2014/25 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een uitspraak over een klacht tegen Vrij Nederland (RvdJ 2013/51) te herzien. Verzoeker maakt bezwaar tegen de afwegingen die de Raad in zijn uitspraak heeft gemaakt en tegen de procedurele gang van zaken. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan. De Raad is ook van mening dat in de procedure geen fouten zijn gemaakt. 

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X  
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 6 november 2013 (RvdJ 2013/51) betreffende zijn klacht

tegen

S. van Beek, H. Lensink en de hoofdredacteur van Vrij Nederland

De heer X (verzoeker) heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 6 november 2013 inzake zijn klacht tegen S. van Beek, H. Lensink en de hoofdredacteur van Vrij Nederland (brief ontvangen op 27 november 2013). Bij de beoordeling van het verzoek is verder correspondentie van de heer X, Vrij Nederland en de secretaris van de Raad van 6 en 7 september en van 12 en 21 december 2013 betrokken.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 31 januari 2014, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heer X heeft op 23 juni 2013 een klacht ingediend tegen Vrij Nederland over het artikel “Een opgeblazen zaak; De bedreiging van [X]”. Kern van de klacht is dat onjuist, eenzijdig en tendentieus over klager is bericht en dat klager onvoldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden. De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 30 augustus 2013 in aanwezigheid van Vrij Nederland. Klager was daarbij niet aanwezig.
De Raad heeft bij uitspraak van 6 november 2013 de klacht ongegrond verklaard en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“Volgens de Raad hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat op basis van hun onderzoek aanleiding bestond om te berichten over klager zoals zij hebben gedaan. Verweerders hebben uitgebreid bronnenonderzoek verricht voorafgaand aan de publicatie, die is gebaseerd op stukken en informatie afkomstig van diverse personen en gezaghebbende instanties. Bovendien is in het artikel voldoende onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen.
Anders dan klager heeft betoogd, wordt in het artikel geen causaal verband gelegd tussen het rijksrechercheonderzoek en klagers vervroegde pensionering. Hoewel de vermelding van de vervroegde pensionering – bezien in de context van het artikel – een enigszins negatieve connotatie heeft, is deze niet journalistiek onaanvaardbaar. Verder is niet gebleken dat het artikel relevante feitelijke onjuistheden bevat.
Bovendien is aannemelijk geworden dat verweerders diverse pogingen hebben ondernomen om in het kader van wederhoor contact met klager te krijgen. Klager heeft niet betwist dat Van Beek hem herhaaldelijk heeft benaderd. Dat klager Van Beek, om hem moverende redenen, niet te woord heeft willen staan kan verweerders niet worden tegengeworpen.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker vindt de uitspraak van de Raad zeer teleurstellend en ingaan tegen zijn rechtsgevoel. Volgens hem staat de onafhankelijkheid van de journalistiek hier ter discussie in relatie tot de onafhankelijke rechtspraak in Nederland. Hij meent dat feiten als vaststaand zijn aangenomen die in eerdere stadia niet zijn tegengesproken, dat getuigen zijn opgevoerd die niet betrouwbaar zijn en dat terreur van een journalist is opgevat als voldoende gelegenheid tot wederhoor. Dit geeft volgens hem blijk van onvoldoende empathie jegens betrokkene, die men willens en wetens wil beschadigen.
Verzoeker heeft twee krantenartikelen bijgevoegd (gedateerd 7 en 21 november 2013) over uitspraken van het gerechtshof in Den Haag en de Raad van State van 6 en 20 november 2013. Hij meent dat daaruit blijkt dat met name Van Beek gebruik maakte van onbetrouwbare bronnen.
Verder heeft verzoeker een brief van het Landelijk Parket van 12 november 2012 bijgevoegd, waarin staat dat er geen vervolging plaatsvindt omdat hij ‘ten onrechte als verdachte is aangemerkt’. Verzoeker vindt dat de Raad daaraan een andere interpretatie heeft gegeven. Volgens hem blijkt bovendien uit de reactie van Vrij Nederland dat de redactie het subtiele verschil tussen ‘voormalig burgemeester onschuldig’ en ‘ten onrechte als verdachte is aangemerkt’ niet invoelt.
Verzoeker betreurt het dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt op de zitting van de Raad van 30 augustus 2013 toe te lichten, hoewel hij tijdig heeft laten weten op dat moment wegens vakantie afwezig te zijn. Bovendien is de nadere schriftelijke reactie van Vrij Nederland van 23 augustus 2013 in zijn vakantie aan hem toegestuurd, zodat hij niet in de gelegenheid was daarop vóór de zitting te reageren.

Volgens Vrij Nederland leveren de door verzoeker genoemde uitspraken geen nieuwe feiten op die, met terugwerkende kracht, tot een ander oordeel over de werkwijze van de redactie kunnen leiden. Ook de brief van het Landelijk Parket bevat geen nieuwe feiten. Vrij Nederland maakt ten slotte bezwaar tegen de kwalificaties van verzoeker aan het adres van de journalist.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
Kern van het verzoek is dat verzoeker zich niet kan vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad. Het verzoekschrift bevat (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoeker al in zijn klacht heeft geformuleerd en die als zodanig zijn meegewogen bij de beoordeling van de klacht. Dat verzoeker bezwaar heeft tegen de afwegingen van de Raad, is onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren.
Verzoeker heeft gewezen op krantenartikelen die zijn gepubliceerd en gaan over gerechtelijke uitspraken gedaan ná de behandeling op de zitting. Het gaat hierbij dus niet om gebeurtenissen die vóór de beslissing van de Raad hebben plaatsgevonden.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 6 november 2013 (RvdJ 2013/51) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.
 
Verder heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de procedurele gang van zaken. De herzieningskamer vindt dat verzoeker kon verwachten dat Vrij Nederland zou reageren op zijn schriftelijke repliek van 12 augustus 2013. Hij wist dat partijen tot en met dinsdag 27 augustus 2013 stukken konden overleggen. Verder heeft verzoeker de Raad niet verzocht de behandeling uit te stellen. Verzoeker had er ook voor kunnen kiezen zich op de zitting te laten vertegenwoordigen, maar heeft dat niet gedaan. De herzieningskamer meent daarom dat het voor rekening van verzoeker komt dat hij niet in de gelegenheid is geweest om vóór de zitting van de Raad te reageren op de nadere reactie van Vrij Nederland en/of op de zitting zijn standpunten mondeling toe te lichten.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2013/45, RvdJ 2012/55 en RvdJ 2012/54
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1
 
BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 10 april 2014 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. J.R. van Ooijen en drs. H. Snijder, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.