2013/56 ongegrond

Samenvatting

Klager maakt bezwaar tegen de artikelen “Ombudsman: Wageningen liet oren hangen naar opdrachtgever” en “’Conflict brengt de wetenschap verder’”, waarin is bericht dat klager – als onderzoeker van Wageningen UR – een klokkenluidersmelding heeft gedaan. Volgens de Raad zijn de essentie van het oordeel van de Nationale ombudsman en de strekking van de gerechtelijke uitspraak over de ontbinding van klagers arbeidsovereenkomst op adequate wijze weergegeven. Het tweede artikel behelst verder een weergave van een interview met een hoogleraar. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. De uitspraken van de hoogleraar zijn niet zodanig beschuldigend van aard dat klager daardoor wordt gediskwalificeerd. Verweerder behoefde geen wederhoor bij klager toe te passen. Bovendien is klager de mogelijkheid geboden tot het plaatsen van een ingezonden brief. Het is gebruikelijk en journalistiek toelaatbaar dat daarbij de toegestane lengte van de brief wordt beperkt. Klager had zelf zijn brief kunnen inkorten, maar heeft dat niet gedaan. 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van Resource

Bij online klachtformulier van 25 juni 2013 met vijftien bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Resource (hierna: verweerder). Hierop heeft R. Goossens, plaatsvervangend hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 23 augustus 2013 met een bijlage.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 20 september 2013. Klager was daar aanwezig samen met zijn echtgenote. Namens verweerder zijn drs. G. van Caulil (hoofdredacteur), M. Lamers (uitgever) en mr. F. Pingen (jurist) verschenen. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van notities.

DE FEITEN

Op 17 april 2013 is op de website van Resource, het universiteitsblad van Wageningen UR, een artikel verschenen onder de kop “Ombudsman: Wageningen liet oren hangen naar opdrachtgever”. Het artikel opent als volgt:
“Wageningen UR lijkt meer belang te hechten aan de goedkeuring van de opdrachtgever dan aan zijn academische vrijheid. Dat oordeelt de Nationale ombudsman in een zaak van een – inmiddels ontslagen – onderzoeker van Alterra.”
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
“Wageningen UR wekt de indruk wetenschap op bestelling te hebben geleverd, stelt Nationale ombudsman Alex Brenninkmeijer in het op 11 april verschenen rapport: “Een afweging op drassige gronden”. Hij schreef dit rapport op verzoek van de Wageningse onderzoeker “X” die in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) onderzoek deed naar de grondwaterstanden in Nederland.”
en
“Vorig jaar ontbond de rechtbank uiteindelijk het arbeidscontract van de klokkenluider, vanwege verstoorde verhoudingen. De rechter vond dat de kiem van het arbeidsconflict bij Alterra ligt, vanwege het niet-publiceren van het rapport van de onderzoeker. Maar hij constateerde ook dat de onderzoeker steeds meer een eenzame strijd tegen onrechtvaardigheid voerde, terwijl zijn werkgever daarna niets te verwijten viel. X deed drie keer een klokkenluidersmelding. Na Wageningen UR en de gemeente is de ombudsman nu de derde instantie die zijn melding beoordeelt.”
Een vergelijkbaar artikel is op 25 april 2013 in de papieren editie van Resource gepubliceerd.
 
