2013/58 ongegrond

Samenvatting

Klager maakt bezwaar tegen het artikel “Politie Zeeland wint zaak bonnenjager”, dat gaat over juridische verwikkelingen tussen de politie en het juridisch adviesbureau van klager.
Volgens de Raad heeft de krant de uitspraak van de Raad van State, waarop het artikel is gebaseerd, op een juiste journalistieke wijze vertaald, zowel in de kop als in het artikel. Met de samenvatting is geen andere betekenis of lading aan de feiten gegeven, dan in de gebruikte bron. Dat daarbij de praktijk van klager is aangeduid als ‘bonnenjager’ is – bezien in de context – journalistiek toelaatbaar. Nu het gaat om een weergave van een gerechtelijke uitspraak was het toepassen van wederhoor niet nodig. De door de politie ingenomen standpunten zijn duidelijk als zodanig weergegeven. Niet is gebleken dat bij de totstandkoming van het artikel sprake is geweest van vooringenomenheid. Er is geen reden voor de conclusie dat de krant journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X  

tegen

de hoofdredacteur van de PZC

Bij online klachtformulier van 27 juli 2013 met diverse bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de PZC (hierna: verweerder). Hierop heeft A.L. Kroon, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 26 augustus 2013 met twee bijlagen. Klager heeft daarop nog gereageerd per e-mail van 31 augustus 2013.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 25 oktober 2013. Partijen waren daar niet aanwezig.

