesen en de krant hebben niet op het verzoek gereageerd.
 
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 6 maart 2015 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
De heer Dinghs heeft op 10 juli 2014 een klacht ingediend tegen P. Heesen en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger over de artikelen “CDA-wethouder onder vuur” en “De wethouder zit niet in het dossier”. De Raad heeft bij conclusie van 31 oktober 2014 beslist dat P. Heesen en Dagblad De Limburger journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld en daartoe het volgende overwogen:
“De Raad stelt vast dat de berichtgeving een weergave behelst van een gemeenteraadsvergadering. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat Heesen in het eerste artikel voornamelijk een beschrijving heeft gegeven van wat hij tijdens die vergadering heeft waargenomen en in het vervolgartikel zijn visie op de gebeurtenissen heeft geschetst.
In de gemeenteraadsvergadering is kennelijk scherpe kritiek aan klagers adres geuit. Het is dan ook begrijpelijk dat de berichtgeving voor klager pijnlijk is. Volgens de Raad is echter niet aannemelijk geworden dat Heesen in de artikelen een vertekend beeld of onzorgvuldige beschrijving heeft gegeven van wat op de raadsvergadering is gebeurd. Heesen heeft op een journalistiek aanvaardbare wijze onderscheid gemaakt tussen feiten en meningen. Daarbij heeft hij duidelijk gemaakt dat klager het met de geuite kritiek niet eens is.”
 
HET STANDPUNT VAN VERZOEKER
 
Verzoeker vindt – kort samengevat – dat de door de Raad getrokken conclusie niet inhoudelijk is onderbouwd. Hij heeft de indruk dat de Raad onverkort het standpunt van de heer Heesen heeft onderschreven zonder de voorhanden zijnde feitelijkheden uitvoerig te hebben onderzocht. Verzoeker vraagt zich af of de Raad de notulen van de gemeenteraadsvergadering daadwerkelijk heeft bestudeerd. Verder merkt hij op dat de Raad geen gebruik heeft willen maken van het aanbod dat hij op de zitting heeft gedaan, om opnamen van de bewuste gemeenteraadsvergadering ter beschikking te stellen. Uit die opnamen blijkt volgens verzoeker onder meer dat hij de beweringen van enkele omwonenden heeft weten te weerleggen. De conclusie van de Raad dat ‘niet aannemelijk (is) geworden dat Heesen in de artikelen een vertekend beeld of onzorgvuldige beschrijving heeft gegeven van wat op de raadsvergadering is gebeurd’ strookt dan ook niet met de werkelijkheid, aldus verzoeker. Hij vraagt de Raad zijn klacht opnieuw in behandeling te nemen en al het op de zaak betrekking hebbende materiaal te onderzoeken.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
Een herziening van een eerder gedane conclusie is alleen mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten’.
 
Kern van het verzoek is dat de Raad volgens verzoeker onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn klachten en door hem genoemde documenten. Maar voor een dergelijk onderzoek door de Raad is in het kader van de herzieningsprocedure geen plaats. In deze procedure is het aan verzoeker om aannemelijk te maken dat de Raad in zijn conclusie is uitgegaan van ‘ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten’. Dit zal verzoeker moeten toelichten aan de hand van concrete feiten. Dit heeft hij niet gedaan. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de Raad zijn oordeel op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.
 
Het herzieningsverzoek is verder vooral een nadere uitwerking van het standpunt van verzoeker – zoals hij dat eerder al in zijn klacht heeft geformuleerd en op de zitting van de Raad mondeling heeft toegelicht – en waarover de Raad al een oordeel heeft gegeven. Voor een herziening alléén op grond van (aanvullende) stellingen biedt het Reglement geen ruimte. Dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.
 
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.
 
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2014/31 en RvdJ 2013/21
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Zo vastgesteld door de Raad op 30 maart 2015 door mw. mr. C.C.W. Lange, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. M.E.L. Kogeldans, drs. ir. M.C.N. Mokveld en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.