2014/26 zorgvuldig niet-inhoudelijk-behandeld

Samenvatting

V. van der Boon en het FD hebben in het artikel “Hooijmaijers zou geld krijgen om vastgoedtycoon [X] te helpen”, dat op 6 november 2013 is gepubliceerd, op een journalistiek correcte wijze verslag gedaan van een rechtbankzitting in de strafzaak tegen Hooijmaijers. Zij hebben een juiste belangenafweging gemaakt en hoefden geen wederhoor bij klager (X) toe te passen. De klachten over artikelen van 25 november 2013 en 13 januari 2014 zijn niet inhoudelijk behandeld, omdat klager zijn bezwaren tegen die publicaties niet eerst aan het FD heeft voorgelegd. 

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X  

tegen
 
V. van der Boon en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad
 
De heer mr. J.H. Peek, advocaat te Utrecht, heeft op 5 december 2013 namens de heer X (klager) een klacht ingediend tegen V. van der Boon en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad (FD). Bij de beoordeling van de klacht is verder correspondentie van Van der Boon (mede namens het FD) en mr. Peek van 31 december 2013 en van 27 en 28 januari 2014 betrokken.
 
De klacht is behandeld op de zitting van de Raad van 31 januari 2014 in aanwezigheid van klager, die werd vergezeld door zijn partner, mr. Peek en mw. mr. V.S. Huygen van Dyck. Namens het FD waren Van der Boon, R. op het Veld (adjunct-hoofdredacteur) en mw. mr. Ch. Koster (ABC Legal) aanwezig. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van notities.
 
DE FEITEN  

Op 6 november 2013 verscheen in het FD een artikel van de hand van Van der Boon met de kop “Hooijmaijers zou geld krijgen om vastgoedtycoon X te helpen” met de bovenkop “Strafproces”. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Voormalig VVD-politicus Ton Hooijmaijers heeft eind 2009 een overeenkomst gesloten met directeur [Y] van […] Vastgoed om tegen betaling te lobbyen voor woningbouwprojecten van [X]. Van die [plaatsnaam]se vastgoedtycoon was toen al geruime tijd bekend dat hij verdachte was in de vastgoedfraude rond Bouwfonds en Philips. Dat is [X] vandaag nog steeds. De opmerkelijke zakelijke relatie met [X] kwam dinsdag aan de orde tijdens de voortzetting van het strafproces tegen Hooijmaijers.”
en
“Tijdens de inval van politie en justitie 31 maart 2010 bij Hooijmaijers en zijn privébedrijf Move is een handgeschreven contract van 7 december 2009 gevonden in zijn kluis. Daarin belooft [Y] dat Hooijmaijers € 425.000 krijgt als in de Bovenkerkerpolder in de gemeente Amstelveen ‘eigendom van [X] valt binnen een bestemmingsplan waarin de mogelijkheid van woningbouw onherroepelijk is.’”
en
“Hooijmaijers bevestigt tegenover zijn rechters dat de gevonden brief ‘een totaalaanbod’ van [Y] aan hem inhoudt, ‘dat als het mij zou lukken dat het grondgebied van [X] bebouwd zou worden, [Y] mij uit zou betalen’. Hooijmaijers zegt dat hij het aanbod ‘niet goed genoeg vond’. Volgens het OM heeft Hooijmaijers wel invloed uitgeoefend om woningbouw op die locaties mogelijk te maken. Volgens Hooijmaijers is er niets mis met lobbyen voor [Y] en [X], omdat hij toen een halfjaar weg was als gedeputeerde. Maar het OM ziet de principeovereenkomst van Hooijmaijers met [Y] als een schakel in een continue wederkerige relatie tussen de vastgoedondernemer en de politicus, waarin [Y] jaren Hooijmaijers betaalde. Het OM ziet [Y] ook als verdachte in deze omkopingszaak.”
 
Klager heeft zijn bezwaren tegen deze publicatie op 15 november 2013 voorgelegd aan het FD. In een e-mail van 21 november 2013 heeft Van der Boon aan klager het volgende geschreven: 
“Ten behoeve van een mogelijke publicatie (…) hierbij enkele vragen voor de heer [X]. Deze vragen en de voorgenomen publicatie zijn geen reactie op de 15 november 2013 gedateerde concept-klacht tegen mij en het FD bij de Raad voor de Journalistiek. U mag verwachten dat ik en het FD ergens de komende drie maanden nog separaat op die concept-klacht reageren. Het is wel dienstig u beiden nu alvast te laten weten dat ik en het FD alle verwijten als geformuleerd in de concept-klacht van 15 november 2013 als onjuist en ongegrond zullen afwijzen.”
 