DE FEITEN

De PZC heeft twee artikelen gepubliceerd over juridische verwikkelingen tussen de politie Zeeland en het juridisch adviesbureau van klager. Het eerste artikel met de kop “Politie: adviseur misbruikt procedure” is op 26 februari 2013 op de website en op 27 februari 2013 in de krant verschenen. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
“De politie Zeeland heeft bij de Raad van State geklaagd over juridisch adviesbureau [X] uit […] dat jaarlijks duizenden verkeersboetes aanvecht. Het lijkt erop dat het [X] om financieel gewin van proceskosten gaat in plaats van het aanvechten van de snelheidsovertreding, aldus de politie Zeeland.”
Vervolgens is op 19 juli 2013 op de website en op 20 juli 2013 in de krant een artikel met de kop “Politie Zeeland wint zaak bonnenjager” gepubliceerd. Hierin is bericht over de uitkomst van de procedure bij de Raad van State. Het artikel luidt:
“De politie Zeeland, die zich groen en geel ergert aan bureaus die massa’s bekeuringen aanvechten, heeft bij de Raad van State een rechtszaak gewonnen van het bureau [X] uit […].
De Raad van State bepaalde deze week in hoger beroep dat de politieregio Zeeland een rekening van 437 euro aan proceskosten niet hoeft te betalen aan [X]. Het adviesbureau vocht in december 2011 namens een klant een snelheidsbekeuring aan die onterecht zou kunnen zijn opgelegd door de politie Zeeland. Het bureau vroeg in een bezwaarschrift aan het politiekorps zoals gebruikelijk een waslijst documenten op omdat er altijd ergens een foutje kan zijn gemaakt. Het bureau wilde ook de aanstellingsakte van de verbalisant zien. Dit laatste document gaf de politie aanvankelijk niet omdat de akte volgens de politie niets met de bekeuring te maken heeft.
De rechtbank in Middelburg verklaarde het beroep van [X] hiertegen gegrond. Dat de politie een paar maanden vóór de rechtszaak in Middelburg de akte alsnog had verstrekt maakt voor de rechtbank niet uit. Het bureau had in de WOB-procedure (Wet openbaarheid van bestuur) inmiddels 437 euro aan kosten gemaakt die de politie moest betalen, besliste de rechtbank. De korpschef legde begin dit jaar de zaak voor aan de Raad van State.
De Raad van State constateert dat de politie meteen na het bezwaarschrift van december 2011 aan de bonnenjager een brief stuurde met de vraag of het de bedoeling was dat ook de aanstellingsakte op tafel moest komen. De politie wilde met die brief een onnodige rechtszaak voorkomen. Op die brief werd niet gereageerd. Toen maakte de politie alle gevraagde documenten openbaar, met uitzondering van de aanstellingsakte. Daarna kwam de zaak bij de Middelburgse rechtbank, die de bonnenjager gelijk gaf omdat de akte aanvankelijk ontbrak. De Raad van State stapt in tegenstelling tot de rechtbank niet over de brief heen. [X] had daarop moeten reageren. ,,Het bureau heeft onvoldoende meegewerkt aan een juiste en doelmatige beoordeling van zijn WOB-aanvraag”, zegt de Raad van State. Een reactie waarin de WOB-aanvraag zou zijn uitgelegd, had een procedure bij de rechtbank kunnen voorkomen. Het is niet de schuld van de politie dat er proceskosten zijn gemaakt, aldus de Raad van State. Volgens de politie heeft [X] de zaak bewust laten voorkomen bij de rechtbank om in elk geval de proceskosten terug te verdienen. Het korps spreekt van misbruik van procesrecht.”
De klacht is gericht tegen het artikel van 19 juli 2013.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager meent dat de krant onzorgvuldig heeft gehandeld door informatie niet te verifiëren en hem niet te benaderen voor wederhoor. Door zonder meer te geloven wat de politie zegt, is bovendien sprake van (een schijn van) vooringenomenheid. Als de krant de uitspraak van de Raad van State had geraadpleegd, had zij geweten dat de hoogste rechter de stelling van de politie – dat sprake zou zijn van misbruik van procesrecht – niet heeft overgenomen. Zonder het weerwoord van klager of enig ander commentaar is deze stelling van de politie uit het eerste artikel herhaald in de tweede publicatie. Verder is feitelijk onjuist dat klager gebruikelijk een ‘waslijst’ aan documenten zou opvragen. Hij vraagt doorgaans slechts een beperkt aantal documenten op. Daarnaast is de kop van het artikel niet correct, omdat klager de zaak bij de rechtbank heeft gewonnen. Het hoger beroep daartegen is inhoudelijk door de Raad van State duidelijk en volledig afgewezen, met uitzondering van de proceskostenvergoeding die de rechtbank had toegekend. Het is niet juist dat de politie de winnaar van de procedure is voor wat betreft de financiële afwikkeling. Nu de korpsbeheerder de vergoeding niet hoeft te betalen, is het financiële resultaat nul voor beide partijen. De administratieve last voor het toezenden van een beperkt aantal documenten is per definitie gering. Ten onrechte wordt de suggestie gewekt dat klager de politie met het opvragen van enkele documenten ten behoeve van het controleren van verkeersboetes tot een (grote) administratieve last zou zijn. Buiten de uitzonderlijke gevallen als de onderhavige procedure worden de gevraagde stukken door de politie normaliter voetstoots aan klagers adviesbureau verstrekt. Een bezwaar- of beroepsprocedure om de nodige stukken te krijgen is slechts aan de orde in een zeer klein percentage van het aantal boetecontroles. Als in een dergelijke procedure om een proceskostenvergoeding wordt gevraagd, dient deze vergoeding de kosten van die procedure. Een dergelijke proceskostenvergoeding heeft dus geen enkele relatie met de kosten van het controleren en eventueel aanvechten van een verkeersboete.
Verder maakt klager bezwaar tegen de kwalificatie ‘bonnenjager’. Zijn bedrijf biedt een boetecheck aan, wat heel legitiem is. Als daaruit blijkt dat er voldoende reden bestaat om een procedure te voeren, wordt dat gedaan. Zo is het goed mogelijk dat iemand die een bekeuring heeft ontvangen, geen aanleiding ziet om een fout bij de constatering van de overtreding te veronderstellen, terwijl diegene toch werkelijk ten onrechte een verkeersboete kan hebben ontvangen. Ook kan een boete onterecht zijn omdat bij de totstandkoming daarvan een formeel aspect niet in orde is. De stelling dat klager volgens de politie de zaak bewust heeft laten voorkomen om in elk geval de proceskosten terug te verdienen, wekt ten onrechte de indruk dat de proceskostenvergoeding wordt gebruikt om geld te verdienen en/of het controleren van verkeersboetes te bekostigen. De kosten die hiermee worden gedekt betreffen de proceskosten die moeten worden gemaakt om in voorkomend geval de nodige stukken alsnog te verkrijgen, die eerder niet zijn verstrekt. Als de vergoeding niet wordt toegekend, is het bewust voorleggen van die weigering aan de rechtbank redelijk. De Raad van State heeft de korpsbeheerder op dit punt – het ‘bewust laten voorkomen’ – geen gelijk gegeven. Ook in dit verband was toepassing van wederhoor op zijn plaats geweest, aldus klager.

