2013/55 gegrond

Samenvatting

De klacht gaat over het artikel “School voelt zich uitgekleed door consultancybureau”, waarin meerdere personen zich zeer negatief over klager hebben uitgelaten. Die uitlatingen zijn zodanig beschuldigend van aard dat klager daardoor wordt gediskwalificeerd. Verweerders hadden dan ook voorafgaand aan de publicatie wederhoor bij klager moeten toepassen. Dat zij beoogden de werkwijze van het consultancybureau aan de orde te stellen en in hun optiek klager daarbij slechts zijdelings een rol speelt in het artikel, doet daaraan niet af.
Dat verweerders hebben aangeboden in het volgende nummer van het Onderwijsblad dan wel in een latere editie door middel van een ingezonden brief een reactie van klager te publiceren, is onvoldoende om te spreken van deugdelijke toepassing van wederhoor. 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P. Overgaauw

tegen

Y. van de Meent en de hoofdredacteur van het Onderwijsblad

Bij brief van 4 juni 2013 met vier bijlagen heeft drs. P. Overgaauw te Oostzaan (hierna: klager) een klacht ingediend tegen Y. van de Meent en de hoofdredacteur van het Onderwijsblad (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders in een brief van 20 juni 2013 aan de Raad verzocht om bemiddeling. Op 9 juli 2013 heeft tussen partijen een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden onder leiding van de secretaris van de Raad. Vervolgens heeft klager in een e-mail van 12 juli 2013 laten weten dat hij zijn klacht wil handhaven. Hierna hebben verweerders op de klacht gereageerd in een e-mail van 30 augustus 2013 en bij e-mail van 5 september 2013 nog vijf bijlagen overgelegd. Ten slotte heeft klager bij e-mail van 17 september 2013 op het verweerschrift gereageerd en nog zeven bijlagen overgelegd.

De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 20 september 2013. Klager was daar aanwezig samen met zijn echtgenote. Namens verweerders zijn verslaggeefster Van de Meent en hoofdredacteur R. Sikkes verschenen. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van notities.