Op 25 november 2013 verschenen in het FD de artikelen “[X] profiteert via sideletters van manoeuvres Hooijmaijers in vastgoed” en “[X] weigert elk commentaar”. Verder verscheen op 13 januari 2014 in het FD het artikel “[X] naar nieuwe rechter voor vrijwaring strafvervolging”.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager vindt het artikel van 6 november 2013 niet waarheidsgetrouw. In de publicatie is ten onrechte als feit gebracht dat Hooijmaijers met Y een overeenkomst heeft gesloten om tegen betaling te lobbyen voor woningbouwprojecten van klager. Klager had geen (zakelijke) relatie met Hooijmaijers. De publicatie bevat een onjuiste, onzorgvuldige en zeer suggestieve verdachtmaking aan klagers adres zonder redelijke grond. Daarbij heeft journalist Van der Boon geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Volgens klager heeft Van der Boon zich niet beperkt tot een feitelijk verslag van een openbare rechtbankzitting. Van der Boon had wederhoor moeten toepassen, maar heeft dat niet gedaan.
Verder meent klager dat zijn privacy onevenredig is geschonden. Hij is weggezet als omkoper terwijl de strafzaak gaat over Hooijmaijers en [Z]. Hij staat volledig buiten dit proces en kan/hoeft zich daarin niet te verdedigen. Van der Boon had rekening moeten houden met klagers belang om zoveel mogelijk onherkenbaar te blijven en had dit belang zwaarder moeten laten wegen dan het belang om klagers naam voluit te vermelden.
Klager vindt verder onder meer dat Van der Boon en het FD zich schuldig maken aan belangenverstrengeling. De klacht hangt bovendien samen met eerdere publicaties over hem in het FD, waarin hij telkens en stelselmatig van ernstige misdrijven wordt beschuldigd. In zijn e-mail van 28 januari 2014 heeft mr. Peek de klacht aangevuld met klachten over de publicaties van 25 november 2013 en 13 januari 2014. Ter zitting wijst mr. Peek erop dat het FD in zijn antwoord van 31 december 2013 ook de publicaties van 25 november 2013 heeft besproken. Het FD heeft weliswaar nog niet gereageerd op de bezwaren tegen het artikel van 13 januari 2014, maar vanwege de samenhang en het spoedeisende karakter vraagt klager de Raad ook die publicatie in de beoordeling te betrekken.
 
Het FD stelt daar tegenover dat de Raad de klachten van klager niet zou moeten behandelen. Met betrekking tot het artikel van 6 november 2013 heeft klager – in strijd met het Reglement van de Raad – niet gewacht op de afhandeling van de klacht door het FD. Dat Van der Boon in zijn e-mail van 21 november 2013 heeft laten weten welke richting de behandeling van de conceptklacht zou opgaan, ontslaat klager niet van de reglementair voorgeschreven wachtperiode van drie maanden, voordat hij zich tot de Raad kan wenden. Voor wat betreft de aanvullende klachten tegen de artikelen van 25 november 2013 en 13 januari 2014 wijst het FD erop dat klager zijn bezwaren niet eerst aan de krant heeft voorgelegd. Het FD is door deze klachten overvallen en heeft geen gelegenheid gehad deze te onderzoeken en gemotiveerd te betwisten.
Ten aanzien van het artikel van 6 november 2013 wijst het FD er verder op dat, buiten de drie verdachten om, nog diverse andere betrokkenen worden genoemd afgezien van klager. Dat duidt erop dat van ‘eenzijdige’ rechtbankverslaggeving geen sprake is. De naam van klager en zijn onderneming zijn in de Hooijmaijers-strafzaak al tientallen keren gevallen. Er bestond voldoende reden om de naam van klager te vermelden, omdat hij en zijn onderneming met name een grote rol speelden in de verdenking dat Hooijmaijers zou zijn omgekocht om besluitvorming rond de Amstelveense Bovenkerkpolder te beïnvloeden ten gunste van onder meer klager en zijn vastgoedbedrijf. De naam van klager is een wezenlijk onderdeel van berichtgeving over hem, omdat een groot deel van de tientallen vastgoedondernemingen van zijn concern zijn naam dragen. Vanwege de algemene bekendheid van de betrokkene, heeft het ook geen zin zijn naam níet te vermelden. Anonimisering zou bovendien voor verwarring met anderen kunnen zorgen. Daarbij komt dat klager ook zelf regelmatig de openbaarheid zoekt.
Het FD betwist dat sprake is van onvolledige of onjuiste berichtgeving. Van der Boon volgt het Hooijmaijers-proces op de voet en doet daarvan uitgebreid verslag. Hij kiest elke zittingsdag een element om op in te zoomen en op 6 november 2013 was dat de mogelijke relatie tussen Hooijmaijers en klager. In deze verslaggeving kunnen uitlatingen van rechters of het Openbaar Ministerie worden weergegeven. Omdat het daarbij gaat om informatie uit een gezaghebbende bron, mag die worden gebruikt zonder dat een tweede bron ter verificatie moet worden geraadpleegd. De typeringen in het artikel zijn duidelijk herkenbaar afkomstig uit de strafzaak en zijn geen beschuldigingen van Van der Boon. Klager is overigens nergens weggezet als ‘omkoper’.
Verder is bij rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor in beginsel niet aan de orde. Klager heeft geen beroep gedaan op bijzondere omstandigheden, die ertoe hadden moeten leiden dat wederhoor toch had moeten worden toepast. Overigens was het in het geval van de rechtbankzitting van 5 november 2013, die pas in het begin van de avond was afgelopen, ook ondoenlijk betrokkenen om wederhoor te vragen.
Ten slotte betwist het FD gemotiveerd dat sprake zou zijn geweest van belangenverstrengeling en dat ten aanzien van de publicaties van 25 november 2013 en 13 januari 2014 onjuist is gehandeld.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Volgens de bepalingen in het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klager zijn bezwaren over een publicatie eerst voorleggen aan het betrokken medium, voordat hij zijn klacht bij de Raad kan indienen. Dat een klager al een klachtprocedure bij de Raad is gestart over een andere publicatie, maakt dit niet anders.
 
