2013/51 ongegrond

Samenvatting

Klager maakt bezwaar tegen het artikel “Een opgeblazen zaak; De bedreiging van [X]”. Volgens klager is onjuist, eenzijdig en tendentieus over hem bericht en is onvoldoende wederhoor toegepast.
Volgens de Raad hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat aanleiding bestond om te berichten over klager zoals zij hebben gedaan. Zij hebben uitgebreid bronnenonderzoek verricht voorafgaand aan de publicatie en voldoende onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Er is geen causaal verband gelegd tussen het beschreven rijksrechercheonderzoek naar klager en zijn vervroegde pensionering. Hoewel de vermelding van de vervroegde pensionering een enigszins negatieve connotatie heeft, is deze niet journalistiek onaanvaardbaar. Verder is niet gebleken dat het artikel relevante feitelijke onjuistheden bevat. Bovendien is aannemelijk geworden dat verweerders diverse pogingen hebben ondernomen om in het kader van wederhoor contact met klager te krijgen. Klager heeft niet betwist dat Van Beek hem herhaaldelijk heeft benaderd. Dat klager Van Beek, om hem moverende redenen, niet te woord heeft willen staan kan verweerders niet worden tegengeworpen. 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
S. van Beek, H. Lensink en de hoofdredacteur van Vrij Nederland
 
Bij online klachtformulier van 23 juni 2013 en aanvullende brief van 24 juni 2013 heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen S. van Beek, H. Lensink en de hoofdredacteur van Vrij Nederland (hierna: verweerders). Vervolgens heeft klager nog een bijlage overgelegd bij e-mail van 25 juni 2013. Verweerders hebben op de klacht geantwoord in een brief van 23 juli 2013 met diverse bijlagen. Klager heeft daarop gereageerd in een brief van 12 augustus 2013 met een bijlage. Verweerders hebben daarop nog gereageerd bij brief van 23 augustus 2013 met diverse bijlagen.
 
De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 30 augustus 2013. Klager was daar niet aanwezig. Namens verweerders zijn eerder genoemde Van Beek en Lensink verschenen, vergezeld door D. Tokmetzis (website Sargasso.nl).
 