DE FEITEN

Op 20 april 2013 is in het Onderwijsblad een artikel van de hand van Van de Meent verschenen met de kop “School voelt zich uitgekleed door consultancybureau” en de bovenkop “Hoe CBE de Purmerendse Scholengroep in zijn greep kreeg”. Het artikel opent als volgt:
“Terwijl de Purmerendse Scholengroep afkoerste op een tekort van 2,8 miljoen euro, haalde directeur Peter Overgaauw het Amsterdamse consultancybureau CBE in huis. Zieke en zwangere docenten mochten niet meer vervangen worden en docenten moesten hoorcolleges geven. Ondertussen stuurde CBE vette rekeningen die met voorrang betaald moesten worden. Het Onderwijsblad reconstrueert hoe het consultancybureau de scholengroep in zijn greep kreeg. “De strategie van CBE is die van een vampier. Het is een organisatie die zijn opdrachtgever leegzuigt.””
Verder komen in het artikel onder meer de volgende passages voor:
“De aftrap voor het vernieuwingstraject dat van de scholengroep een High Performance School zou gaan maken, was op 16 september 2010. Tweeënhalf jaar later winden docenten zich nog op over het “hautaine en onbeschofte” optreden van PSG-directeur Peter Overgaauw en CBE-chairman [X]. “Een foto van [X] is nog steeds genoeg om me op de kast te krijgen”, zegt Rob Jager, docent tekenen & kunstgeschiedenis. “Iedereen heeft die dag als een klap in het gezicht ervaren”, weet Paul Kühr, docent Nederlands.”
en
“Dosker maakte hem [X] attent op een artikel dat ze die ochtend in NRC Next had gelezen. (…) Dosker vroeg haar man het krantenartikel naar school te brengen. Maar Overgaauw verbood haar nog meer vragen te stellen. “Heel raar. We werden dus geacht daar als makke schapen te luisteren naar wat [X] en consorten te melden hadden.” In zijn slotwoord repte directeur Peter Overgaauw over een bijzonder succesvolle dag met een geweldige opbrengst, wat sommige docenten woedend maakte.(…)”
Onder de tussenkop “Schrikbewind” is verder onder meer bericht:
“De start van de PSG-expeditie, of eigenlijk het binnenhalen van CBE, markeert het begin van het einde van Peter Overgaauw bij PSG. Tsaar Peter of de Poetin van Purmerend, zoals hij in de regionale pers werd genoemd, stond sinds het ontstaan van de Purmerendse Scholengroep in 1996 aan het roer. “Overgaauw voerde een schrikbewind”, stelt Douwe Tjerkstra die als ouder in de medezeggenschapsraad zat. “Niemand durfde een mond open te doen, want hij schopte je gewoon op straat. Zelfs ouders waren bang dat hun kinderen de dupe zouden worden van kritische opmerkingen.”
Overgaauw hield het vijftien jaar vol, maar in november 2011 moest hij het veld ruimen, nadat de docenten van het Da Vinci College een officiële klacht indienden bij het schoolbestuur. Voormalig minister Van Bijsterveldt schakelde de Onderwijsinspectie in en die constateerde dat er sprake was van een ‘ernstige vertrouwensbreuk’ tussen personeel en directeur. Overgaauw liet PSG achter met een uitgehold vermogen. En met een van de twee vwo-afdelingen onder verscherpt inspectietoezicht. Dat belet hem niet in zijn LinkedIn-profiel trots te melden dat PSG onder zijn leiding als eerste VO-school in Nederland aan het High Performance-traject van CBE begon.”
Het slot van het artikel luidt:
“Het bestuur van PSG heeft Peter Overgaauw en CBE lang hun gang laten gaan, maar liet in de zomer van 2011 forensische accountants van PricewaterhouseCoopers onderzoek doen naar mogelijke belangenverstrengeling. De uitkomst is niet naar buiten gebracht, maar begin november 2011 stapte Overgaauw op. Hij kreeg een ruimhartige vertrekregeling, die neerkomt op een uitkering van 122.000 euro. De directeur vertrok op eigen initiatief, luidde de bekendmaking. “Onzin”, denkt voormalig PSG-bestuurslid Martin Koelewijn. “Overgaauw was een dictator en dictators stappen niet op, maar worden afgezet.”
Maar de belangenverstrengeling met CBE, volgens alle betrokkenen onweerlegbaar, is niet boven water gekomen. Dat komt doordat de werkwijze van het bureau niet in de sfeer van ‘het mag niet’ zit, denkt een betrokkene. “Maar het is wel heel erg ongewenst. De strategie van CBE is die van een vampier. Het is een organisatie die zijn opdrachtgever leegzuigt. Zeer immoreel, zeker in de situatie waarin PSG zat.””
In een kader bij het artikel is een reactie van X opgenomen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het artikel een heel eenzijdig beeld is geschetst over de vertrouwenscrisis, de financiële situatie en het vernieuwingstraject bij een van de scholen. Verweerders hebben boze docenten en ouders aan het woord gelaten, die ontevreden zijn met het beleid, zonder onderzoek te doen naar de oorzaak van de situatie. Gelet op de inhoud en toonzetting van het artikel en de gebruikte bronnen had het in de rede gelegen dat verweerders klager om wederhoor hadden gevraagd. Hij had dan het beleid van de Purmerendse ScholenGroep (PSG) kunnen toelichten. Van augustus 1996 tot eind december 2011 was hij directielid en vanaf augustus 2000 eindverantwoordelijk directeur bij de PSG. In die periode hebben een langjarige, ingrijpende reorganisatie en herhuisvesting plaatsgevonden. Met name op één van de zes scholen van de PSG, het Da Vinci College, waren er problemen. Er is een vertrouwenscrisis ontstaan vooral omdat de algemene directie van de PSG en de schoolleiders van de vijf andere scholen wilden dat het Da Vinci College zich conformeerde aan het beleid van het bestuur. De vertrouwenscrisis is dus niet eenzijdig aan klager te wijten, zoals in het artikel wordt gesuggereerd. In de 15 jaar dat klager bij PSG heeft gewerkt, is niet gebleken dat er iets mis was met zijn functioneren.
Daarnaast bevat het artikel diverse feitelijke onjuistheden waardoor het voor lezers niet mogelijk is om zich een volledig en controleerbaar beeld over de geschetste situatie te vormen. Deze onjuistheden hadden kunnen worden weerlegd door diepgaander onderzoek en toepassing van wederhoor. Naar aanleiding van de publicatie heeft klager een lijst van 23 feitelijke onjuistheden aan verweerders gestuurd. Zo zijn onder meer verkeerde cijfers gehanteerd, onjuiste conclusies weergegeven en bepaalde handelingen verkeerd uitgelegd. Verder is hij ten onrechte in verband gebracht met belangenverstrengeling, omdat zijn naam is gezuiverd.
Klager heeft voorafgaand aan de publicatie per e-mail contact met verweerders opgenomen, nadat hij van de heer X had vernomen dat hij mede onderwerp zou zijn van de publicatie. Verweerders hebben daarna alleen laten weten dat klager in het volgende nummer van het Onderwijsblad een ingezonden brief kon insturen. Klager wijst er in dit verband op dat het artikel zeker voor de helft over hem gaat, waarbij ernstige beschuldigingen aan zijn adres zijn geuit. Het standpunt van verweerders dat zij toepassing van wederhoor niet nodig vonden omdat al voldoende over hem was gedocumenteerd in de regionale pers, deelt klager niet. In de regionale pers is weliswaar veel over hem geschreven, maar weinig daarvan had te maken met de relatie tussen CBE en de PSG. Bovendien heeft hij meerdere gesprekken gevoerd met die media over het geringe waarheidsgehalte van de berichtgeving en de ongenuanceerde eenzijdige belichting van zaken daarin. Deze documentatie is dus van dubieuze waarde.
Verder meent klager dat het aanbod van verweerders om in een volgende editie een reactie op te nemen c.q. een ingezonden brief te publiceren, niet als afdoende wederhoor kan worden aangemerkt. Een ingezonden brief heeft veel minder impact op de lezer dan een weerwoord in de oorspronkelijke publicatie en is in dit geval niet adequaat om de beeldvorming bij te sturen.
Klager concludeert dat verweerders de normen van fatsoen hebben overschreden, door zo negatief over hem te berichten zonder wederhoor toe te passen.

