2014/13 zorgvuldig

Samenvatting

P. van Gageldonk en Dagblad De Limburger hebben niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door in het artikel “Broer slaat tweelingzus” aandacht te besteden aan een rechtszaak waarbij de klagers zijn betrokken. Het artikel is geplaatst in een vaste column waarin feitelijke verslaglegging niet voorop staat. De publicatie bevat geen journalistiek ontoelaatbare kwalificatie of vergelijking. Bovendien is niet aannemelijk dat klagers door het grote publiek in de berichtgeving zullen worden herkend. Het was dan ook niet nodig om wederhoor toe te passen.

Conclusie van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X en Y
 
tegen
 
P. van Gageldonk en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger
 
Mevrouw X heeft op 2 september 2013 via een klachtformulier met een bijlage een klacht ingediend tegen P. van Gageldonk en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger. Zij heeft de klacht aangevuld in een e-mail van 13 september 2013 en in een e-mail van 27 september 2013 verzocht haar partner Y als medeklager aan te merken. H. Brinkman, adjunct-hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 14 oktober 2013.
 
De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 6 december 2013 in aanwezigheid van mr. K. Nelissen, gemachtigde van klagers, die het standpunt van klagers heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Vanwege de plotselinge verhindering van een van de leden van de Raad, heeft mr. Nelissen desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en de overige drie leden.
 
DE FEITEN
 
Op 2 september 2013 verscheen in Dagblad De Limburger in de rubriek ‘Voor het hekje – Op bezoek bij de Limburgse politierechter’ een column van de hand van Van Gageldonk met de kop “Broer slaat tweelingzus”. De column bevat de volgende passages:
“[zus] en [broer] kwamen tegelijkertijd ter wereld. Eenenzestig jaar later staan broer en zus, samen een twee-eiige tweeling, tegenover elkaar bij de politierechter. Het ging fout tussen de twee, toen moeder […] lichamelijk en geestelijk begon te sukkelen. [broer] nam in die tijd het leeuwendeel van de verzorging op zich.”
en
“Hij kreeg ruzie met [zus]. [broer] was ooit belastinginspecteur. Hij beschuldigde zijn eigen tweelingzus van fraude. [zus] had medische problemen verzonnen om zo op onrechtmatige wijze een bijstandsuitkering verkregen.”
en
“In april van dit jaar kwam het tot een climax: broer slaat tweelingzus. Wat gebeurde er? [broer], een kalende man met borstelsnor, zit trillend van de zenuwen in de zittingszaal. [zus] is er niet. Ze kon het niet opbrengen om naar de rechtszaal te komen en wordt vertegenwoordigd door echtgenoot […], een man met het dertien-in-een-dozijn uiterlijk van een kantoorklerk. De verklaringen van [zus], [echtgenoot] en [moeder] zijn eensluidend.”
en
“[broer] heeft niet geslagen, zegt hij. Hooguit een duwtje gegeven. [broer] is zeer verbitterd geraakt. Zijn zus wil hij nooit meer zien. Die is alleen maar uit op de affectie, ergo moeders erfenis. Moeder hoeft hij ook niet meer te zien. Haar verklaring is ‘leugenachtig’, vindt [broer]. Liegt uw moeder dat U uw zus heeft geslagen? vraagt de rechter met de zwarte baret nog eens. Ja, zegt [broer] resoluut. Hij wil nooit meer iets met haar te maken hebben. De rechter kan er niet bij. De zaak is, juridisch bezien, te onbenullig voor woorden. De achtergrond is te triest voor woorden. [broer] krijgt vijfhonderd euro boete voorwaardelijk, voor de klap die zijn zus mocht ontvangen. De rechter leest het laatste zinnetje voor uit de brief die [moeder], 89 inmiddels, hem stuurde: ‘ik wil dat dit stopt’. Wishful thinking, denkt de rechter. Dat gaat straks nog een bloedstollende erfeniskwestie worden.”
Het onderschrift bij het artikel luidt: “Sommige namen van personen zijn uit privacy-overwegingen veranderd.” Klagers zijn de in het artikel bedoelde zus en haar man.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers vinden dat de gang van zaken op de rechtszitting en de feiten verdraaid zijn weergegeven. Bovendien is het verhaal zonder hun toestemming en zonder wederhoor gepubliceerd. Door de publicatie wordt een langlopende precaire familiekwestie opgerakeld. Klagers voelen zich hierdoor weer emotioneel geraakt.
Volgens klagers is in het artikel alleen het verhaal van de dader opgetekend en dat zit vol leugens en onwaarheden. Zo heeft de moeder nooit Alzheimer gehad, is de dader geen belastinginspecteur geweest en heeft klaagster X geen fraude gepleegd. Klagers vinden dat zij denigrerend zijn beschreven en dat ten aanzien van hen een negatieve toonzetting is gebruikt, terwijl de dader neutraal is beschreven. Klagers vermoeden dat het artikel in opdracht van de dader is geschreven. Zij menen dat zij hadden moeten worden gehoord, zodat zij hún kant van het verhaal hadden kunnen vertellen. Dan zouden bovendien geen onwaarheden zijn gepubliceerd. De slotzin over een ‘bloedstollende erfenis’ spant volgens klagers de kroon. In het proces-verbaal is nergens gerefereerd aan het verkrijgen van een erfenis. Deze opmerking is louter laatdunkend bedoeld.
Klagers vinden het argument van de krant dat sprake is van een column denigrerend. Het gaat niet om een klucht of sprookje, maar om een serieuze rechtszaak van ware gebeurtenissen. In onderliggende familiedrama’s passen geen overdrijvingen, leugens, verdraaiingen en smadelijke beweringen. Met het gebruik van gefingeerde namen wordt de impact van het artikel niet minder groot. Iedereen in het betreffende dorp weet van deze persoonlijke en ingrijpende familiekwestie. Ook al wonen klagers niet meer in het dorp waar het zich heeft afgespeeld, zij hebben daar nog steeds veel relaties die met dit drama bekend zijn. Naar aanleiding van het artikel hebben ze veel reacties ontvangen.
 