DE FEITEN
 
Op 11 mei 2013 is in Vrij Nederland een artikel verschenen van de hand van Van Beek en Lensink onder de kop “Een opgeblazen zaak; De bedreiging van [X]”.
Eind 2010 kwam in het nieuws dat de toenmalige burgemeester van [plaats] door de onderwereld werd bedreigd en moest onderduiken. Het artikel schetst de achtergronden van deze kwestie, waarbij aandacht wordt besteed aan de rol van de burgemeester, zijn betrokkenheid bij de verlening van vergunningen en de daarbij tegen hem gerezen verdenkingen. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“De burgemeester zelf verdween een poos uit het openbare leven en zelfs een paar weken uit Nederland. Het Openbaar Ministerie en de gemeente [plaats] maakten er een hele show van: de dreiging tegen [X] was zéér ernstig en ongekend voor Nederlandse begrippen, en hield verband met de nieuwe coffeeshop Carpe Diem.”
en
“Nooit is gezegd wat de bedreigingen precies behelsden, ook niet tegen [X]. Begin 2011 was de burgemeester weer terug op zijn post: ‘Ik heb veel om voor te vechten in [plaats]. De rechtsstaat moet in ere worden hersteld,’ zei hij in een interview bij zijn terugkeer. ‘Als we niet optreden, krijgen we hier Mexicaanse toestanden.’ Desondanks werd hij al snel opnieuw bedreigd. Althans, dat beweerde het OM. De burgemeester zelf wist ook deze keer van niets.”
en
“Vrij Nederland en de website Sargasso zijn een jaar bezig geweest om een antwoord te vinden op die vragen. We spraken met betrokkenen en vroegen talloze documenten op, zoals ambtelijke stukken over de vergunningverlening aan de coffeeshop en het politieonderzoek naar de bedreiging van [X]. Veel werd geweigerd en in andere stukken die wel werden overgelegd, was de meeste informatie weggelakt.
 Toch leidde de poging tot reconstructie tot nieuwe inzichten. De belangrijkste daarvan is dat [X] zelf verdacht is geweest van ambtelijke corruptie bij de vergunningverlening aan Carpe Diem. De rijksrecherche verrichtte van 1 april 2011 tot en met 1 mei 2012 een strafrechtelijk onderzoek naar ‘toen nog’ de burgemeester van [plaats]. Dat bevestigt het Openbaar Ministerie als we via een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur de vraag neerleggen bij het College van Procureurs-Generaal.
De inhoud van het rijksrecherche-onderzoek wordt niet openbaar gemaakt. De top van het OM volstaat met de mededeling dat er op 12 november 2012 is geseponeerd ‘op grond van het feit dat de resultaten van het opsporingsonderzoek tot de conclusie leiden dat voldoende aannemelijk is geworden dat de voormalig burgemeester onschuldig is aan het feit waarop de verdenking betrekking had’. Wat er precies is onderzocht, wie er is gehoord en wat de relatie is tot de bedreiging van [X], blijft daardoor in nevelen gehuld.”
en
“Maar wat zei het gekrakeel rond de coffeeshop nu eigenlijk over de dreiging ten aanzien van de burgemeester? Lange tijd werd aangenomen dat de aanslagen op de coffeeshop en de bedreigingen aan het adres van [X] uit de hoek van de concurrentie kwamen. Het zou vermoedelijk gaan om criminelen die hun omzet in gevaar zagen komen door de komst van een tweede gedoogd verkooppunt. Of misschien waren het gefrustreerde vergunningaanvragers die eerder door het [plaats]se stadsbestuur, lees: [X], waren geweigerd.
De oud-burgemeester zelf denkt er anders over. Met ons wil hij niet praten, maar in 2011 zei hij tegen het Eindhovens Dagblad: ‘Het ging om onenigheid over de rolverdeling en de macht rond die coffeeshop. Ik was opeens de gebeten hond door mijn plan om een tweede coffeeshop toe te staan. (…) Ik ben echt in het ootje genomen.’”
en
“Schimmig blijft ook de verdenking van corruptie tegen [X] in de Carpe Diem-affaire. Net als elke andere burgemeester had [X] de bevoegdheid om, in zijn eentje, te beslissen over het wel of niet verlenen van een overlastvergunning én over inzet van de zogeheten Bibob-toets, waarmee een aanvrager kan worden gescreend op criminele contacten. Bronnen binnen het [plaats]se college melden dat [X] de tientallen aanvragen van andere kandidaten onder zich hield: collega-wethouders kregen ze nooit te zien.”
en
“Uiteraard hebben we [X] gevraagd om een reactie. Maanden geleden al, toen het rijksrechercheonderzoek nog slechts een gerucht was. [X] was toen nog burgemeester en liet per e-mail weten een rechtszaak wegens ‘smaad en laster’ te beginnen als we zouden beweren dat een dergelijk onderzoek naar hem heeft gelopen. Dat laatste staat inmiddels vast. Maar nog steeds zegt de voormalige burgemeester van [plaats] hiervan niets te weten. Ook beweert hij niet door het OM op de hoogte te zijn gebracht van het einde van het onderzoek. ‘Ik heb nooit zo’n brief gehad en ik ben niet op de hoogte van het feit dat er een rijksrecherche-onderzoek naar mij is verricht.’ Een woordvoerder van het Landelijk Parket reageert kort en krachtig op de ontkenning van [X]. ‘Die bewering is onjuist.’
