2014/47 niet-inhoudelijk-behandeld

Samenvatting

Omdat Het Parool niet meedoet aan de procedure van de Raad voor de Journalistiek, heeft de Raad de klacht van K.B. Blijleven tegen journalist M. van Dun en Het Parool niet inhoudelijk behandeld. De Raad gaat dan alleen tot behandeling van de klacht over in het bijzondere geval dat deze van algemene strekking of principieel belang is. Daarvan is hier niet gebleken. 

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
K.B. Blijleven
 
tegen
 
M. van Dun en de hoofdredacteur van Het Parool
 
De heer K.B. Blijleven (klager) heeft op 29 juli 2014 een klacht ingediend tegen M. van Dun en de hoofdredacteur van Het Parool.
 
De hoofdredacteur van Het Parool heeft in het verleden herhaaldelijk aan de Raad bericht dat hij niet wenst mee te werken aan de procedure van de Raad. Bij het doorsturen van de klacht is daarom aan de hoofdredacteur meegedeeld dat indien hij niet binnen de termijn van drie weken inhoudelijk heeft geantwoord, dit als een stilzwijgende afwijzing wordt beschouwd. De hoofdredacteur en M. van Dun hebben niet op de klacht gereageerd.
 
De zaak is besproken op de zitting van de Raad van 19 september 2014 op basis van de schriftelijke stukken.
 
DE FEITEN
 
Op 31 maart 2014 verscheen in Het Parool een artikel van de hand van M. van Dun met de kop “Rechtbank stort zich op geschorste, failliete notaris”. Klager is de bedoelde notaris en is in het artikel genoemd.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Volgens klager is sprake van onjuiste en tendentieuze berichtgeving, die niet in verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. De journalist heeft geen moeite genomen om de inhoud van het artikel bij hem te verifiëren. Er is geen wederhoor toegepast en geen inzage vooraf gegeven. Klager meent dat de krant op de stoel van de rechter gaat zitten en hem veroordeelt. Hij vraagt zich bovendien af waarom zijn naam is vermeld. Klager voelt zich door het artikel beledigd en in zijn privacy en reputatie geschaad. Ten slotte maakt klager bezwaar tegen de wijze waarop de krant met zijn klacht is omgegaan.
 
BEOORDELING OF DE KLACHT VAN ALGEMENE STREKKING OF PRINCIPIEEL BELANG IS
 
Sinds 1 november 2013 is in artikel 9 lid 5 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad het volgende bepaald: “Indien de klacht is ingediend tegen een medium dat of een journalist die zich uit beginsel niet verweert, ziet de Raad af van behandeling, tenzij de klacht volgens de Raad van algemene strekking of principieel belang is.”
 
De hoofdredacteur van Het Parool heeft zich op principiële gronden niet verweerd. De Raad zal dan ook slechts tot behandeling van de klacht overgaan in het bijzondere geval dat deze van een algemene strekking of principieel belang is. Daarvan is hier niet gebleken.
 
De Raad vindt hier niet dat de strekking van de klacht het belang van klager in zodanige mate overstijgt, waardoor sprake zou zijn van een algemene strekking. Er is niet sprake van een klacht met betrekking tot een onderwerp waarbij de belangen van (zeer) velen betrokken kunnen zijn. Ook heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor de conclusie dat de klacht betrekking heeft op elementen van het journalistieke proces waarover de Raad zich niet eerder heeft uitgelaten, zodat de klacht van principieel belang zou zijn. De klacht gaat over onjuiste en tendentieuze berichtgeving, onzorgvuldige toepassing van wederhoor, inzage vooraf en privacyschending. De Raad heeft hierover in zijn Leidraad algemene uitgangspunten geformuleerd, die in diverse conclusies zijn uitgewerkt. Dat M. van Dun en Het Parool wellicht hebben gehandeld in strijd met de door de Raad gehanteerde criteria, maakt niet dat de klacht van principieel belang is.
 
De Raad ziet dan ook geen aanleiding de klacht inhoudelijk te behandelen.
 
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 9 lid 5
Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: 1.1., 1.5., 2.2.5., 2.3.1. en 2.4.
 
CONCLUSIE
 
De klacht is niet van algemene strekking of principieel belang en wordt daarom niet inhoudelijk behandeld.
 
Zo vastgesteld door de Raad op 7 november 2014 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, ir. B.L. Hooghoudt, mw. H.M.M. Nietsch en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.