De krant wijst erop dat al ruim twee jaar wekelijks in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad een column van Van Gageldonk verschijnt over een zaak die bij de politierechter heeft gediend. Daarin worden alle personen met gefingeerde namen aangeduid. De plaats waar het delict zich heeft voorgedaan wordt niet vermeld of vaag omschreven. Het gaat in deze columns niet om de personen die terecht staan. De krant wil de lezer een andere blik in de rechtszaal gunnen dan die van de actuele verslaggeving. Daarom zijn de opmaak en toonzetting duidelijk anders dan bij gewone verslaglegging van rechtszittingen.
Volgens de krant zijn klagers niet herkenbaar in de column. Als zij op het artikel zijn aangesproken, dan zal dat waarschijnlijk zijn geweest door mensen die al op de hoogte waren van de kwestie dan wel tot hun directe omgeving behoren. Verder meent de krant dat zij geen toestemming nodig heeft om over openbare rechtszittingen te schrijven. De onderhavige kwestie is een gewone strafzaak, namelijk een mishandeling waarvoor de verdachte is veroordeeld. De columnist bepaalt welke details in zijn rubriek komen en hij is vrij in het kiezen van de invalshoek, net als in het gebruik van overdrijvingen. Er is geen sprake van een ontoelaatbare publicatie en daarom is er ook geen reden tot het plaatsen van een rectificatie.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad overweegt allereerst dat de redactie vrij is in de selectie van nieuws en dat het de krant vrijstond om over de rechtszaak te publiceren. Verder is duidelijk dat het artikel is geplaatst in een vaste column waarin aandacht wordt besteed aan zittingen van de politierechter. Gelet op de opmaak en toonzetting zijn de bedoeling van het artikel en de aard van de daarin opgenomen informatie voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk: de informatie is geduid door de auteur, feitelijke verslaglegging staat niet voorop en overdrijving als stijlmiddel wordt niet geschuwd.
 
In de publicatie komt geen kwalificatie of vergelijking voor die – gezien de aard van het artikel – journalistiek ontoelaatbaar is. Dat klagers door het artikel onaangenaam zijn getroffen, is daarvoor onvoldoende. Aangezien gefingeerde namen zijn gebruikt en de plaats waar de gebeurtenis zich heeft afgespeeld niet is vermeld, is niet aannemelijk dat klagers door het grote publiek in de berichtgeving zullen worden herkend. Er is dan ook geen sprake van een ongerechtvaardigde aantasting van hun privacy. Het voorgaande brengt verder mee dat het niet nodig was om wederhoor toe te passen.

Er is dan ook geen reden voor de conclusie dat Van Gageldonk en Dagblad De Limburger journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
 
Relevante punten uit de Leidraad van de Raad: 1.2., 2.3.1., 2.4.1. en 3.1
Relevante eerdere conclusies van de Raad: RvdJ 2006/68, RvdJ 2006/58
 
CONCLUSIE
 
Van Gageldonk en Dagblad De Limburger hebben journalistiek zorgvuldig gehandeld.
 
Zo vastgesteld door de Raad op 13 februari 2014 door prof. mr. B.E.P. Myjer, voorzitter, drs. G.J.P. Kloosterhuis, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. M.J. Rietkerk, leden, in aanwezigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.