2014/44 onthouding-oordeel zorgvuldig

Samenvatting

In het Eindhovens Dagblad is een analyse van H. Dohmen met de kop “Reiling: verkeerd argument bij vergunning” gepubliceerd. Hiertegen richt zich de klacht van Reiling Sterksel B.V. Voor zover is geklaagd over het gebruik van de term ‘boetes’ onthoudt de Raad zich van een oordeel. Dohmen heeft aangeboden nader uit te zoeken hoe hij tot het gebruik van deze term is gekomen, maar daartegen heeft klaagster bezwaar gemaakt. Verder hebben Dohmen en het Eindhovens Dagblad journalistiek zorgvuldig gehandeld. Niet is gebleken dat het artikel feitelijke onjuistheden dan wel ontoelaatbare kwalificaties of vergelijkingen bevat. Dohmen hoefde geen wederhoor toe te passen. Afspraken hierover kan de Raad niet vaststellen en dus ook niet dat deze zijn geschonden.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Reiling Sterksel B.V.

tegen

H. Dohmen en de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad

Mr. M.A. van Brandwijk, advocaat te Den Bosch, heeft op 23 juni 2014 namens Reiling Sterksel B.V. te Sterksel (klaagster) een klacht ingediend tegen H. Dohmen en de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad. Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van de heer L. van Houtert, adjunct-hoofdredacteur a.i., van 10 juli 2014 betrokken.

De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 29 augustus 2014. Namens Reiling Sterksel waren daar mr. Van Brandwijk en de heer P.A. Driessen (directeur van klaagster) aanwezig. Namens de krant zijn Dohmen en Van Houtert verschenen. Mr. van Brandwijk heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een notitie.

DE FEITEN  

Op 16 mei verscheen in het Eindhovens Dagblad een artikel van de hand van Dohmen met de kop “Reiling: verkeerd argument bij vergunning” en de onderkop “Analyse – Reiling Sterksel”. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Raar vindt bestuurskundige Marcel Boogers het wel. ,,Het is onnodige ruis, het is vreemd dat ze ermee komen”, zegt hij. ,,Ik sluit niet uit dat ze het doen om de publieke opinie te bespelen.” Afvalverwerker Reiling uit Sterksel vocht eind vorige week in een spoedprocedure bij de Raad van State (RvS) de vernietiging van de omgevingsvergunning aan.”
en
“Want, zo betoogde Reiling, als de vergunning niet voor 1 juni gereanimeerd wordt, loopt de Driessen Groep uit Deurne – waartoe Reiling behoort – mogelijk een subsidie van maximaal 124 miljoen euro voor een mestverwerkingsinstallatie in Sterksel mis. Omdat de firma de afgelopen jaren al geïnvesteerd heeft, zou de gang van zaken in het zwartste scenario tot het bankroet van de hele Driessen Groep kunnen leiden. Ofwel een verlies van 150 banen, aldus het bedrijf.
Met deze argumentatie, legde Reiling de zwarte Piet alvast bij de rechterlijke macht. ,,Als het goed is laten rechters zich niet leiden door economische argumenten”, stelt Boogers. ,,Het gaat hier tenslotte om de argumenten die hebben geleid tot vernietiging van de vergunning.””
en
“Het is niet de eerste keer dat Reiling (oneigenlijke) financiële argumenten tijdens een procedure in stelling brengt. In 2011 kwam het bedrijf, in een poging provinciale boetes wegens onder meer illegale lozing van afvalwater te voorkomen, net als nu met een accountantsrapport op de proppen.
Het bedrijf zou in de eerste zes maanden van het jaar al twee ton verlies hebben geleden.”
en
“De Raad van State oordeelde dat de boetes terecht waren opgelegd. Daarmee liet het rechtscollege het argument van de werkgelegenheid in het definitieve oordeel niet meer meetellen.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster meent dat onjuiste informatie over haar is gepubliceerd. Zo is zij ten onrechte beschuldigd van het ‘bespelen van de publieke opinie’. Er bestaat echter geen enkele aanleiding voor de suggestie dat zij op een listige wijze dingen gedaan zou proberen te krijgen. Dohmen had prudenter om moeten gaan met deze – door de heer Boogers geuite – beschuldiging. Verder heeft Dohmen haar ten onrechte ervan beschuldigd dat zij ‘oneigenlijke financiële argumenten tijdens procedures in stelling brengt’. De aanduiding ‘oneigenlijk’ dient per definitie als een negatieve inkleuring te worden aangemerkt en voor deze negatieve lading bestaat geen enkele grondslag. Ook wordt klaagster ten onrechte verweten dat zij meerdere boetes zou hebben verbeurd bij een milieukwestie, zij heeft namelijk maar één maal een dwangsom verbeurd. Bovendien is de onjuiste indruk gewekt dat klaagster in het afgelopen jaar (2013) twee ton verlies heeft geleden, terwijl dit in 2011 is geweest. Volgens klaagster is een subjectieve kleuring gebruikelijk voor een analyse, maar door de gekozen negatieve en suggestieve bewoordingen wordt een volstrekt onnodig negatief beeld van haar geschetst.
Klaagster voert verder aan dat Dohmen vanwege het publiceren van de beschuldigingen wederhoor had moeten toepassen en dat ten onrechte niet heeft gedaan. Dit is bovendien in strijd met een afspraak die klaagster, naar aanleiding van haar bezwaren tegen eerdere artikelen, in 2013 heeft gemaakt met de hoofdredacteur. Volgens klaagster is daarbij geen uitzondering gemaakt voor bijvoorbeeld analyses.
Ten slotte merkt klaagster op dat het artikel is geplaatst op de dag dat de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak heeft gedaan. Dohmen wist na de zitting van 9 mei 2014 dat er uiterlijk binnen 14 dagen uitspraak zou worden gedaan. Het had voor de hand gelegen dat Dohmen de uitspraak had afgewacht. De uitspraak zou de analyse volledig achterhaald kunnen maken, hetgeen ook is gebeurd.

