2014/27 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een uitspraak over een klacht tegen R. Dames en KeyDocs B.V. (RvdJ 2013/54) te herzien. Dames en KeyDocs maken bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn uitspraak heeft gemaakt. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. Het komt voor rekening van verzoekers dat zij voorafgaand aan de zitting van de Raad mogelijk niet adequaat op de stellingen van klager hebben gereageerd en ervoor hebben gekozen niet op de zitting aanwezig te zijn.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

R. Dames en KeyDocs B.V.

tot herziening van de uitspraak van de Raad van 20 november 2013 (RvdJ 2013/54) betreffende de klacht van

X
 
Mevrouw J. Doolaard heeft op 20 december 2013 namens R. Dames en KeyDocs B.V. (verzoekers) verzocht om herziening van de uitspraak van 20 november 2013 inzake de klacht van X (klager) tegen verzoekers. Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van mr. Mr. A.C.F. Berkhof, advocaat te Goes, namens klager en van KeyDocs B.V. betrokken van 30 januari en van 17 en 18 februari 2014.
 
De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 21 februari 2014, door een herzieningskamer, buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heer X heeft op 10 juli 2013 een klacht ingediend tegen R. Dames en KeyDocs B.V. over de documentaire “De Sekspolitie” en twee trailers die voorafgaand aan de documentaire zijn getoond. Kern van de klacht is dat klager, ondanks het intrekken van zijn toestemming, herkenbaar in beeld is gebracht als verdachte, waardoor er een ongerechtvaardigde inbreuk is gemaakt op zijn privacy. De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 20 september 2013 in aanwezigheid van klager en zijn raadsman. Verzoekers waren daarbij niet aanwezig.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 20 november 2013 de klacht gegrond verklaard en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“Het is journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar om in het kader van berichtgeving over strafzaken een betrokkene aan te duiden met zijn voornaam en hem onherkenbaar gemaakt in beeld te brengen. In het algemeen kan daarmee worden voorkomen dat een betrokkene eenvoudig kan worden geïdentificeerd.
Klager is – in ieder geval in de korte trailer – herkenbaar in beeld gebracht. Verweerders hebben aangevoerd dat klager daarvoor toestemming had gegeven en die toestemming pas na uitzending van de trailer heeft ingetrokken. Door hetgeen klager heeft aangevoerd en de door hem overgelegde stukken is echter aannemelijk geworden dat klager – via zijn toenmalige advocaat – al in het voorjaar van 2012 aan een medewerkster van KeyDocs B.V. heeft medegedeeld dat hij zijn toestemming voor het uitzenden van de opnamen heeft ingetrokken.
De Raad is daarom van oordeel dat de privacy van klager ongerechtvaardigd is aangetast en dat verweerders daarmee journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekers vinden dat uit de door klager overgelegde telefoonnotities van zijn toenmalige advocaat niet (voldoende) blijkt dat klager zijn toestemming voor de in de trailer gebruikte opnames heeft ingetrokken. Ook blijkt daaruit niet (voldoende) dat als klager zijn toestemming al had ingetrokken, zijn advocaat dat ook duidelijk heeft meegedeeld aan de medewerkster van KeyDocs.
Verzoekers verwijzen in dit verband naar de bij hun verzoek gevoegde verklaring van mevrouw S. Baan, producer bij KeyDocs en leidinggevende van de betrokken medewerkster. Uit die verklaring blijkt ondubbelzinnig dat klager zelf, pas vlak voor de uitzending van 2013, per mail zijn toestemming voor het gebruik van de opnamen in zijn eigen woorden ‘alsnog’ introk. Dit wordt onderstreept door het feit dat KeyDocs vlak voor uitzending, meteen nadat de mail van klager was ontvangen, tot onherkenbaarmaking van klager is overgegaan tegen aanzienlijke meerkosten. Het is dan ook volstrekt onaannemelijk dat KeyDocs al in 2012 bericht zou hebben ontvangen dat klager niet wilde dat de van zijn aanhouding gemaakte opnamen in herkenbare vorm zouden worden gebruikt, om die opnamen vervolgens in wel herkenbare vorm in de trailer te gebruiken en daarna over te gaan tot onherkenbaarmaking.
Verder hebben verzoekers nog een verklaring van de betrokken medewerkster M. van Amerongen overgelegd. Daaruit blijkt dat in geen van de telefonische contacten de toenmalige advocaat van klager de toestemming van klager om gebruik te maken van de opnamen heeft ingetrokken. Ook blijkt uit deze verklaring dat er geen sprake is geweest van een voice-mail dat de advocaat in het voorjaar van 2012 heeft achtergelaten, waaruit zou blijken dat de toestemming werd ingetrokken. Als de advocaat de toestemming had willen intrekken, dan had het bij zo’n belangrijke en ingrijpende stap voor de hand gelegen dat de advocaat daarvan een schriftelijke bevestiging had gestuurd naar KeyDocs en dat heeft hij niet gedaan.
Volgens verzoekers heeft de Raad dus ten onrechte geoordeeld dat het aannemelijk is dat KeyDocs al in het voorjaar van 2012 bericht van de toenmalige advocaat van klager zou hebben ontvangen dat klager zijn toestemming introk.