De hoofdredactie meent dat klager in het eerste artikel, waarin de grieven van de politie zijn uitgelegd, in de gelegenheid is gesteld zijn kant van het verhaal te vertellen. Het artikel bevat een citaat van klager en een korte verwoording van zijn toelichting op de aanpak van zijn bureau. In dit verhaal is dus duidelijk sprake van hoor en wederhoor.
In het tweede artikel heeft de verslaggever zich beperkt tot de uitkomst van de procedure bij de Raad van State. Er is nog wel aangeduid waarom de politie tot het uiterste procedeert, maar het was niet nodig daarbij ook de eerder gepubliceerde repliek van klager te herhalen. Het artikel steunt verder geheel op de behandeling van het hoger beroep. De hoofdredactie heeft geen reden te twijfelen aan de feiten die in die behandeling aan de orde zijn geweest en die in het artikel zijn weergegeven. Daarom valt er niets te verifiëren.
De hoofdredactie kan zich niet vinden in het verwijt dat de krant vooringenomen zou zijn en zonder meer zou geloven wat de politie zegt. Het is de hoofdredactie bekend dat de Raad van State de bewering van de politie – dat de rechtbank ten onrechte heeft miskend dat klager misbruik maakt van het procesrecht – niet heeft overgenomen. Waar het hier echter om draait is de financiële afwikkeling in de vorm van een proceskostenvergoeding ten laste van de korpsbeheerder die ten goede van klager zou komen. Door de uitspraak van de Raad van State hoeft de korpsbeheerder de proceskosten niet aan klager te vergoeden. In deze relevante betekenis is de politie de winnaar. De proceskostenvergoedingen bepalen immers in belangrijke mate of het aanvechten van boetes op deze wijze door kan gaan.
Verder is in de uitspraak van de Raad van State beschreven hoe klager de politie onder meer een ‘checklist’ van mogelijk relevante documenten voorschotelt. Met de term ‘waslijst’ probeerde de verslaggever de administratieve last voor de politie aan te duiden. Ten aanzien van de term ‘bonnenjager’ wijst de hoofdredactie erop dat de rechtspraktijk van klager zich op die manier profileert. Klager propageert het aanvechten van verkeersboetes ‘ook als u zelf denkt dat u terecht bent bekeurd’ en zegt dat hij ‘1001 redenen’ kan vinden om een bekeuring ‘onderuit te halen’. Het woord ‘bonnenjager’ is daarom een goede keuze.
Voor de hoofdredactie is de bewering van de politie dat klager de zaak bewust heeft laten voorkomen, de logische afsluiting van het verhaal. Daarmee is duidelijk gemaakt waarom de politie de zaak tot bij de Raad van State heeft aangevochten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is alleen gericht tegen het artikel van 19 juli 2013. Kern van klagers bezwaar is dat de krant onzorgvuldig en vooringenomen heeft gehandeld door informatie niet te verifiëren en geen wederhoor toe te passen.

De krant heeft ervoor gekozen om de uitspraak van de Raad van State, waarop het artikel is gebaseerd, in eigen woorden samen te vatten. Dit kan de begrijpelijkheid voor de lezers ten goede komen. Wel moet hiermee zorgvuldig worden omgegaan, zeker waar het gerechtelijke uitspraken betreft die met grote nauwkeurigheid van woordkeuze plegen te worden opgezet.
Volgens de Raad heeft de krant de uitspraak van de Raad van State op een juiste journalistieke wijze vertaald, zowel in de kop als in het artikel. Met de samenvatting is geen andere betekenis of lading aan de feiten gegeven, dan in de gebruikte bron. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het journalistiek gebruikelijk is dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet. Daarmee worden alleen de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid overschreden als de kop geen enkele grond vindt in het artikel. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dat de krant daarbij de praktijk van klager heeft aangeduid als ‘bonnenjager’ is – bezien in de context – journalistiek toelaatbaar.

Nu het gaat om een weergave van een gerechtelijke uitspraak was het toepassen van wederhoor niet nodig. De door de politie ingenomen standpunten zijn duidelijk als zodanig weergegeven. Niet is gebleken dat bij de totstandkoming van het artikel sprake is geweest van vooringenomenheid.          

Er is geen reden voor de conclusie dat de krant journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. (vgl. onder meer RvdJ 2011/65 en zie punten 1.4., 1.5. en 2.3.4. van de Leidraad van de Raad)

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 6 december 2013, door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, M.C. Doolaard, ir. B.L. Hooghoudt, mw. drs. J.X. Nabibaks en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.K. N'Daw, plaatsvervangend secretaris.