2013/57 niet-ontvankelijk ongegrond

Samenvatting

In het Brabants Dagblad zijn diverse artikelen gepubliceerd die gaan over bestuursrechtelijke procedures, waarbij klager is betrokken. De krant heeft niet onzorgvuldig gehandeld door klagers naam te vermelden in het artikel “Udense broers tegenover elkaar voor de bestuursrechter om oprit”. Dat is namelijk in berichtgeving over een bestuursrechtelijke procedure journalistiek gebruikelijk en toelaatbaar. Het zou de redactie hebben gesierd als zij, gelet op eerder door klager geuite bezwaren, in het artikel had vermeld dat klager als ‘derde belanghebbende’ en niet zozeer als partij bij de procedure was betrokken. Verder had in de brief aan klager tot uiting kunnen worden gebracht, dat de redactie ingediende klachten serieus neemt. Dat een en ander niet is gebeurd, maakt echter niet dat de klacht alsnog gegrond is. Voor zover klager bezwaar heeft gemaakt tegen artikelen die vóór 20 november 2012 in de krant zijn verschenen, heeft hij zijn klacht niet op tijd ingediend en is hij in zijn klacht niet-ontvankelijk.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

Bij brief van 16 mei 2013 met diverse bijlagen – door de Raad ontvangen op 20 mei 2013 – heeft X (hierna: klager) een klacht voorgelegd aan de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (hierna: verweerder). Hierop heeft T. de Jong, Hoofd Opinie, gereageerd in een brief van 12 juni 2013. Vervolgens heeft klager aan de Raad laten weten dat hij die reactie niet bevredigend vindt. Hierna heeft de secretaris van de Raad aan de hoofdredacteur gevraagd of hij wenst mee te werken aan bemiddeling. In een e-mail van 31 juli 2013 heeft T. Rooms, hoofdredacteur, daarop afwijzend geantwoord. Bij brief van 2 september 2013 heeft de hoofdredacteur nader op de klacht gereageerd. Daarop heeft klager nog gereageerd bij e-mail van 19 oktober 2013.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 25 oktober 2013 in aanwezigheid van klager. De hoofdredacteur is daar niet verschenen.

DE FEITEN

In de periode van oktober 2010 tot en met april 2013 zijn in het Brabants Dagblad diverse artikelen gepubliceerd die gaan over bestuursrechtelijke procedures, waarbij klager is betrokken. De klacht is gericht tegen een aantal artikelen gedateerd vóór 20 november 2012 en verder tegen een publicatie van 16 april 2013 met de kop: “Udense broers tegenover elkaar voor de bestuursrechter om oprit”. In dit artikel is de naam van klager vermeld, die als zogeheten ‘derde belanghebbende’ bij de beschreven bestuursrechtelijke procedure is betrokken.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is sinds 2008 betrokken bij diverse bestuursrechtelijke procedures. Hij schetst uitvoerig de achtergronden daarvan. Naar zijn mening vinden op de gronden aan de voor- en achterkant van zijn woning (bouw)activiteiten plaats in strijd met de bestemming en zonder vergunning. Klager ondervindt hiervan veel hinder. Hij heeft meermaals zijn zienswijze kenbaar gemaakt aan het gemeentebestuur en verzoeken tot handhaving ingediend. Dit heeft uiteindelijk diverse keren geleid tot een gang naar de bestuursrechter. Het Brabants Dagblad bericht sinds oktober 2010 over deze omgevingsrechtelijke verwikkelingen.
In januari 2012 heeft klager een brief naar het Brabants Dagblad gestuurd, waarin hij duidelijk heeft gemaakt dat hij door de artikelenreeks last ondervindt in zijn persoonlijke leef- en werkomgeving. Hij heeft verzocht om voortaan niet meer met naam en toenaam te worden genoemd in verband met deze procedures. In zijn brief heeft hij verder gesteld dat hij het inhoudelijk niet eens is met een artikel van 2 september 2011 en verzocht om verwijdering van dit artikel van het internet. Dit verzoek is door de hoofdredacteur afgewezen.
Op 16 april 2013 is klager opnieuw in een artikel genoemd. In de beschreven zaak was hij slechts zijdelings, als derde belanghebbende, betrokken. Klager heeft voorafgaand aan de zitting aan de betrokken journalist duidelijk gemaakt dat hij niet in de krant genoemd wilde worden. De journalist antwoordde daarop dat als klager iets in de zaak te melden zou hebben, dit zou worden vermeld in het artikel.
Klager voelt zich in zijn privacy aangetast. Hij komt op voor zijn belangen via een rechtsgang. Dit wordt onder extra druk gezet door de publicaties in het Brabants Dagblad. De indruk wordt gewekt dat hij een ruziemaker is en klager heeft het gevoel dat hij zich daartegen moet verdedigen. Dat hij ongewild op negatieve wijze in het nieuws komt, heeft ongewenste gevolgen voor zijn functioneren in zijn sociale- en werkomgeving. Klager vraagt zich af waarom deze casussen in deze frequentie door het Brabants Dagblad worden uitgelicht. Het vermelden van zijn naam dient volgens hem geen redelijk maatschappelijk doel. Klager herhaalt tot slot zijn wens om in de toekomst niet meer met naam en toenaam in het Brabants Dagblad te worden vermeld.