Twaalf dagen voor het OM het onderzoek seponeerde, ging de burgemeester vervroegd met pensioen.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat het artikel tendentieus, vooringenomen en onnodig beledigend is. Het artikel toont een gebrek aan deskundigheid over het functioneren van gemeentebesturen, staat vol met slecht of niet onderbouwde gegevens en bevat diverse onjuistheden.
Volgens klager is onder meer onjuist dat de rijksrecherche van 1 april 2011 tot 1 mei 2012 een onderzoek naar hem deed. Hij wijst erop dat berichtgeving in de media aanleiding is geweest voor het instellen van een rijksrechercheonderzoek. Het enige dat klager bekend is, is wat hem vanuit die dienst is meegedeeld tijdens een gesprek op 12 november 2012, nadat hij al afscheid had genomen uit zijn voormalige functie. Hem is toen gezegd dat het onderzoek is geseponeerd, omdat hij ten onrechte als verdachte was aangemerkt. Het onderzoek had betrekking op de periode januari 2009 tot en met februari 2011 en was van kortere duur dan is vermeld. Ten onrechte is gesuggereerd dat er een verband was tussen het onderzoek en zijn pensionering. Pensionering vlak voor het 65ste levensjaar is gebruikelijk in zijn vak.
Ook is onjuist dat hij zich zowel in [plaats] als in [plaats] persoonlijk hard heeft gemaakt voor de vestiging van een tweede coffeeshop. In [plaats] was geen coffeeshop en in [plaats] één. In beide gevallen heeft hij consequent gezegd het door de Raad genomen besluit uit te voeren. In het artikel wordt op geen enkele wijze tot uitdrukking gebracht dat dit beleid door het college van B&W wordt voorbereid ter besluitvorming in de Raad. De bewering dat hij met kandidaten, op welke manier dan ook, onder vier ogen heeft gesproken is niet onderbouwd en werpt klager verre van zich. De procedure in [plaats] om te komen tot een tweede coffeeshop is volledig transparant verlopen en is door de Raad op de voet te volgen geweest. Er is geen enkel kandidaat-pand door hem persoonlijk van welke lijst dan ook geschrapt.
Verder is vermeld dat hij in zijn eentje kon beslissen over de inzet van een Bibob-toets. Het getuigt van naïviteit en onwetendheid om te beweren dat klager alle aanvragen onder zich hield, terwijl sprake was van een brede werkgroep, waarin alle disciplines inclusief de politie vertegenwoordigd waren. Hierin werden alle zaken die verband houden met drugscriminaliteit besproken. Er is aan voorbij gegaan dat veel bevoegdheden in wetten of verordeningen zijn neergelegd bij de burgemeester, niet als persoon maar als bestuursorgaan. De burgemeester heeft daarvoor een brede staf tot zijn beschikking en legt desgevraagd of op eigen initiatief verantwoording af bij de Raad. In vrijwel alle gevallen wordt ook het college van B&W vooraf bij besluiten betrokken. Dit alles blijkt ook uit stukken die bij Vrij Nederland bekend zijn, maar kennelijk niet pasten in het beeld wat de betrokken journalisten wilden schetsen.
Dat een reconstructie van de gebeurtenissen niet mogelijk is omdat er op zijn verzoek zaken zijn weggelakt is onjuist. Klager is van de afhandeling van verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) wel op de hoogte gesteld omdat hij daarbij belanghebbende is, maar hij is er niet bij betrokken geweest. Het is de verantwoordelijkheid van het huidige college van B&W hoe daarmee wordt omgegaan.
Verder stelt klager dat er met hem over de inhoud vooraf geen contact is geweest, met uitzondering van een enkel onderdeel nog voor sprake was van een publicatie. Wel is het zo dat één van de journalisten, Van Beek, een jarenlange hetze tegen hem voert. Dat Van Beek meent een afspraak met hem te hebben gemaakt tijdens een toevallige ontmoeting op 18 september 2012 is geheel voor zijn rekening. Tijdens die ontmoeting schetste Van Beek dat hij uit betrouwbare bron – rechercheverslagen – op de hoogte was van de betrokkenheid van klager bij een drugsafrekening in Limburg. Volgens klager is Van Beek, die op Twitter mensen vraagt om informatie over klager, niet betrouwbaar te noemen. Van Beek wist dat hij op 29 januari 2013 met vakantie was. Klager acht het onbehoorlijk en bedreigend dat Van Beek dan toch bij hem aan de voordeur is verschenen. Overigens is Van Beek op zijn afscheidreceptie verschenen zonder zich bekend te maken, kennelijk met de bedoeling om meer over hem te weten te komen in negatieve zin. Met een dergelijke journalist wil klager liever geen contact. Van de zijde van Vrij Nederland of Lensink is geen poging ondernomen om contact met hem te krijgen. Als klager ermee bekend was geweest dat er een publicatie zou komen in Vrij Nederland dan zou hij op zo'n uitnodiging zeker zijn ingegaan.
Klager vraagt zich af hoe een zo gerespecteerd weekblad op een dergelijk onzorgvuldige wijze met nieuwsgaring kan omgaan. Het totaalbeeld van het artikel is onzorgvuldig, onnodig beledigend en op de persoon spelend. De publicatie draagt niets bij aan een oplossing van waar het echt om gaat, namelijk de bestrijding van de uitwassen van het drugsgebruik. Volgens klager wordt hij door het artikel onnodig geschaad.
 