Vervolgens is op 16 mei 2013 in de papieren editie en op de website van Resource een artikel verschenen onder de kop “’Conflict brengt de wetenschap verder’”. Dit artikel opent als volgt:
“Bij complexe maatschappelijke problemen slaagt Wageningen UR er niet altijd in duidelijk te maken wat de rol van de onafhankelijke onderzoeker is. Zo kan de indruk ontstaan dat wetenschappers hun oren laten hangen naar de opdrachtgever. De kwestie rond ‘klokkenluider X’ bij Alterra is daarbij een schoolvoorbeeld, vindt hoogleraar Johan Bouma.”
In het artikel komen de volgende passages voor:
“Deed Wageningen UR aan ‘onderzoek op bestelling’ door een kritisch rapport over de meting van grondwaterstanden van klokkenluider X tweeënhalf jaar tegen te houden? De Nationale Ombudsman suggereert dit in een onlangs uitgebracht rapport, maar volgens Johan Bouma was daar geen sprake van. En hij heeft enig recht van spreken, omdat hij zowel reviewer van X’s gewraakte rapport was als beoordelaar van diens klokkenluidersmelding. ‘X heeft acht artikelen over de meting van grondwaterstanden gepubliceerd, hij had dus geen publicatieverbod’, blikt Bouma terug. ‘Ook is het niet zo dat zijn leidinggevenden het publiek hebben misleid door de publicatie tegen te houden. Er was eerder sprake van verwarring en onmacht, omdat vanuit dezelfde onderzoeksgroep publicaties met een verschillende strekking verschenen.’”
en
“De waterstand in een gebied is een compromis, na overleg tussen alle belanghebbenden. Het poldermodel bepaalt uiteindelijk de oplossing. De metingen van de grondwaterstand zijn daarbij slechts een van de bijdragen vanuit het onderzoek.
Die rol kan lastig zijn voor onderzoekers die metingen doen om feiten aan te dragen. Zoals X, die ontdekte dat in sommige zandgronden de in Nederland gebruikte peilbuizen wel de diepe grondwaterstanden goed meten, maar niet de ondiepe. ‘Dat was geen mening van X, dat was een feit’, zegt Bouma. Een kennisinstelling moet zo’n grensverleggende ontdekking met gejuich ontvangen, vindt de hoogleraar. ‘Kritisch onderzoek betekent dat je bestaande inzichten ondermijnt. Conflict is essentieel bij het verder brengen van de wetenschap. Maar daarna moet je de onderzoekers wel bij elkaar zetten en zeggen: interessante ontdekking, maar wat betekent dit voor het wicked problem dat hier aan de orde is? Dus hoe meer conflict achter de gevel hoe beter, maar presenteer wel voor de gevel een consistent verhaal. Dit vereist actief onderzoekmanagement.’ In het geval van X werd die discussie niet goed gevoerd, vindt Bouma.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de berichtgeving onvolledig en niet waarheidsgetrouw is, waardoor een eenzijdig beeld over de kwestie is ontstaan. Het artikel van 17 april 2013 komt niet overeen met het rapport van de Nationale ombudsman, met name de conclusie ervan is niet juist verwoord. Volgens het rapport is de ombudsman van oordeel dat Wageningen UR meer belang hechtte aan de goedkeuring van de opdrachtgever dan aan de academische vrijheid van klager. Ten onrechte is in het artikel vermeld dat dit zo lijkt. Verder is ook de gerechtelijke uitspraak van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van klager onvolledig weergegeven. Zo is ten onrechte vermeld dat de voormalige werkgever van klager ‘daarna niets te verwijten viel’. Uit de uitspraak blijkt namelijk dat de werkgever nog te verwijten viel dat klager niet mocht reageren op bepaalde artikelen.
Ook in het artikel van 16 mei 2013 staan onjuistheden, waardoor de publicatie niet overeenkomt met het rapport van de ombudsman en de gerechtelijke uitspraak. Zo is beschreven dat de ombudsman suggereert dat Wageningen UR aan onderzoek op bestelling deed, terwijl diens conclusie is dat ‘de klacht over wetenschap op bestelling gegrond is vanwege de schending van het vereiste van redelijke belangenafweging’. Ook de opmerking dat leidinggevenden het publiek niet zouden hebben misleid door de publicatie tegen te houden, is geen volledige weergave van de situatie. Uit de gerechtelijke uitspraak blijkt juist dat de klokkenluidersmelding nodig was om het rapport gepubliceerd te krijgen.
Naar aanleiding van het artikel van 16 mei 2013 heeft klager eerst contact opgenomen met de geïnterviewde Johan Bouma. Deze deelde mee dat er wat hem betreft niets te rectificeren viel. Vervolgens heeft klager een ingezonden reactie aan verweerder gestuurd. Die was echter niet bereid het stuk ongewijzigd te plaatsen, omdat het te lang zou zijn. Verweerder heeft toen een voorstel voor aanpassing gedaan, maar daardoor werden volgens klager de essentie en toonzetting gewijzigd. Als alternatief heeft klager rectificatie voorgesteld, waarna partijen in een impasse zijn geraakt.
Volgens klager verschuilt verweerder zich door het standpunt in te nemen dat de publicaties zijn gebaseerd op andere informatiebronnen dan wel de mening betreffen van de geïnterviewde. Verweerder heeft een eigen journalistieke verantwoordelijkheid voor de publicaties. Het had ook in de rede gelegen dat verweerder wederhoor had toegepast, met name bij het artikel van 16 mei 2013 omdat de geïnterviewde een belanghebbende bij de beschreven kwestie is. Uit het rapport van de ombudsman blijkt dat de problematiek een belangrijk wetenschappelijk en maatschappelijk probleem betreft. Juiste berichtgeving over dit onderwerp is dan ook uitermate belangrijk en dat heeft verweerder nagelaten, aldus klager.