Klager stelt daar tegenover dat verzoekers niet eerder verweer hebben gevoerd tegen de bijlagen die hij heeft overgelegd. Ook het verzoekschrift bevat geen verweer tegen zijn e-mail met bijlage van 16 september 2013 – de telefoonnotities van zijn toenmalige advocaat – zodat de inhoud daarvan niet is betwist. Volgens klager is geen sprake van de omstandigheid dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De Raad heeft beslist op basis van dat wat klager heeft aangevoerd en de door hem overgelegde stukken, en een en ander is niet door verzoekers weersproken. Bovendien wordt dat wat klager heeft gesteld nogmaals door een getuigenverklaring ondersteund.
Klager wijst er verder op dat mevrouw Baan niet rechtstreeks heeft gesproken met de toenmalige advocaat van klager en dat haar verklaring ‘van-horen-zeggen’ is. Hij betwist de inhoud van de verklaring van mevrouw Van Amerongen. Het is wel juist dat hij niet openstond voor vervolgopnamen. Daaruit moet ook worden afgeleid dat hij niet op televisie wilde en dat hij toestemming voor uitzending van de eerdere opnamen weigerde. Vanwege die weigering onderhield KeyDocs contact met de toenmalige advocaat van klager, om klager alsnog te bewegen toestemming te verlenen.
Aangezien de advocaat al meermalen toestemming weigerde en voor zover er toestemming was, deze had ingetrokken, vond hij het niet nodig dit schriftelijk te bevestigen. Als het juist zou zijn dat klager volledige toestemming had gegeven, had het op de weg van KeyDocs gelegen dit schriftelijk te bevestigen.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
Kern van het verzoek is dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad. Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekers al in hun reactie op de klacht hebben geformuleerd en die als zodanig zijn meegewogen bij de beoordeling van de klacht. Dat verzoekers bezwaar hebben tegen de wijze waarop de Raad de stellingen van partijen heeft gewogen in zijn oordeel, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.

Verzoekers hebben gewezen op verklaringen van twee medewerksters van KeyDocs waaruit zou moeten blijken dat klager zijn toestemming tot het gebruiken van de opnamen niet al in het voorjaar van 2012 heeft ingetrokken. Het gaat hierbij niet om nieuwe feiten, maar om gebeurtenissen die bij de verzoekers bekend waren of bij hen redelijkerwijs bekend konden zijn. Dat verzoekers voorafgaand aan de zitting van de Raad van 20 september 2013 mogelijk niet adequaat op de stellingen van klager hebben gereageerd en ervoor hebben gekozen niet op de zitting aanwezig te zijn, komt voor hun rekening.

Verzoekers hebben in hun verzoekschrift niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 20 november 2013 (RvdJ 2013/54) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.
 
De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2013/45, RvdJ 2012/55 en RvdJ 2012/54
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1
 
BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 16 april 2014 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, mw. dr. Y.M. de Haan, mw. M.E.L. Kogeldans, mw. H.M.M. Nietsch en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.