2014/22 afgewezen

Samenvatting

De Raad voor de Journalistiek ziet geen aanleiding om een uitspraak over een klacht tegen Nieuwsuur (RvdJ 2013/52) te herzien. Het verzoekschrift bevat voornamelijk stellingen die verzoekers al in hun klacht hebben geformuleerd en waarover de Raad een oordeel heeft gegeven. Dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de wijze waarop de Raad die stellingen heeft gewogen, is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van

X en Y
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 12 november 2013 (RvdJ 2013/52) betreffende hun klacht

tegen

de hoofdredacteur van Nieuwsuur (NOS/NTR)

De heren X en Y (verzoekers) hebben de Raad bij brief van 2 december 2013 verzocht om herziening van de uitspraak van 12 november 2013 inzake hun klacht tegen de hoofdredacteur van Nieuwsuur (NOS/NTR). Nieuwsuur heeft in een brief van 23 december 2013 op het herzieningsverzoek gereageerd. De heren X en Y hebben vervolgens hun verzoek toegelicht in een brief van 19 januari 2014. Daarop heeft Nieuwsuur geantwoord in een brief van 24 januari 2014.

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Raad van 31 januari 2014, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

De heren X en Y hebben op 9 mei 2013 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Nieuwsuur (NOS/NTR). De klacht gaat over het item “Erfenissen bron van familieruzies” dat op 2 januari 2013 is uitgezonden. In het item is een interview te zien met mevrouw Van den Eerenbeemt die praat over haar boek en haar praktijk als familie-therapeut. Dit interview wordt afgewisseld met beelden van een interview met Z, de zus van klagers. Daarin wordt een binnen de familie van klagers afgewikkelde erfenis besproken.
Kern van de klacht is dat de heren X en Y ten onrechte geen gelegenheid tot wederhoor hebben gekregen en dat in de uitzending ten onrechte is gemeld dat de oudste broer van de reportage op de hoogte is gesteld. De Raad heeft zich tot die kern beperkt en bij uitspraak van 12 november 2013 de klacht ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij het volgende overwogen:
“Niet ter discussie staat dat op 14 december 2012, voorafgaand aan de uitzending, een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen [X] en redactrice Van Uchelen. Daarin is in ieder geval besproken dat in Nieuwsuur aandacht zou worden besteed aan de afwikkeling van de erfenis binnen de familie van klagers en dat de redactie de zus van klagers daarover aan het woord zou laten.
De Raad kan niet vaststellen wat er in dit gesprek exact ter sprake is gekomen, omdat partijen elkaar op dit punt tegenspreken. Wel volgt uit de lezingen van beide partijen dat [X] in het gesprek te kennen heeft gegeven dat hij het geschil niet op televisie wilde uitvechten, dat hij het gesprek positief heeft afgesloten met de woorden “Ik hoop dat het haar heeft opgelucht” en dat hij de redactrice niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijk door zijn zus gedane c.q. nog te uiten beweringen. Aangezien het gaat om een langdurig conflict tussen klagers en hun zus, had [X] kunnen weten dat zijn zus een voor klagers onwelgevallig standpunt in zou nemen. Het had daarom op zijn weg gelegen om uit eigen beweging iets van zijn bezwaren naar voren te brengen, óók terwijl hij kennelijk de indruk had – al dan niet terecht – dat de reportage al was gemaakt.
Het zou de redactie hebben gesierd als zij na het opnemen van het item – waardoor de inhoud en strekking van de uitlatingen van de zus van klagers kwamen vast te staan – nog op enigerlei wijze contact had opgenomen met klagers.
Gezien alle omstandigheden kan het feit dat klagers niet inhoudelijk hebben gereageerd, echter de redactie niet worden verweten. De Raad komt daarom tot de conclusie dat van journalistiek onzorgvuldig handelen geen sprake is.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Verzoekers menen dat de Raad een aantal dringende vragen van hen niet heeft beantwoord, keuzes heeft gemaakt die niet zijn gemotiveerd, en de schijn wekt de ene partij op voorhand meer te vertrouwen dan de andere. Zij leggen acht specifieke punten voor aan de Raad, waarover zij alsnog een oordeel verlangen.

Volgens Nieuwsuur hebben verzoekers in hun verzoekschrift nergens gesteld dat bij de totstandkoming van het oordeel van de Raad sprake is geweest van het ten onrechte beschouwen van bepaalde feiten als vaststaand of aannemelijk. De Raad is in aanwezigheid van beide partijen op de zitting uitvoerig ingegaan op (het onderzoeken van) de aangedragen feiten. Nieuwsuur meent dat de Raad de kern van de zaak eruit heeft gepakt waar het ging om de journalistieke handelwijze en daar een gefundeerd en ter plekke getoetst oordeel over heeft gegeven. De Raad heeft kritisch opgemerkt dat de redactie wellicht anders had kunnen handelen, maar dat van journalistiek onzorgvuldig handelen geen sprake is geweest. Nieuwsuur meent dan ook dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen. Nieuwsuur heeft wel op alle door verzoekers naar voren gebrachte punten gereageerd en deze gemotiveerd betwist.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
Kern is dat verzoekers zich niet kunnen vinden in de overwegingen en het oordeel van de Raad. Het verzoekschrift bevat voornamelijk (een nadere uitwerking van) stellingen die verzoekers al in hun klacht hebben geformuleerd en die als zodanig zijn meegewogen bij de beoordeling van de klacht. Dat verzoekers bezwaar hebben tegen de wijze waarop de Raad hun stellingen heeft gewogen in zijn oordeel, is onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren. Verzoekers hebben in hun verzoekschrift geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht kunnen werpen op hun klacht.

Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad van 12 november 2013 (RvdJ 2013/52) berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten of is gebaseerd. Niet aannemelijk is geworden dat de Raad zijn uitspraak op basis van op onjuiste constateringen heeft gedaan.

De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van de beslissing.

Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2013/45, RvdJ 2013/21 en RvdJ 2013/11
Relevant artikel uit het Reglement voor de werkwijze van de Raad: 10a lid 1
 
BESLISSING

Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.

Zo vastgesteld door de Raad op 24 maart 2014 door mw. mr. A.E. van Montfrans, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. J.R. van Ooijen en drs. H. Snijder, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.