Dohmen en de krant wijzen allereerst op de aard van het artikel. Het is een analyse, die door de afwijkende opmaak en de aanduiding ‘analyse’ voor de lezer ook als zodanig herkenbaar is. Het betreft dus een interpretatie en duiding van het nieuws. Daarbij is expliciet gebruik gemaakt van de kennis van een derde, de bestuurskundige prof. Boogers. Het staat de krant vrij om de mening van een deskundige te citeren. Omdat het hier gaat om een procedure tussen een bedrijf en het openbaar bestuur, is de keuze voor een bestuurskundige niet onredelijk. Eigen aan de analyse is dat daarin nieuwsfeiten in een perspectief worden gezet en daardoor per definitie subjectief is. In die context is geen wederhoor geboden.
Volgens Dohmen en de krant wordt in het artikel niet beweerd dat meerdere boetes zijn verbeurd. Er was aanvankelijk sprake van meerdere boetes, maar uiteindelijk is slechts één bestuursrechtelijke dwangsom/boete gehandhaafd.
Dohmen en de krant betwisten dat klaagster door het artikel in ernstige mate is gediskwalificeerd. De insteek van het betoog is dat in het proces een oneigenlijk argument is gebruikt. Dat is geen ernstige diskwalificatie. Het inbrengen van oneigenlijke argumenten is iets anders dan juridisch onoorbaar handelen; het is niet ontoelaatbaar en ook niet onbehoorlijk.
Verder bestrijden Dohmen en de krant dat met klaagster de afspraak is gemaakt dat bij álle volgende publicaties wederhoor zou worden toegepast. Het toepassen van wederhoor bij analyses is journalistiek niet gebruikelijk en daarom is voor dergelijke artikelen een uitzondering gemaakt.
Dohmen en de krant merken ten slotte op dat het artikel ging over de argumenten van klaagster. Omdat de uitspraak werd verwacht, was de publicatie relevant. Het was echter niet nodig de uitspraak af te wachten. Later heeft de krant wel over de uitspraak bericht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt vast dat de berichtgeving over klaagster een analyse betreft, die voornamelijk de persoonlijke opvatting van Dohmen en de mening van de geraadpleegde deskundige bevat. Dit is voor de gemiddelde lezer ook voldoende duidelijk. In het artikel is op een journalistiek aanvaardbare wijze onderscheid gemaakt tussen feiten en meningen.

In verband met het standpunt van klaagster dat in de zin “De Raad van State oordeelde dat de boetes terecht waren opgelegd.” ten onrechte de term ‘boetes’ (meervoud) is gebruikt, heeft Dohmen op de zitting aangeboden nader uit te zoeken hoe hij tot het gebruik van deze term is gekomen. Klaagster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Raad zal zich daarom op dit punt van een oordeel onthouden.
Verder is niet gebleken dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat. Volgens de Raad is voldoende duidelijk dat de zin “Het bedrijf zou in de eerste zes maanden van het jaar al twee ton verlies hebben geleden.” terugslaat op de alinea ervoor en gaat over het jaar 2011.

Bovendien bevat het artikel geen kwalificaties of vergelijkingen die journalistiek ontoelaatbaar zijn. Dat klaagster het artikel als diskwalificerend heeft opgevat, is daarvoor onvoldoende. Het gebruik van de term ‘oneigenlijk’ is acceptabel; daarmee wordt duidelijk gemaakt dat de argumentatie van klaagster volgens Dohmen c.q. Boogers niet deugt. Deze mening mag in een analyse worden verkondigd. Datzelfde geldt voor het oordeel van Boogers dat klaagster mogelijk ‘de publieke opinie bespeelt’.

Het beginsel van wederhoor geldt niet voor publicaties die kennelijk een persoonlijke mening bevatten. Niet is gebleken dat klaagsters belang door het artikel zodanig is geraakt, dat Dohmen toch wederhoor had moeten toepassen. Verder spreken partijen elkaar tegen ten aanzien van de gemaakte afspraak over het toepassen van wederhoor bij vervolgpublicaties. De Raad kan daarom niet vaststellen wat partijen precies zijn overeengekomen en dus ook niet dat afspraken zijn geschonden.

Een en ander leidt tot de slotsom dat de Raad zich van een oordeel onthoudt voor zover klaagster bezwaar heeft gemaakt tegen de term ‘boetes’. Verder hebben Dohmen en het Eindhovens Dagblad waarheidsgetrouw over klaagster bericht en journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: 1.1., 1.4. en 2.3.4.
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2011/59

CONCLUSIE

De Raad onthoudt zich van een oordeel voor zover klaagster bezwaar heeft gemaakt tegen het gebruik van de term ‘boetes’. Verder hebben Dohmen en het Eindhovens Dagblad journalistiek zorgvuldig gehandeld.

Zo vastgesteld door de Raad op 8 oktober 2014 door mw. mr. C.C.W. Lange, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. M.J. Rietkerk en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.