In zijn e-mail van 28 januari 2014 heeft klager zijn klacht willen uitbreiden met de publicaties van 25 november 2013 en 13 januari 2014. Omdat klager zijn bezwaren over deze artikelen niet eerst aan het FD heeft voorgelegd, zal de Raad de klachten over deze publicaties niet inhoudelijk behandelen.
 
Met betrekking tot de publicatie van 6 november 2013 heeft Van der Boon in zijn e-mail van 21 november 2013 aan klager laten weten dat hij en het FD ‘alle verwijten als geformuleerd in de conceptklacht van 15 november 2013 als onjuist en ongegrond zullen afwijzen’. Gezien deze duidelijke afwijzende mededeling hoefde klager niet te wachten op een nadere inhoudelijke reactie, voordat hij zich tot de Raad wendde. Daarom zal de Raad de klacht over dit artikel wel beoordelen.
 
Uit de stukken van klager blijkt dat de kern van zijn klacht is dat sprake is van tendentieuze berichtgeving, het ontbreken van een afweging van belangen, schending van zijn privacy en het niet-toepassen van wederhoor. De Raad zal zich tot deze kern beperken.
 
Gezien de opmaak en inhoud van de publicatie van 6 november 2013 is het voor de gemiddelde lezer duidelijk dat sprake is van een rechtbankverslag. Het artikel bevat de observaties van journalist Van der Boon tijdens de openbare zitting van de rechtbank in de strafzaak tegen Hooijmaijers, die een dag voor de publicatie heeft plaatsgevonden. Van der Boon heeft beschreven en duiding gegeven aan wat tijdens deze zitting aan de orde is gekomen.
 
De Raad kan zich voorstellen dat de door de krant gekozen invalshoek voor klager onaangenaam is. De eerste alinea van het artikel is wellicht te stellig geformuleerd. Het was beter geweest als daarin wat terughoudender was bericht. In de kop en de rest van de publicatie is echter genuanceerd verslag gedaan. Daardoor is in het geheel bezien geen zodanig vertekend beeld of onzorgvuldige weergave van de gang van zaken gegeven, dat daarmee geen sprake meer is van waarheidsgetrouwe berichtgeving.
 
Verder is aannemelijk dat klager en zijn onderneming een belangrijke rol speelden in de strafzaak tegen Hooijmaijers. Het is journalistiek relevant daarover te berichten op de wijze zoals het FD heeft gedaan. Het FD heeft een juiste belangenafweging gemaakt en heeft in redelijkheid kunnen besluiten in dit geval de naam van klager te vermelden.
 
Ten slotte hoeft een journalist bij berichtgeving van feitelijke aard, zoals verslagen van openbare bijeenkomsten, in beginsel geen wederhoor toe te passen. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat het artikel zijn belang zodanig raakt dat wederhoor toch was geboden.
 
Niet is gebleken dat het artikel van 6 november 2013 op andere wijze ontoelaatbaar is geweest. Van der Boon en het FD hebben daarom met deze publicatie journalistiek zorgvuldig gehandeld.
 
Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: 1.1., 1.2., 2.3.4. en 2.4.6.
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2013/26 en RvdJ 2012/59
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2a
 
CONCLUSIE
 
De Raad behandelt de klachten tegen de artikelen van 25 november 2013 en 13 januari 2013 niet inhoudelijk. Met betrekking tot het artikel van 6 november 2013 hebben Van der Boon en Het Financieele Dagblad journalistiek zorgvuldig gehandeld.
 
Zo vastgesteld door de Raad op 10 april 2014 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. J.R. van Ooijen en drs. H. Snijder, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.