2014/51 zorgvuldig

Samenvatting

R. Elkerbout en Recht uit Noord-Holland (RTV NH) hebben niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door de wijze waarop zij aandacht hebben besteed aan de verdwijning van een vrouw in 1989. Zij konden dat doen aan de hand van een interview met de tante van de vrouw. Het is duidelijk dat de aantijgingen aan het adres van klager – destijds de vriend van de verdwenen vrouw – voornamelijk de persoonlijke mening van de tante bevatten. Bovendien is klager in de uitzending niet herkenbaar voor het grote publiek.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van  

X
 
tegen
 
R. Elkerbout en de hoofdredacteur van Recht uit Noord-Holland (RTV NH)
 
De heer X (klager) heeft een klacht ingediend, ontvangen door de Raad op 14 oktober 2014, tegen R. Elkerbout en de hoofdredacteur van Recht uit Noord-Holland (RTV NH). Bij de beoordeling van de klacht is correspondentie betrokken van RTV NH van 14 oktober 2014 en een brief van de echtgenote van klager die op 10 november 2014 door de Raad is ontvangen.
 
De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 14 november 2014. Klager was daar aanwezig vergezeld door zijn echtgenote. Aan de zijde van de omroep zijn mevrouw Elkerbout (programmamaker), de heer B. Barnas (hoofdredacteur), de heer P. Lodiers (editor) en mevrouw C. Hensbergen (verslaggeefster) verschenen.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een opname van het programma bekeken.
 
DE FEITEN  

Op 23 september 2014 is in het televisieprogramma Recht uit Noord-Holland aandacht besteed aan de verdwijning van een vrouw in 1989 aan de hand van een interview met de tante van de vrouw. Zij uit onder meer het vermoeden dat klager, die destijds de vriend was van de vrouw, haar zou hebben vermoord. In de uitzending wordt herhaaldelijk de voornaam van klager genoemd. Verder is een oude krantenfoto van klager en de vrouw getoond, waarbij over het portret van klager een balkje is afgebeeld.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager voert aan dat in de uitzending zijn foto is getoond en dat op één specifiek moment zijn volledige naam is genoemd. Hij is in het programma ten onrechte beschuldigd van drugs-, wapen- en vrouwenhandel. Verder zijn uitspraken gedaan dat na 25 jaar duidelijk is dat de vrouw niet meer leeft en dat hij haar om het leven zou hebben gebracht. Klager benadrukt dat hij geen verdachte is in de verdwijningszaak en dat hij geen strafblad heeft. Volgens hem is in de zaak nooit duidelijk geworden of de vrouw het slachtoffer is geworden van een misdrijf. Klager heeft de omroep om rectificatie verzocht, maar dat is geweigerd. Elkerbout heeft weliswaar nog aangeboden om met hem te praten over de mogelijkheid om in een interview zijn visie te geven, maar volgens klager had zij tijdens het maken van het programma contact moeten opnemen.
 
Elkerbout en de redactie van Recht uit Noord-Holland stellen daar tegenover dat de reportage naar eer en geweten en in alle zorgvuldigheid is gemaakt, zonder klager ergens van te beschuldigen. Om de privacy van klager te waarborgen is zijn achternaam niet in de uitzending genoemd. Op de foto is klager door het plaatsen van een balkje over zijn ogen onherkenbaar gemaakt.
In verband met klagers bezwaar over de vermelding van zijn volledige naam heeft Elkerbout het door klager bedoelde specifieke fragment herhaaldelijk op zeer luid volume beluisterd. Helaas is haar toen gebleken, dat het er de schijn van heeft dat klagers naam op de achtergrond genoemd wordt door de zoon van de geïnterviewde tante. Elkerbout is er echter van overtuigd dat geen kijker zonder voorkennis dat kan hebben gehoord. In de reportage wordt overigens vermeld dat de politie klager niet als verdachte ziet. Bovendien zegt Elkerbout in de laatste presentatietekst dat nooit duidelijk is geworden wat er met de vrouw is gebeurd.
Na de uitzending heeft Elkerbout klager nog aangeboden om met hem in gesprek te gaan en hem de mogelijkheid gegeven zijn visie op de zaak te geven. Hierop heeft klager echter niet gereageerd.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
In de uitzending is aandacht besteed aan de verdwijning van een vrouw in 1989 vanuit het perspectief van de tante van de vrouw. Het stond de redactie vrij om dat zo te doen. Voor de gemiddelde kijker is voldoende duidelijk dat de aantijgingen aan het adres van klager, de persoonlijke mening van de tante bevatten en voor haar rekening zijn gelaten.
 
De Raad stelt vast dat in de uitzending herhaaldelijk de voornaam van klager is vermeld. Verder is een oude foto van klager en de vrouw in beeld gebracht. Daarbij is echter het portret van klager onherkenbaar gemaakt. Klager heeft gesteld dat op één specifiek moment ook zijn achternaam is genoemd, maar de Raad heeft dat niet kunnen vaststellen. In de opname die aan de Raad ter beschikking is gesteld is de achternaam van klager – ook bij herhaaldelijk luisteren op een hoog volume – niet hoorbaar. De Raad meent daarom dat klager niet voor het grote publiek in de uitzending herkenbaar is. Van een ongeoorloofde aantasting van zijn privacy is geen sprake. Dat klager wellicht in zijn directe omgeving op de uitzending is aangesproken, maakt dat niet anders. Daarbij neemt de Raad ook in aanmerking dat klager op de zitting heeft meegedeeld dat iedereen in zijn omgeving het verhaal kent.
 
Het is voorstelbaar dat klager de uitzending als grievend heeft ervaren. Omdat hij daarin niet algemeen herkenbaar is, kan echter niet worden geconcludeerd dat klager – objectief bezien – door de uitzending wordt gediskwalificeerd. Het was dan ook niet nodig om wederhoor bij klager toe te passen.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat Elkerbout en Recht uit Noord-Holland niet journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
 
Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: 1.2. en 2.4.
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2010/57 en 2009/65
 
CONCLUSIE
 
R. Elkerbout en Recht uit Noord-Holland hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 16 december 2014 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, dr. H.J. Evers, drs. P. Olsthoorn, mw. J.R. van Ooijen en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.