2014/33 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een conclusie over een klacht tegen De Vijfde Dag van de EO (RvdJ 2014/1) te herzien. Het herzieningsverzoek van W.P.J.M. van Nunen bevat een uitbreiding van zijn klacht. De herzieningsprocedure leent zich niet voor beoordeling van nieuwe klachtonderdelen.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
W.P.J.M. van Nunen
 
tot herziening van de conclusie van de Raad van 17 januari 2014 (RvdJ 2014/1) betreffende zijn klacht
 
tegen
 
de hoofdredacteur van De Vijfde Dag (EO)
 
De heer W.P.J.M. van Nunen te Oirschot heeft op 23 januari 2014 verzocht om herziening van de conclusie van 17 januari 2014 inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van De Vijfde Dag (EO). De redactie heeft niet op het verzoek gereageerd.
 
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 25 april 2014 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
De heer W.P.J.M. van Nunen heeft op 12 juli 2013 mede namens de Parochie H. Antonius een klacht ingediend tegen De Vijfde Dag over een anonieme reactie op de website van het televisieprogramma. De Raad heeft bij conclusie van 17 januari 2014 beslist dat De Vijfde Dag journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld en daartoe het volgende overwogen:
“De Raad begrijpt het standpunt van klagers dat de gebruikte kwalificaties gevoelig kunnen liggen bij personen tot wie ze zijn gericht. Gezien de context is echter objectief bezien geen sprake van zodanig ernstige beschuldigingen of diffamerende uitlatingen, dat de redactie deze had moeten verwijderen. Van Nunen en Van Hal hebben zich zelf in de video op de website van De Vijfde Dag over de – kennelijk gevoelig liggende – kwestie in Best uitgelaten. Zij hadden er daarom op bedacht kunnen zijn, dat anderen hierop zouden reageren op de wijze zoals is gebeurd. Het is daarom niet unfair dat de hoofdredacteur heeft geweigerd te voldoen aan het verzoek van klagers om de reactie te verwijderen.”
 
HET STANDPUNT VAN VERZOEKER
 
Verzoeker vindt dat de Raad ten onrechte heeft overwogen dat hij erop bedacht had kunnen zijn dat anderen op de video zouden reageren op de wijze zoals is gebeurd. Natuurlijk was hij erop bedacht dat zijn bijdrage pittige reacties zou kunnen uitlokken, maar niet met het plaatsen van een belediging op de website van de EO. Bij de opnamen voor de uitzending is hem namelijk verteld dat zijn bijdrage belangrijk was, omdat de EO in het programma een zo compleet mogelijk beeld wilde schetsen van de Bestse problematiek. De bijdrage zou in een televisie-uitzending worden uitgezonden. De EO zou alle betrokkenen vooraf de datum van de uitzending doorgeven. Dit is niet gebeurd en dat vindt klager onzorgvuldig. Hij heeft de uitzending pas achteraf gezien via ‘uitzending gemist’, nadat hij telefoontjes van verontwaardigde parochianen had ontvangen. Tot zijn verbazing bleek toen dat in de uitzending niets van zijn bijdrage was opgenomen. Wel werd bij de aftiteling verwezen naar de website. Daar vond hij een fragmentje van zijn bijdrage terug met daaronder de mogelijkheid tot het geven van reacties. Indien de EO hem had geïnformeerd over het feit dat zijn bijdrage mogelijk beperkt zou kunnen blijven tot een fragment op de website met daaraan gekoppeld de mogelijkheid om te reageren, dan had hij zeker niet aan het programma meegewerkt.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
Herziening is slechts mogelijk indien verzoeker aannemelijk maakt dat de conclusie van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geachte feiten.
 
Kern van het verzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in de overweging van de Raad dat hij op plaatsing van de reactie bedacht had kunnen. Volgens verzoeker is hij er namelijk niet over geïnformeerd dat zijn bijdrage beperkt zou kunnen blijven tot een fragment op de website met daaraan gekoppeld de mogelijkheid om te reageren.
Dit standpunt van verzoeker betreft niet een ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feit – vaststaat dat de bijdrage van verzoeker en de reactie daarop op de website van de EO zijn verschenen – maar behelst een uitbreiding van zijn eerdere klacht. De herzieningsprocedure leent zich echter niet voor een beoordeling van nieuwe klachtonderdelen. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing van de Raad.
 
Ten overvloede merkt de herzieningskamer op dat indien de bijdrage van klager in de televisie-uitzending was opgenomen, dit niet had uitgesloten dat daarop op de website van de EO was gereageerd op de wijze zoals nu is gebeurd.
 
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Zo vastgesteld door de Raad op 26 mei 2014 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, M.C. Doolaard, ir. B.L. Hooghoudt, drs. ir. M.C.N. Mokveld en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.