De hoofdredacteur meent dat hij heeft gehandeld in overeenstemming met de eigen leidraad en de Leidraad van de Raad. Klager kwam niet ongewild in het nieuws. Een burger die bestuursrechtelijke stappen onderneemt in omgevingszaken, kan weten dat die procedures in de openbaarheid worden gevoerd. De hoofdredacteur ziet niet in dat klager op een ‘negatieve wijze’ in het nieuws is gekomen. Het ligt voor de hand dat wanneer een burger een bestuursrechtelijk proces voert, hij daarover in zijn omgeving wordt aangesproken, negatief dan wel positief. De hoofdredacteur begrijpt niet op welke wijze in de beschreven kwesties de integriteit van klager is aangetast. Hij gaat niet mee in klagers persoonlijke beleving van de feiten. De krant besteedt aandacht aan alle bestuursrechtelijke zaken die zij journalistiek van belang vindt. Of iemand als derde belanghebbende ter zitting wordt uitgenodigd doet niet ter zake. In de toekomst zal de redactie telkens opnieuw de afweging maken of er zwaarwegende redenen zijn om klagers naam niet te vermelden.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID voor zover de klacht is gericht tegen publicaties gedateerd vóór 20 november 2012

Volgens artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, zoals vastgesteld op 1 maart 2010, moet een klacht worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden. Voor zover klager bezwaar maakt tegen publicaties die vóór 20 november 2012 in het Brabants Dagblad verschenen, is zijn klacht niet tijdig door de Raad ontvangen.    

Klager heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Klager is in dit onderdeel van zijn klacht dan ook niet-ontvankelijk. Dat vervolgens opnieuw een artikel over hem is verschenen waartegen hij bezwaar maakt, doet daaraan niet af. (vgl. onder meer RvdJ 2013/13)

BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover deze is gericht tegen het artikel van 16 april 2013

Kern van de klacht is dat klagers privacy is geschonden doordat in het artikel onnodig zijn naam is vermeld.

Dat de naam van klager is vermeld in berichtgeving over een bestuursrechtelijke procedure is journalistiek gebruikelijk en toelaatbaar. Het feit dat klager slechts als ‘derde belanghebbende’ bij de beschreven zaak is betrokken, doet daaraan niet af. Niet is gebleken van een zodanig zwaarwegend belang van klager, dat de krant had moeten afzien van de vermelding van klagers naam. (zie punt 2.4.10. van de Leidraad van de Raad)

Het zou de redactie hebben gesierd als zij, juist gelet op de eerder door klager geuite bezwaren, in het artikel gewag had gemaakt van het feit dat klager als ‘derde belanghebbende’ en niet zozeer als partij bij de procedure was betrokken. Verder had in de brief aan klager tot uiting  kunnen worden gebracht, dat de redactie ingediende klachten serieus neemt. Dat een en ander is nagelaten, maakt echter niet dat de klacht alsnog gegrond is.

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen artikelen die vóór 20 november 2012 door het Brabants Dagblad zijn gepubliceerd, is klager in zijn klacht niet-ontvankelijk. De klacht gericht tegen het artikel van 16 april 2013 is ongegrond.  

Aldus vastgesteld door de Raad op 6 december 2013, door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, M.C. Doolaard, ir. B.L. Hooghoudt,  mw. drs. J.X. Nabibaks en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.K. N'Daw, plaatsvervangend secretaris.