2014/28 toegewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek herziet de uitspraak over een klacht tegen N. Sterkenburg en de hoofdredacteur van Quote en Quotenet.nl (RvdJ 2013/61). De Raad had de klacht over een artikel in Quote ongegrond verklaard, maar vond de klacht over de vooraankondiging op Quotenet.nl wel gegrond. Sterkenburg heeft aannemelijk gemaakt dat zij niet heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de vooraankondiging en dat haar niets te verwijten valt. Voor zover de klacht tegen Sterkenburg was gericht wordt deze alsnog ongegrond verklaard.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
N. Sterkenburg  
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 12 december 2013 (RvdJ 2013/61) betreffende de klacht van
 
X
 
tegen verzoekster en de hoofdredacteur van Quote en Quotenet.nl
 
Mevrouw N. Sterkenburg (verzoekster) heeft op 2 januari 2014 verzocht om herziening van de uitspraak van 12 december 2013 inzake de klacht van X (klager) tegen verzoekers. Klager heeft niet op het verzoek gereageerd.
 
De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 21 februari 2014, door een herzieningskamer, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
De heer X heeft op 16 juni 2013 een klacht ingediend tegen N. Sterkenburg en de hoofdredacteur van Quote en Quotenet.nl over het in Quote gepubliceerde artikel “De zaakwaarnemer en de ziener” en de vooraankondiging ervan op Qutonet.nl.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 12 december 2013 de klacht tegen het artikel in Quote ongegrond verklaard, maar vond de klacht tegen de oorspronkelijke vooraankondiging op Quotenet.nl gegrond. De Raad heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“Wel acht de Raad het gebruik van de term ‘meesteroplichter’ in samenhang met klagers naam in de vooraankondiging op Quotenet.nl journalistiek ontoelaatbaar. Hierdoor is de suggestie gewekt dat klager zich heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, terwijl klager niet voor oplichting is veroordeeld. Op verzoek van klager hebben verweerders de term verwijderd en hun excuses aangeboden. Dit heeft echter de nadelen die klager van de vooraankondiging moet hebben ondervonden, onvoldoende kunnen herstellen.”
 
HET STANDPUNT VAN VERZOEKSTER
 
Verzoekster meent dat de Raad ten onrechte niet heeft overwogen dat de vooraankondiging is opgesteld door de hoofdredactie. Zij heeft geen aandeel gehad in het opstellen van de – door de Raad onzorgvuldig bevonden – tekst, maar is wel de eerste geweest die het bericht heeft laten aanpassen en excuses heeft aangeboden, omdat zij de contactpersoon van klager was. De uitspraak van de Raad geeft een onjuiste voorstelling van zaken over haar journalistieke prestaties, nu deze de indruk wekt dat zij journalistiek onzorgvuldig te werk is gegaan.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
De herzieningskamer vindt dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen aandeel heeft gehad in de totstandkoming van de vooraankondiging en dat haar ter zake geen journalistiek onzorgvuldig handelen kan worden verweten. Dit kan ook worden opgemaakt uit een door klager bij zijn klacht overgelegde e-mail van 17 mei 2013 waarin verzoekster aan klager laat weten dat zij ‘niet gaat over dat stukje tekst’.
 
De Raad is hieraan voorbij gegaan en heeft in zijn beslissing van 12 december 2013 de klacht ten opzichte van álle verweerders gegrond verklaard.
 
Gelet op het voorgaande moet alsnog worden geconcludeerd dat de klacht, voor zover deze tegen verzoekster was gericht, ongegrond is.
 
Relevante eerdere conclusie van de Raad: RvdJ 2011/21
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1
 
CONCLUSIE
 
Het verzoek tot herziening wordt toegewezen en de klacht wordt, voor zover deze tegen verzoekster was gericht, alsnog ongegrond verklaard.
 
De Raad zal de publicatie van zijn uitspraak van 12 december 2013 (RvdJ 2013/61) op zijn website wijzigen, in de zin dat daaronder zal worden vermeld dat het verzoek tot herziening van verzoekster is toegewezen en de klacht tegen haar alsnog ongegrond is verklaard, onder verwijzing naar de publicatie van deze conclusie.
 
Zo vastgesteld door de Raad op 16 april 2014 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, mw. M.E.L. Kogeldans, mw. H.M.M. Nietsch en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.