Verweerders betwisten dat zij onzorgvuldig hebben gehandeld. Het artikel is gebaseerd op feiten ontleend aan vele bronnen en documenten, die deels met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) zijn verkregen. Het artikel schetst de achtergronden van een opzienbarende zaak – die ruim aandacht in de media heeft gekregen – met een groot maatschappelijk belang: de ernstige bedreigingen tegen een burgemeester, die in verband worden gebracht met de drugshandel in zijn gemeente. Het journalistieke onderzoek richtte zich op de rol van de burgemeester, zijn betrokkenheid bij de verlening van de vergunningen en de daarbij tegen hem gerezen verdenkingen. Het artikel biedt geen sluitende antwoorden op alle onbeantwoorde vragen van het onderzoek, maar draagt wel nieuwe feiten aan, zoals het onderzoek van de Rijksrecherche naar de burgemeester ter zake van ambtelijke corruptie. Het artikel maakt duidelijk welke belangen op het spel staan bij het coffeeshopbeleid en onder welke druk gemeentelijke bestuurders daarbij kunnen komen te staan. De auteurs hebben grote journalistieke ervaring en zijn zich terdege bewust van hun verantwoordelijkheid. Van Beek heeft als freelance journalist geruime tijd onderzoek verricht naar de gebeurtenissen in [plaats]. Daarbij heeft hij altijd met open vizier gewerkt en intensief contact gehad met het gemeentebestuur.
Volgens verweerders heeft Van Beek verschillende keren contact gezocht met klager. Tijdens een toevallige ontmoeting op 18 september 2012 heeft Van Beek met klager afgesproken dat hij langs zou komen om te spreken over zijn bevindingen, de openstaande vragen en voor wederhoor. Op 10 oktober 2012 heeft Van Beek klager gemaild om die afspraak te maken. Hierop heeft klager afwijzend gereageerd. Op 24 oktober 2012 heeft Van Beek klager opnieuw gemaild, met de mededeling dat een publicatie over het onderzoek van de Rijksrecherche aanstaande was. Daarop heeft klager vijf dagen later gereageerd dat hem ‘van enig rijksrechercheonderzoek jegens zijn persoon nimmer is gebleken’, dat hem ‘dus ook nooit negatieve conclusies zijn voorgelegd’ en dat Van Beek zich ‘bij publicatie hierover op de grens van smaad en laster begeeft’. Verder heeft klager bericht dat hij ervan uitging dat ‘Van Beek het door hem gekozen medium daarvan op de hoogte zou stellen, omdat hij niet zou schromen ook hen evenals Van Beek aansprakelijk te stellen’. Op 29 januari 2013 heeft Van Beek aangebeld bij het woonhuis van klager. Aangezien niemand open deed, heeft hij een briefje in de brievenbus gedaan met het verzoek aan klager om contact op te nemen in het kader van wederhoor. Hierop heeft klager niet gereageerd. Op 3 april 2013 heeft Van Beek geprobeerd om via diverse ambtenaren bij de gemeente contact te leggen met klager. Diezelfde dag heeft hij telefonisch contact gehad met klager, die liet weten dat hij niets wist van een rijksrechercheonderzoek en verder niet wilde praten, omdat dat ‘toch geen zin’ had. Het voorstel om per e-mail enkele vragen voor te leggen wees klager af, waarbij hij meedeelde dat hij niet over e-mail beschikte. In de vele contacten met zowel klager als vertegenwoordigers van de gemeente [plaats] heeft Van Beek herhaaldelijk gemeld dat hij werkte aan een verhaal voor Vrij Nederland. Van Beek is uit journalistieke belangstelling inderdaad op de afscheidsreceptie van klager geweest, maar heeft op deze feestelijke gelegenheid bewust geen contact gezocht met klager. Juist dat zou immers als provocatie kunnen worden uitgelegd. Verder wijzen verweerders erop dat Van Beek drie keer eerder over klager heeft gepubliceerd, in Binnenlands Bestuur en op de website Sargasso. De inhoud van deze artikelen rechtvaardigt niet de kwalificatie ‘hetze’. Klager verwart onwelgevallige, maar immer goed onderbouwde publiciteit met een hetze.
Ter zitting voegt Van Beek hieraan desgevraagd nog toe dat er vanwege de duur van de Wob-procedures een lange periode heeft gezeten tussen het eerste contact met klager en de publicatie. Hij werkt freelance voor de website Sargasso en is samen met Tokmetzis in juni 2012 gestart met zijn onderzoek. Het product is vervolgens voorgelegd aan Vrij Nederland, waarna Lensink heeft meegeschreven aan het eindproduct. Nadat zij op 28 maart 2013 bericht over het rijksrechercheonderzoek hadden ontvangen, heeft Van Beek in april 2013 opnieuw contact met klager opgenomen. Van Beek benadrukt dat klager categorisch heeft geweigerd in te gaan op vragen.
Ten aanzien van de feiten die volgens klager onjuist zouden zijn, stellen verweerders onder meer dat de vermelde duur van het rijksrechercheonderzoek overeenkomt met de periode waarin volgens het College van procureurs-generaal strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden ter zake van ambtelijke corruptie. Zij verwijzen in dit verband naar een brief van het College van procureurs-generaal van 28 maart 2013, naar aanleiding van een Wob-verzoek. Daarin schrijft het College bovendien dat het Openbaar Ministerie de zaak tegen klager heeft geseponeerd ‘op grond van het feit dat de resultaten van het opsporingsonderzoek tot de conclusie leiden dat voldoende aannemelijk is geworden dat de voormalige burgemeester onschuldig is aan het feit waarop de verdenking betrekking had’. Volgens verweerders is dat iets anders dan dat klager ‘ten onrechte als verdachte is aangemerkt’. Verweerders menen verder dat zij geen link hebben gelegd tussen de vroegtijdige pensionering van klager en het onderzoek. Het een ‘volgde op’ het ander en dat is iets anders dan dat het een ‘het gevolg was van’ het ander. Klager heeft overigens zelf zijn vervroegde vertrek aangekondigd in een raadsvergadering en in talloze publicaties gemeld dat hij vervroegd met pensioen zou gaan vanwege de geldende pensioenregeling.
Volgens verweerders blijkt uit alle bronnen dat de burgemeester in zijn beide gemeenten het initiatief heeft genomen tot vestiging van een (tweede) coffeeshop. Vrij Nederland heeft met een beroep op de Wob de beschikking gekregen over de zakelijke agenda van klager. Hierin staat ten minste één ontmoeting vermeld met een kandidaat-exploitant. Bronnen hebben uitgewezen dat klager – door invulling te geven aan beleidsregels en het besluit ter zake te nemen – zeer nauw betrokken was bij de aanwijzing van panden als mogelijke locatie voor een coffeeshop. Bij de besluiten op de Wob-verzoeken zitten bijlagen waaruit kan worden opgemaakt dat klager zelf tientallen keren het besluit heeft genomen stukken niet te openbaren of slechts gedeeltelijk, door het ‘weglakken’ van informatie. De Wet Bibob geeft de bevoegdheid tot het instellen van een Bibob-toets aan de burgemeester. Hij is ook de enige die een advies mag inzien en daarover mag/moet beslissen. Dit wordt gestaafd door de stukken die verweerders op grond van de Wob-verzoeken hebben verkregen. De uitkomsten van de Bibob-toets zijn nooit besproken in het college van B&W en dus ook niet gedeeld met de wethouders.
Verweerders concluderen dat de klacht ongegrond is. Er zijn vele (vergeefse) pogingen gedaan tot wederhoor. Vrij Nederland heeft zorgvuldig gehandeld en heeft de journalistieke normen niet overschreden. Dat wat in het artikel wordt gesteld vindt voldoende grondslag in het feitenmateriaal. Van onjuiste berichtgeving is geen sprake. Verweerders hebben alle stukken waarnaar zij hebben verwezen bij hun verweerschrift en nadere reactie gevoegd.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat hij naar aanleiding van een klacht beoordeelt of al dan niet journalistiek zorgvuldig is gehandeld. De Raad doet in dat verband geen zelfstandig feitenonderzoek, zoals in een gerechtelijke procedure het geval is.                    
 
