2014/23 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek heeft in een uitspraak over een klacht tegen Resource (RvdJ 2013/56) de klacht terecht opgevat als een persoonlijke klacht. Verzoeker vindt dat er aan zijn vraag om de klacht vanuit maatschappelijk oogpunt te beoordelen is voorbijgegaan. In zijn verzoek om de uitspraak van de Raad te herzien heeft verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op de klacht. Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 25 november 2013 (RvdJ 2013/56) betreffende zijn klacht

tegen

de hoofdredacteur van Resource

De heer X (verzoeker) heeft per email van 18 december 2013 aan de Raad verzocht om herziening van de uitspraak van 25 november 2013 inzake zijn klacht tegen de hoofdredacteur van Resource. De heer R. Goossens, waarnemend hoofdredacteur, heeft in een brief van 6 januari 2014 op het herzieningsverzoek gereageerd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 31 januari 2014, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heer X heeft op 25 juni 2013 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Resource over de artikelen “Ombudsman: Wageningen liet oren hangen naar opdrachtgever” en “’Conflict brengt de wetenschap verder’”. Kern van de klacht is dat in de artikelen eenzijdig, onjuist en daarmee niet waarheidsgetrouw is bericht.
De Raad heeft bij uitspraak van 25 november 2013 de klacht ongegrond verklaard en daarbij onder meer het volgende overwogen:
“Naar de mening van de Raad zijn de essentie van het oordeel van de Nationale ombudsman en de strekking van de gerechtelijke uitspraak over de ontbinding van klagers arbeids-overeenkomst op adequate wijze weergegeven. Daarvoor is het niet noodzakelijk om de exacte bewoordingen van het rapport van de Nationale ombudsman of de gerechtelijke uitspraak over te nemen.
Het artikel van 16 mei 2013 behelst verder een weergave van een interview met hoogleraar Bouma. Daarbij heeft verweerder onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat het artikel voor een groot deel de visie van Bouma bevat. De door klager bestreden passages hebben voornamelijk betrekking op uitlatingen van Bouma. Die uitspraken zijn niet zodanig beschuldigend van aard dat klager daardoor wordt gediskwalificeerd. Er is dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door het artikel te publiceren zonder wederhoor bij klager toe te passen.
Verweerder heeft klager bovendien de mogelijkheid geboden tot het plaatsen van een ingezonden brief. Het is gebruikelijk en journalistiek toelaatbaar dat daarbij de toegestane lengte van de brief wordt beperkt. Het maximum aantal van 350 woorden is ook niet onredelijk. Dat verweerder klager een voorstel voor een ingekorte versie heeft gedaan, waarmee klager niet akkoord kon gaan, doet niets af aan het feit dat klager zelf zijn brief had kunnen inkorten. Dat klager dat heeft nagelaten, kan verweerder niet worden verweten.
Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder journalistiek onzorgvuldig ten opzichte van klager heeft gehandeld.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoeker meent dat de Raad de klacht ten onrechte heeft opgevat als een persoonlijke klacht. Hij wijst erop dat hij in zijn klaagschrift een verzoek heeft gedaan dat luidt: “Uit het onderzoeksrapport van de Nationale ombudsman blijkt dat de problematiek een belangrijk wetenschappelijk en ook maatschappelijk probleem betreft hetwelk politiek gevoelige implicaties heeft en de nodige zorgvuldigheid van aanpak vereist. Daarnaast heeft een onderzoekscommissie aangegeven dat het gevaar bestaat dat het beleid gestoeld wordt of blijft op verkeerde aannames wat betreft de meetgegevens. Dit maatschappelijk belang geeft aan dat juiste berichtgeving over dit onderwerp uitermate belangrijk is. Daarom wil ik als betrokkene de Raad voor de Journalistiek verzoeken deze klacht ter hand te nemen teneinde de weg vrij te maken om de onjuiste berichtgeving in beide artikelen in Resource weg te nemen.” Volgens verzoeker is de Raad voorbij gegaan aan dat verzoek, waardoor in tegenstelling tot wat is bepaald in artikel 3 lid 1 van de Statuten, geen beoordeling vanuit maatschappelijk oogpunt heeft plaatsgevonden.

Volgens Resource heeft verzoeker geen nieuwe feiten of gegevens aangedragen die een ander licht werpen op het oordeel van de Raad. Dat verzoeker vraagt om een ‘beoordeling vanuit maatschappelijk oogpunt’ gaat voorbij aan de rol van de Raad. Resource benadrukt in dat verband dat in een klachtprocedure bij de Raad sprake moet zijn van een persoonlijk geschaad belang en geen ‘algemene bezwaren over berichten in de media’.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
Zowel uit de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek als uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad blijkt dat een klacht moet worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Dat betekent dat een klager direct betrokken moet zijn en door die publicatie persoonlijk in zijn belang moet worden geraakt. Als een dergelijk rechtstreeks belang ontbreekt, wordt de klacht niet inhoudelijk behandeld.

De verzoeker heeft de klacht ‘als betrokkene’ ingediend en hij is ook in de bestreden artikelen – als klokkenluider X – genoemd. Daarom meent de herzieningskamer dat de Raad terecht heeft geoordeeld dat verzoeker een direct belang had bij de beoordeling van zijn klacht en dat de Raad de klacht terecht als persoonlijke klacht heeft opgevat. Verzoeker heeft in het verzoekschrift geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op zijn klacht.

Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 25 november 2013 (RvdJ 2013/56) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten of is gebaseerd op onjuiste constateringen. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn uitspraak op basis van onjuiste constateringen heeft gedaan.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2013/45 en RvdJ 2013/21
Relevante artikelen uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 2.1., 9.2. en 10a lid 1
Relevant artikel uit de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek: 3.2.
 
BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 24 maart 2014 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. J.R. van Ooijen en drs. H. Snijder, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.