Verweerders stellen dat het niet nodig was om wederhoor toe te passen. In openbare bronnen is de vertrouwenscrisis die zich op de PSG heeft afgespeeld namelijk uitvoerig beschreven. Het hoofdonderwerp van het artikel was de werkwijze van het consultancybureau CBE, waarbij de PSG en de rol van klager als ondersteuning dienden. Bij het zoeken naar een school die als voorbeeld kon dienen voor de werkwijze van CBE is de keuze op de PSG gevallen. CBE is daar actief geweest, maar door het nieuwe management in 2012 weer buiten de deur gezet. Over deze kwestie is in de media uitvoerig geschreven.
Voor het complete verhaal is drie maanden uitgebreid onderzoek gedaan naar CBE en de PSG-kwestie. Alle genoemde feiten zijn onderbouwd met deugdelijke bronnen, zoals jaarrekeningen, kamerstukken, inspectierapporten en media-uitingen. Daarnaast is met tientallen mensen gesproken. De beweringen worden altijd gedeeld door meerdere bronnen of onderbouwd door documenten. Van onjuiste berichtgeving is geen sprake.
Omdat CBE het hoofdonderwerp is, is de directeur van CBE – de heer X – om wederhoor gevraagd. Daarbij zijn ook elementen van de PSG-situatie, waaronder veel door klager bekritiseerde punten, aan de orde gekomen. Op belangrijke punten heeft dus wederhoor plaatsgevonden. Wederhoor bij klager had geen ander verhaal opgeleverd. In het artikel wordt weliswaar kritiek op hem geuit, maar die kritiek was niet nieuw en is uitvoerig in de media terug te vinden. De vertrouwenscrisis was uitvoerig in de media aan de orde gekomen en het verloop daarvan was helder en onbetwist.
Op het moment dat klager per e-mail contact opnam lag het artikel al bij de drukker en was het niet meer mogelijk iets daaraan te veranderen. Wel is direct aan klager aangeboden om in een volgend nummer te reageren. Tegelijkertijd is aan klager een versie van het artikel gestuurd, zodat hij voor publicatie kennis kon nemen van de tekst. Verder is in het kader van de bemiddeling nog aan klager de gelegenheid geboden door middel van een ingezonden brief zijn verhaal te doen. Klager heeft van de geboden mogelijkheden echter geen gebruik gemaakt.
Verweerders concluderen dat zij zorgvuldig hebben gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat in het artikel eenzijdig en tendentieus over klager is bericht zonder toepassing van wederhoor. De Raad zal zich tot deze kern beperken.

De Raad stelt vast dat in het artikel meerdere personen zich zeer negatief over klager hebben uitgelaten. Die uitlatingen zijn zodanig beschuldigend van aard dat klager daardoor wordt gediskwalificeerd. Verweerders hadden dan ook voorafgaand aan de publicatie wederhoor bij klager moeten toepassen. Dat  verweerders beoogden de werkwijze van CBE aan de orde te stellen en in hun optiek klager daarbij slechts zijdelings een rol speelt in het artikel, doet daaraan niet af.
Dat verweerders hebben aangeboden in het volgende nummer van het Onderwijsblad dan wel in een latere editie door middel van een ingezonden brief een reactie van klager te publiceren, is onvoldoende om te spreken van deugdelijke toepassing van wederhoor. De beschuldigde behoort immers voldoende gelegenheid te krijgen om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)

De Raad komt daarom tot de conclusie dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld door het artikel te publiceren zonder wederhoor bij klager toe te passen.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Onderwijsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 november 2013 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, M.C. Doolaard,  dr. H.J. Evers,  A. Mellink MPA en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.