Kern van de klacht is dat in de gewraakte artikelen onjuist, eenzijdig en tendentieus over klager is bericht en dat klager onvoldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden.
Volgens de Raad hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat op basis van hun onderzoek aanleiding bestond om te berichten over klager zoals zij hebben gedaan. Verweerders hebben uitgebreid bronnenonderzoek verricht voorafgaand aan de publicatie, die is gebaseerd op stukken en informatie afkomstig van diverse personen en gezaghebbende instanties. Bovendien is in het artikel voldoende onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen.
 
Anders dan klager heeft betoogd, wordt in het artikel geen causaal verband gelegd tussen het rijksrechercheonderzoek en klagers vervroegde pensionering. Hoewel de vermelding van de vervroegde pensionering – bezien in de context van het artikel – een enigszins negatieve connotatie heeft, is deze niet journalistiek onaanvaardbaar. Verder is niet gebleken dat het artikel relevante feitelijke onjuistheden bevat.
 
Bovendien is aannemelijk geworden dat verweerders diverse pogingen hebben ondernomen om in het kader van wederhoor contact met klager te krijgen. Klager heeft niet betwist dat Van Beek hem herhaaldelijk heeft benaderd. Dat klager Van Beek, om hem moverende redenen, niet te woord heeft willen staan kan verweerders niet worden tegengeworpen.
 
Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt de Raad tot de conclusie dat verweerders niet journalistiek ontoelaatbaar ten opzichte van klager hebben gehandeld.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 6 november 2013 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. dr. Y.M. de Haan, A. Mellink MPA en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.K. N'Daw, plaatsvervangend secretaris.