Verweerder stelt dat het artikel van 17 april 2013 is gebaseerd op een persbericht dat is aangeleverd door het Hoger Onderwijs Persbureau (HOP) en is aangepast door de redacteur. Die herkomst is ook bij het artikel vermeld. Een aantal bezwaarpunten van klager heeft betrekking op dit persbericht. Verweerder voelt zich daarvoor niet verantwoordelijk en verwijst ter zake naar het HOP.
Verder meent verweerder dat het artikel recht doet aan de essentie van het rapport van de ombudsman. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat ook in het persbericht van de ombudsman een nuance is aangebracht, doordat de kop van het persbericht wordt afgesloten met een vraagteken. Die kop luidt: “Nationale ombudsman: leverde Wageningen UR wetenschap op bestelling?” In het bericht zelf is vermeld dat ‘de indruk is gewekt’ dat Wageningen UR wetenschap op bestelling heeft geleverd. De conclusie van de ombudsman is dan ook correct weergegeven. Daarnaast is juist bericht over de gerechtelijke uitspraak inzake de ontbinding van klagers arbeidsovereenkomst.  Met betrekking tot de zin “Maar hij constateerde ook dat de onderzoeker steeds meer een eenzame strijd tegen onrechtvaardigheid voerde, terwijl zijn werkgever daarna niets te verwijten viel.” verwijst verweerder naar de desbetreffende passage in de uitspraak.
Het artikel van 16 mei 2013 is een follow-up op het nieuwsverhaal rond het rapport van de ombudsman. Het draait om de inzichten van de heer Bouma, die een evenwichtig verhaal vertelt over hoe Wageningen UR omgaat met zogeheten ‘wicked problems’. De casus van klager is daarbij als voorbeeld aangehaald. De uitspraken van Bouma zijn genuanceerd en gedaan met kennis van zaken. Bovendien blijkt duidelijk dat het hier om de zienswijze van Bouma gaat en niet om een feitelijke weergave of de mening van de redactie. Van kwetsende of apert onjuiste uitspraken is geen sprake.
Naar de mening van verweerder bestond dan ook geen reden tot het plegen van wederhoor bij klager dan wel het plaatsen van een rectificatie. Om opinievorming te stimuleren is klager aangeboden om zijn visie in een ingezonden brief met een maximale lengte van 350 woorden te publiceren. De brief van klager bevatte echter meer dan 1000 woorden. Verweerder heeft daarop een voorstel gedaan voor een ingekorte versie. Klager bleef echter bij zijn oorspronkelijke versie en heeft niet alsnog een ingekorte versie ingestuurd.
Ten slotte merkt verweerder op dat in alle berichtgeving rond deze kwestie de anonimiteit van klager is gerespecteerd en dat dus geen sprake is van persoonlijke beschadiging met vergaande consequenties.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat in de artikelen eenzijdig, onjuist en daarmee niet waarheidsgetrouw over de kwestie is bericht.

De Raad merkt allereerst op dat verweerder ten aanzien van zijn berichtgeving een eigen journalistieke verantwoordelijkheid heeft. Dat het artikel van 17 april 2013 grotendeels is gebaseerd op een persbericht van het Hoger Onderwijs Persbureau ontslaat verweerder niet van die verantwoordelijkheid.

Naar de mening van de Raad zijn de essentie van het oordeel van de Nationale ombudsman en de strekking van de gerechtelijke uitspraak over de ontbinding van klagers arbeids-overeenkomst op adequate wijze weergegeven. Daarvoor is het niet noodzakelijk om de exacte bewoordingen van het rapport van de Nationale ombudsman of de gerechtelijke uitspraak over te nemen.

Het artikel van 16 mei 2013 behelst verder een weergave van een interview met hoogleraar Bouma. Daarbij heeft verweerder onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat het artikel voor een groot deel de visie van Bouma bevat. De door klager bestreden passages hebben voornamelijk betrekking op uitlatingen van Bouma. Die uitspraken zijn niet zodanig beschuldigend van aard dat klager daardoor wordt gediskwalificeerd. Er is dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door het artikel te publiceren zonder wederhoor bij klager toe te passen.

Verweerder heeft klager bovendien de mogelijkheid geboden tot het plaatsen van een ingezonden brief. Het is gebruikelijk en journalistiek toelaatbaar dat daarbij de toegestane lengte van de brief wordt beperkt. Het maximum aantal van 350 woorden is ook niet onredelijk. Dat verweerder klager een voorstel voor een ingekorte versie heeft gedaan, waarmee klager niet akkoord kon gaan, doet niets af aan het feit dat klager zelf zijn brief had kunnen inkorten. Dat klager dat heeft nagelaten, kan verweerder niet worden verweten.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder journalistiek onzorgvuldig ten opzichte van klager heeft gehandeld.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 november 2013 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, M.C. Doolaard,  dr. H.J. Evers,  A. Mellink MPA en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.